| |
2011-06.
Klaagster solliciteert naar de functie van Cabin Attendant bij een luchtvaartmaatschappij. De keurend arts (hierna: verweerder) acht haar wegens diabetes ongeschikt, waarna de luchtvaartmaatschappij (hierna: aspirant werkgever) besluit om klaagster niet meer aan de opleiding te laten deelnemen. Klaagster wendt zich tot de Commissie en stelt dat diabetes niet in de weg hoeft te staan aan de vervulling van de functie. Verder vermoedt zij dat er overleg is geweest tussen verweerder en de aspirant werkgever over de reden van de ongeschiktheid. Voorts vindt klaagster dat er sprake is van discriminatie, omdat zij vanwege haar chronische ziekte niet is toegelaten tot de opleiding.
De Commissie heeft tegen de aspirant werkgever een afzonderlijk oordeel uitgebracht (oordeel 2011-05).
Naast de regels van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen kan
bij de aanstellingskeuring andere specifieke wetgeving van toepassing zijn. Verweerder beroept zich erop dat de keuring een combinatie is van een aanstellingskeuring en een veiligheidskeuring, waarbij op grond van internationale regelgeving, vervat in de EG-
Verordening 3922/91, en een brief d.d. 5 juni 2008 van de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat, geldt dat voor de functie van Cabin Attendant de ICAO medische klasse 2-eisen moeten worden gehanteerd. Vanuit dat kader wordt een persoon met insuline-afhankelijke diabetes ongeschikt geacht voor het uitoefenen van functies als vlieger en cabinepersoneel. De medische keuringsinstantie hanteert deze medische eisen conform afspraak met de aspirant werkgever.
De Commissie heeft in het kader van haar aanbeveling 2010-02 reeds eerder kennis genomen van de bovengenoemde medische eisen en is bekend dat deze eisen wel dwingend zijn voorgeschreven voor piloten, maar niet voor cabinepersoneel en dus niet zonder meer geschikt zijn voor cabinepersoneel. De Wmk en het Besluit zijn derhalve onverkort van kracht.
Gebleken is dat er geen bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk zijn vastgelegd. Als keurend arts had verweerder de plicht zich ervan te vergewissen dat de bijzondere eisen van medische geschiktheid van een functie zijn beschreven volgens de daarvoor geldende bepalingen van de WMK en de keuring te beperken tot een beoordeling van de geschiktheid van de keurling voor de functie gelet op die bijzondere eisen.
De Commissie constateert verder dat de keurend arts ten aanzien van de informatievoorziening aan de keurling een eigen verantwoordelijkheid heeft. De keurend arts dient zich ervan te vergewissen dat de keurling voorafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over het doel en de inhoud van die keuring. Indien dit niet het geval is, dient de keurend arts deze informatie zelf te verstrekken.
Met betrekking tot het verstrekken van informatie door een keurend arts dan wel een geneeskundig adviseur aan de aspirant werkgever overweegt de Commissie dat uit de WMK voortvloeit dat een keurend arts ten aanzien van de keuringsuitslag niet meer mag meedelen aan de keuringvrager dan geschikt, ongeschikt of geschikt onder voorwaarden en pas nadat de keurling hiervoor toestemming heeft gegeven. De hoofdregel is dat de arts geen informatie aan derden mag verstrekken. In enkele situaties is het mogelijk dat de arts zijn beroepsgeheim doorbreekt. Eén daarvan doet zich voor wanneer de arts gerichte toestemming heeft gekregen van de keurling. In het onderhavige geval was geen toestemming gegeven.
Ten aanzien van het vermeende contact tussen verweerder en de medische keuringsinstantie over de keuringsuitslag, merkt de Commissie op dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Wel is gebleken dat de ongeschiktheidsverklaring, zonder dat klaagster hier toestemming voor had verleend, aan de aspirant werkgever is verstrekt.
Lees meer »
2011-05.
Klaagster solliciteert naar de functie van Cabin Attendant bij een luchtvaartmaatschappij. De keurend arts acht haar wegens diabetes ongeschikt, waarna de luchtvaartmaatschappij besluit om klaagster niet meer aan de opleiding te laten deelnemen. Klaagster wendt zich tot de Commissie en stelt dat diabetes niet in de weg hoeft te staan aan de vervulling van de functie. Verder vermoedt zij dat er overleg is geweest tussen de keurend arts en de luchtvaartmaatschappij (hierna: verweerder) over de reden van de ongeschiktheid. Voorts vindt klaagster dat er sprake is van discriminatie, omdat zij vanwege haar chronische ziekte niet is toegelaten tot de opleiding.
De Commissie heeft tegen de keurend arts een afzonderlijk oordeel uitgebracht (oordeel 2011-06).
Naast de regels van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen kan bij de aanstellingskeuring andere specifieke wetgeving van toepassing zijn. In casu zijn dat de ICAO medische klasse 2-eisen voor cabinepersoneel (onderdeel van JAR-FCL). Verweerder beroept zich erop dat de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat (IVW) adviseert om bij de keuring van cabinepersoneel de ICAO medische klasse 2-eisen als referentiekader te nemen.
De Commissie heeft in het kader van haar aanbeveling 2010-02 reeds eerder kennis genomen van de bovengenoemde medische eisen en is bekend dat deze eisen wel dwingend zijn voorgeschreven voor piloten, maar niet voor cabinepersoneel en dus niet zonder meer geschikt zijn voor cabinepersoneel. De Wmk en het Besluit zijn derhalve onverkort van kracht.
Gebleken is dat er geen bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk zijn vastgelegd, noch dat hierover en over de rechtmatigheid van de keuring advies is gevraagd aan een deskundig persoon of een arbodienst. Verweerder heeft aangevoerd een relatief kleine organisatie met weinig speelruimte te zijn, waardoor er naar eigen zeggen niet goed kan worden afgeweken van de internationale regelgeving. De Commissie vindt dit juist een reden om de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk vast te leggen en zich daarover te laten adviseren.
De Commissie constateert verder dat verweerder het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke zullen worden verricht, niet schriftelijk heeft vastgelegd. Klaagster heeft niet tijdig het advies van de medische keuringsinstantie ontvangen en klaagster is niet geïnformeerd over de mogelijkheid tot een herkeuring of tot het indienen van een klacht bij de CKA. Voorts heeft klaagster onterecht geen herkeuring gehad. Verweerder had het nemen van de beslissing tot aanstelling moeten uitstellen tot de uitslag van de herkeuring. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat er tussen de medische keuringsinstantie en verweerder contact is geweest over de uitslag van de keuring. Tot slot acht de Commissie zich niet bevoegd om zich over de eventuele discriminatie door verweerder uit te laten.
Lees meer »
2011-04.
Klager heeft gesolliciteerd voor de functie van Machinist VB (volledig Bevoegd) bij een vervoersbedrijf. De keurend arts heeft klager afgekeurd voor de functie omdat klager op het medische vragenformulier heeft vermeld dat hij in de laatste vijf jaar is behandeld aan zijn hart. Klager is het hier niet mee eens. Klager stelt dat verweerster tevens geen gedegen onderzoek heeft verricht en de aspirant werkgever had moeten wijzen op de verplichting een consult te vragen van een expertarts alvorens een uitslag te kunnen geven. Klager verzoekt de Commissie zich hier over uit te spreken.
De Commissie dient te kijken of bij de uitvoering van de aanstellingskeuring is voldaan aan de eisen van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.
Vast is komen te staan dat de keurend arts, alvorens een keuringsuitslag te kunnen geven, voor de aandoening waar klager aan lijdt, verplicht was een consult bij Polikliniek Mens en Arbeid (PMA) aan te vragen. Verweerster heeft dit niet gedaan omdat zij hiervoor toestemming van de aspirant werkgever nodig zou hebben en dat de aspirant werkgever op dezelfde dag van de keuring al de uitslag wilde hebben. Verweerster heeft tegenover de Commissie bevestigd dat zij geen volledig medisch onderzoek heeft verricht. Verweerster gaf aan dat zij echter wel de uitslag ‘ongeschikt voor functie‘ moest geven omdat klager volgens haar – op dat moment – ook niet geschikt verklaard kon worden en er geen tussenvariant mogelijk was.
De Commissie is van mening dat van verweerster mag worden verwacht dat zij in plaats van een uitslag ‘ongeschikt voor functie’ zowel klager als aspirant werkgever had moeten meedelen dat zij geen uitslag kon geven nu de keuring niet volledig was.
Daarbij had zij - indien klager daarvoor toestemming had verleend - kunnen vermelden dat in dit geval een consult bij de PMA verplicht is, dat dit op korte termijn te regelen zou zijn en de uitslag daarvan bindend is voor de keuringsuitslag. Verweerster heeft zelf bevestigd dat dit de gebruikelijke procedure is. Door dit na te laten heeft verweerster zich in haar handelen teveel laten leiden door de wensen van de aspirant werkgever en daarbij het belang van klager uit het oog verloren. Verweerster heeft aldus in strijd gehandeld met de WMK.
Lees meer »
2011-03.
Klaagster heeft de Commissie gevraagd haar oordeel uit te spreken over de vraag of het gastouderbureau waar zij solliciteerde klaagster had mogen onderwerpen aan een medische keuring naar aanleiding van klaagsters mededeling over haar psychische gezondheid tijdens het sollicitatiegesprek. Het gastouderbureau stelt dat er geen sprake is van een aanstellingskeuring omdat er geen sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht.
De Commissie concludeert uit hetgeen door het gastouderbureau naar voren is gebracht, dat de voor het bestaan van een privaatrechtelijke vereiste gezagsverhouding in de zin van de Ziektewet (ZW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tussen het gastouderbureau en de gastouders ontbreekt. Voorts valt de arbeidsverhouding van de gastouders niet onder de fictieve dienstbetrekking als bedoeld in de ZW en de WAO, omdat zij hun arbeid uitoefenen als zelfstandig ondernemer. Deze conclusie wordt bevestigd in het standpunt van de inspecteur van de Belastingdienst. Dit betekent tevens dat geen sprake is van een keuring in de zin van artikel 1 van de WMK.
Op grond van vorenstaande verklaart de Commissie zich onbevoegd ten aanzien van de ingediende klacht.
Lees meer »
2011-02.
Klager verzoekt de Commissie een oordeel te geven over de keuring voor een taxipas. Klager heeft via een re-integratiebureau gesolliciteerd bij een vervoersbedrijf op de functie taxichauffeur/kleinbus. Tijdens het sollicitatiegesprek zijn vragen gesteld over klagers gezondheid, waarop klager heeft aangegeven dat hij diabetes heeft. Het vervoersbedrijf heeft aangegeven dat klager moest worden gekeurd voor de taxipas. De keurend arts heeft klager afgekeurd vanwege een combinatie van aandoeningen, waaronder diabetes. Klager betwijfelt of verweerder een gedegen onderzoek heeft gedaan om tot de afkeuring te komen. Ook had verweerder navraag moeten doen over klagers diabetes bij de behandelend internist. Tevens stelt klager dat hij niet goed is geïnformeerd over de keuring en dat verweerder de van toepassing zijnde regelgeving verkeerd heeft geïnterpreteerd. Tot slot stelt klager dat verweerder zijn beroepsgeheim heeft geschonden.
Naast de regels van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen kunnen bij de aanstellingskeuring een aantal andere regels van toepassing zijn als deze op specifieke wetgeving is gebaseerd. In casu is dat de Regeling eisen geschiktheid 2000. De Commissie is van mening dat verweerder de eisen voor het verrichten van de functie taxichauffeur met inachtneming van de normen die in de Regeling worden genoemd heeft kunnen vertalen naar bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid en dat niet is gesteld of gebleken dat verweerder daarbij in strijd met de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen heeft gehandeld.
Ten aanzien van de informatieverstrekking legt de Commissie uit dat de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid heeft in relatie tot de keurling. De keurend arts dient zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform de Wmk. Indien dit niet het geval is dient de keurend arts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van informed consent. In casu heeft verweerder dit niet gedaan en heeft daarmee in strijd met de Wmk gehandeld.
De Wmk bepaalt dat een keurend arts verplicht is tot geheimhouding van wat hem bekend is over de keurling. De keurend arts mag niet meer meedelen aan de keuringvrager dan voor het doel van de keuring strikt noodzakelijk is. In enkele situaties is het mogelijk dat de arts zijn beroepsgeheim doorbreekt. Eén daarvan doet zich voor wanneer de arts gerichte toestemming heeft gekregen van de keurling. In casu was geen toestemming gegeven. Ondanks dat niet de keurend arts zelf, maar iemand anders werkzaam bij de arbodienst informatie aan de werkgever heeft verschaft, wordt de keurend arts hiervoor verantwoordelijk gehouden. Ook op dit punt heeft verweerder derhalve in strijd met de Wmk gehandeld. Lees meer »
2011-01.
Klager verzoekt de Commissie een oordeel te geven over de keuring voor een taxipas. Klager heeft via een re-integratiebureau gesolliciteerd bij een vervoersbedrijf op de functie taxichauffeur/kleinbus. Tijdens het sollicitatiegesprek zijn vragen gesteld over klagers gezondheid. Klager heeft toen aangegeven dat hij diabetes heeft. Het vervoersbedrijf heeft aangegeven dat klager moest worden gekeurd voor de taxipas. Vervolgens is klager afgekeurd. Hierdoor wilde het vervoersbedrijf niet met hem verder, terwijl klager reeds aan de opleiding tot taxichauffeur was begonnen. Klager stelt dat hem een baangarantie was afgegeven, verweerder bestrijdt dit.
De commissie dient te beoordelen of sprake is van een aanstellingskeuring. Volgens de commissie is dit het geval, omdat het vervoersbedrijf in de uitnodiging voor de keuring schreef dat het om een aanstellingskeuring ging. Bovendien heeft het vervoersbedrijf aangegeven dat normaal gesproken na voltooiing van de opleiding wordt overgegaan tot een dienstverband bij het bedrijf.
Naast de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen kunnen tevens andere regels van toepassing zijn op een aanstellingskeuring, indien deze op specifieke wetgeving zijn gebaseerd. In casu is dit het geval, namelijk de Regeling eisen geschiktheid 2000. Volgens de commissie
doet deze regeling, met daarin een wettelijk verplichte keuring voor de taxipas, geen afbreuk aan het karakter van aanstellingskeuring.
Vervolgens geeft de commissie aan dat het begrip ‘keuring’ in de Wmk ruim moet worden verstaan. Hieronder valt ook het stellen van vragen over de gezondheidstoestand. Omdat tijdens het sollicitatiegesprek vragen zijn gesteld over de gezondheid, is in strijd met de wet gehandeld.
Tevens heeft verweerder volgens de commissie nog op andere onderdelen in strijd met de Wmk gehandeld, namelijk ten aanzien van de informatievoorziening en de gang van zaken rond de herkeuring.
Lees meer »
|
|