Aanbeveling 2010-01

Samenvatting

Een sollicitant voor de functie van treinverkeerleider heeft de Commissie een vraag gesteld over de toelaatbaarheid van het gebruik van een algemene medische vragenlijst ten behoeve van zijn sollicitatie. De aanstellingskeuring is verricht door een keurend arts van een arbodienst.

De sollicitant heeft de keurend arts gevraagd of daadwerkelijk alle vragen moesten worden beantwoord. De keurend arts heeft hem meegedeeld dat hij ongeschikt zou worden verklaard indien hij niet alle vragen op de vragenlijst zou invullen.

De CKA heeft aangegeven dat een keurend arts alleen vragen mag stellen die relevant zijn voor het beoordelen van de medische geschiktheid in relatie tot de bijzondere functie-eisen. Tevens zijn vragen die een onevenredige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de keurling niet toegestaan. Betrokkene heeft om hem moverende redenen geen klacht bij de CKA ingediend over de gang van zaken tijdens de aanstellingskeuring. Hij heeft zich willen beperken tot het vragen om informatie en advies aan de CKA. Hij heeft voorts aangegeven het belangrijk te vinden dat andere sollicitanten worden behoed voor dergelijke vragenlijsten.

Omdat de sollicitant geen klacht heeft willen indienen, heeft de Commissie besloten naar aanleiding van dit signaal een eigen onderzoek in te stellen naar het gebruik van de medische vragenlijst. De Commissie heeft een bespreking gehouden met de betreffende arbodienst.

De arbodienst heeft aangegeven dat de medische en psychologische geschiktheidseisen in opdracht van de Inspectie Verkeer en Waterstaat door een panel van arts-deskundigen zijn vertaald naar medische keuringseisen. Er wordt onderzocht of deze eisen geactualiseerd moeten worden. De arbodienst geeft aan dat zij van de door dit deskundige panel geformuleerde eisen uit kan en mag gaan en dat zij deze niet zelf verder hoeft te onderzoeken. Zij zegt een vooral uitvoerende rol te hebben. De CKA geeft aan dat er in de praktijk veel meer beoordelingsruimte blijkt te zijn dan in eerste instantie wordt gedacht.

Voorafgaand aan de bespreking heeft de arbodienst reeds bijna de helft van het aantal vragen uit de oorspronkelijke vragenlijst geschrapt. Deze vragen gingen met name over ziekteverzuim in het verleden en aandoeningen die geen verband houden met de functie van treinverkeerleider. Desondanks resteerden nog een aantal vragen waar de Commissie opmerkingen bij had. Dit betrof vragen uit de aangepaste vragenlijst die te algemeen waren en geen verband hielden met bijzondere functie-eisen. Deze vragen kunnen sollicitanten voor dilemma’s plaatsen. Het stellen van algemene vragen leidt niet tot een transparante keuring. Voorkomen moet worden dat er vragen gesteld worden die de sollicitant in gewetensnood brengt omdat deze niet relevant zijn voor de functie. Het stellen van deze vragen is strijdig met de WMK. De arbodienst geeft aan zich in de opmerkingen te kunnen vinden en de lijst opnieuw aan te zullen passen.
Ook zal de arbodienst het door haar gebruikte stroomschema ‘uitvoeren aanstellingskeuringen’ aanpassen. De commissie heeft enkele suggesties gedaan om het schema op sommige onderdelen meer toe te spitsen op de WMK.

De Commissie heeft ten slotte een aantal aanbevelingen gedaan:

  • Ten eerste heeft de Commissie de arbodienst er op gewezen dat ook als er sprake is van sectorspecifieke regelgeving met betrekking tot de keurings- en geschiktheidseisen, de arbodienst en iedere individuele keurend arts een eigen verantwoordelijkheid behoudt inzake de naleving van de WMK. Bijzondere functie-eisen, die voortvloeien uit de sectorspecifieke regelgeving moeten getoetst worden aan de eisen die de WMK hieraan stelt;
  • Arbodienst en keurend arts mogen alleen die vragen stellen die relevant zijn voor het beoordelen van de medische geschiktheid in relatie tot de bijzondere functie-eisen. Algemene vragen en vragen die een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer zijn derhalve niet toegestaan;
  • Bij de uitvoering van de aanstellingskeuring dienen arbodienst en keurend arts de eisen van ondermeer artikel 8, lid 2, van de WMK expliciet te betrekken. De Commissie wijst in dit verband tevens op de samenhang met de bepalingen inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst die zijn vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7 , afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring.


Aanbeveling 2010-01

Commissie: mr. E. Cremers - Hartman, voorzitter, mr. M.A.C. Vijn en drs. W.M. van de Fliert, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. J. Jonkman, secretaris.

1 Het signaal

1.1 In augustus 2009 heeft een sollicitant voor de functie van treinverkeerleider de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie) een vraag gesteld over de toelaatbaarheid van het gebruik van een medische vragenlijst ten behoeve van zijn sollicitatie. De aanstellingskeuring is verricht door een keuringsarts van een arbodienst.

1.2 De sollicitant moest in verband met de voor de functie van toepassing zijnde bijzondere functie-eisen een aanstellingskeuring ondergaan bij de arbodienst aan het slot van de sollicitatieprocedure voor de betreffende functie. In het kader van deze aanstellingskeuring kreeg hij een algemene medische vragenlijst voorgelegd. De sollicitant heeft aan de keurend arts vragen gesteld over de vragenlijst omdat een aantal vragen heel algemeen waren geformuleerd en niet relevant leken voor de functie waarop hij had gesolliciteerd. De sollicitant heeft gevraagd of daadwerkelijk alle vragen moesten worden beantwoord. De keurend arts heeft hem meegedeeld dat hij ongeschikt zou worden verklaard indien hij niet alle vragen op de vragenlijst zou invullen.

1.3 Betrokkene heeft de Commissie een afschrift toegezonden van de medische vragenlijst die uit 36 vragen bestond. De Commissie heeft betrokkene geïnformeerd over hetgeen op grond van de Wet op de medische keuringen (WMK) toelaatbaar is bij een aanstellingskeuring. De CKA heeft daarbij aangegeven dat een keuringsarts alleen vragen mag stellen die relevant zijn voor het beoordelen van de medische geschiktheid in relatie tot de bijzondere functie-eisen. Tevens zijn vragen die een onevenredige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de keurling niet toegestaan. Betrokkene heeft om hem moverende redenen geen klacht bij de Commissie ingediend over de gang van zaken tijdens de aanstellingskeuring. Hij heeft zich willen beperken tot het vragen om informatie en advies aan de Commissie. Hij heeft voorts aangegeven het belangrijk te vinden dat andere sollicitanten worden behoed voor dergelijke vragenlijsten.

1.4. Omdat de sollicitant geen klacht heeft willen indienen, heeft de Commissie besloten naar aanleiding van dit signaal een eigen onderzoek in te stellen naar het gebruik van de medische vragenlijst. Het eigen onderzoek had geen betrekking op de keurend arts aangezien de sollicitant jegens hem geen klacht heeft ingediend. De Commissie heeft willen onderzoeken of door de arbodienst en de bij deze dienst aangesloten bedrijfsartsen in strijd met de WMK wordt gehandeld door het gebruik van de algemene en uitgebreide medische vragenlijst bij de aanstellingskeuring.

2. De schriftelijke procedure

2.1 Op 7 januari 2010 heeft de Commissie de arbodienst een brief gestuurd met een aantal vragen over de gebruikte medische vragenlijst en over hoe de gestelde vragen zich verhouden tot de functie-eisen van de functie van treinverkeerleider. De arbodienst heeft hier op 27 januari 2010 schriftelijk op geantwoord. De arbodienst heeft verwezen naar het toepasselijke Besluit van 3 december 2004, houdende vaststelling van voorschriften met betrekking tot de bekwaamheid en geschiktheid van spoorwegpersoneel (hierna: Besluit spoorwegpersoneel). De arbodienst heeft erkend dat de vragenlijst uitgebreider is dan de medische eisen spoorwegveiligheid, gebaseerd op het Besluit spoorwegpersoneel, rechtvaardigen. De arbodienst heeft toegezegd de keuringslijst aan te zullen passen en te beperken tot de vermelde medische eisen. Verder zegde hij toe de herziene vragenlijst zo spoedig mogelijk aan de Commissie toe te zenden.

2.2 Op 4 februari 2010 heeft de Commissie de arbodienst nogmaals een brief gestuurd, omdat niet op alle eerder gestelde vragen een antwoord was gegeven. De arbodienst heeft hier op 9 februari 2010 op gereageerd en bij de beantwoording tevens de relevante bepalingen van het Besluit spoorwegpersoneel gevoegd. Op 24 februari 2010 heeft de arbodienst de CKA de nieuwe vragenlijst Spoorveiligheid toegezonden en tevens de oproepbrief voor de aanstellingskeuring, het keuringsformulier en de conceptbrief waarmee de keuringsuitslag aan de werkgever bekend wordt gemaakt.

2.3 De Commissie heeft daarop vastgesteld dat uit de brieven van de arbodienst niet blijkt of en in welke mate de WMK als toetsingskader wordt gebruikt bij de aanstellingskeuring. Er bleven nog steeds vragen open en de verkregen antwoorden gaven aanleiding tot nieuwe vragen. Om die reden zijn aan de arbodienst bij brief van 22 maart 2010 nadere vragen gesteld over de keuringseisen die de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) voorschrijft bij de aanstellingskeuring voor de functie van treinverkeerleider. Ook zijn vragen gesteld over de vernieuwde lijst met gezondheidsvragen en over de informatievoorziening door de keuringsarts. Daarbij is tevens gewezen op de eigen verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts inzake de naleving van de WMK, ook als er sprake is van sectorspecifieke regelgeving. Om miscommunicatie tussen de CKA en de arbodienst te voorkomen, is eveneens besloten de arbodienst uit te nodigen voor een bespreking. Voorafgaand aan deze bespreking heeft de arbodienst per brief d.d. 14 april 2010 nog een reactie gestuurd.

2.4 De bespreking tussen de arbodienst en de Commissie heeft op 29 april 2010 plaatsgevonden.

3. De bespreking

3.1 Tijdens de bespreking zijn achtereenvolgens aan de orde gekomen:

  • de keurings- en geschiktheidseisen zoals deze door de arbodienst worden gehanteerd voor de functie van treinverkeerleider;
  • de aangepaste medische vragenlijst als onderdeel van de aanstellingskeuring;
  • de uitvoering van de aanstellingskeuringen.

De keurings- en geschiktheidseisen
3.2 De arbodienst heeft aangegeven dat de specifieke functie-eisen voor de functie van treinverkeerleider door de opdrachtgever (werkgever) zijn aangeleverd. De medische en psychologische geschiktheidseisen zijn vastgelegd in de artikelen 26 en 27 van het Besluit Spoorwegpersoneel. In opdracht van IVW zijn deze medische en psychologische geschiktheidseisen door het panel van arts-deskundigen van de Polikliniek Mens en Arbeid van de VU te Amsterdam vertaald naar medische keuringseisen. De arbodienst heeft tevens aangegeven dat momenteel onderzocht wordt of deze eisen geactualiseerd moeten worden. De arbodienst heeft in haar brief d.d. 14 april 2010 aangegeven dat zij van de door dit deskundige panel geformuleerde eisen uit kan en mag gaan en deze niet zelf verder hoeft te onderzoeken.

3.3 Tijdens het gesprek heeft de arbodienst aangegeven dat hij vooral een uitvoerende rol heeft. De arbodienst kan de bijzondere functie-eisen slechts marginaal toetsen, omdat de eisen vanuit IVW worden opgelegd en de uitwerking aan een deskundig panel is overgelaten. Naar de mening van de arbodienst blijft er dan weinig ruimte over voor de arbodienst.

3.4 De Commissie begrijpt dat, hoe uitgebreider de opgelegde regelgeving is, des te minder beoordelingsruimte er in de toetsing door de arbodienst is. De Commissie wijst er echter op dat de WMK de arbodienst en de keurend artsen regels oplegt die nageleefd moeten worden bij de uitvoering van de aanstellingskeuring.

Arbodienst en keurend artsen hebben daarbij een eigen verantwoordelijkheid. De Commissie benadrukt tevens dat er in de praktijk veel meer beoordelingsruimte blijkt te zijn dan in eerste instantie is gedacht.

De medische vragenlijst
3.4 Naar aanleiding van de opmerkingen van de Commissie over de door de arbodienst gehanteerde algemene medische vragenlijst heeft de arbodienst de vragenlijst aangepast. Bijna de helft van het aantal vragen uit de oorspronkelijke vragenlijst is geschrapt. Deze vragen gingen met name over ziekteverzuim in het verleden en aandoeningen die geen verband houden met de functie van treinverkeerleider. Desondanks plaatst de Commissie nog steeds vraagtekens met name bij de eerste zes vragen in de nieuwe vragenlijst Spoorveiligheid. Deze worden achtereenvolgens besproken.

3.5 De vragen of de keurling zich momenteel volkomen gezond voelt en/of de keurling onder medisch toezicht staat, vindt de Commissie te algemeen geformuleerd. Niet valt in te zien dat deze vragen relevant zijn in verband met de gestelde bijzondere functie-eisen voor de functie van treinverkeerleider.
Ook de vraag of de keurling ooit een WAO- of WIA-uitkering heeft gehad, is voor de aanstellingskeuring niet relevant; de vraag zou relevant kunnen zijn op een later moment tijdens het dienstverband, maar mag hier niet gesteld worden.
De vraag of de keurling wel eens is opgenomen in een ziekenhuis of een psychiatrische instelling en de vraag of de keurling ooit langer dan één maand niet heeft kunnen werken wegens psychische problemen horen niet in algemene zin thuis in een aanstellingskeuring. In de door de arbodienst toegezonden ‘Bijlage 1 behorende bij artikel 3 van de Regeling spoorwegpersoneel’ wordt onder psychiatrie vermeld dat doorgemaakte psychosen of meer in het algemeen perioden met ernstige oordeels- en kritiekstoornissen etc. meestal ongeschikt maken. In dat geval is nader onderzoek door een op dit terrein deskundige noodzakelijk. Ten aanzien van dit onderwerp dienen dan ook gerichte vragen te worden geformuleerd.

3.6 De Commissie concludeert dat deze eerste zes vragen van de vernieuwde vragenlijst te algemeen zijn en geen verband houden met bijzondere functie-eisen. Deze vragen kunnen sollicitanten voor dilemma’s plaatsen. Het stellen van algemene vragen leidt niet tot een transparante keuring. Voorkomen moet worden dat er vragen gesteld worden die de sollicitant in gewetensnood brengt omdat deze niet relevant zijn voor de functie. Het stellen van deze vragen is strijdig met de WMK.
De overige vragen houden volgens de Commissie wel verband met bijzondere functie-eisen voor de betreffende functie en kunnen derhalve zo blijven staan.
De arbodienst geeft aan zich in de opmerkingen te kunnen vinden en de lijst aan te zullen passen.

De uitvoering van de aanstellingskeuringen.
3.7 De arbodienst heeft in zijn brief d.d. 14 april 2010 de werkwijze met bijbehorend stroomschema ‘Uitvoeren aanstellingskeuringen’ meegestuurd. Deze werkwijze is in het kwaliteitssysteem van de arbodienst vastgelegd en de keuringen worden volgens deze werkwijze uitgevoerd. De keurend arts zal dit stroomschema gebruiken als checklist of instructie bij een te verrichten aanstellingskeuring. Aangezien de Commissie nog een aantal vragen had naar aanleiding van het stroomschema, zijn deze tijdens het gesprek aan de orde gekomen.

3.8 In het stroomschema staat de actie ‘Beoordelen aangeleverde informatie op inhoud’. Als onderliggende informatie hiervoor wordt onder andere wet- en regelgeving genoemd, met specifiek een verwijzing naar CAO branchebepalingen. Er wordt echter ten onrechte geen verwijzing naar de WMK gemaakt. In punt 3 van de werkwijze wordt wel verwezen naar de Leidraad Aanstellingskeuringen, maar dat is niet voldoende.

De WMK is een wet en gaat als wet boven CAO-bepalingen. Dit laatste dient dan ook expliciet tot uiting te komen in de werkwijze en het stroomschema. In het betreffende blokje zou ook toegevoegd moeten worden dat een beoordeling plaatsvindt naar de inhoud van de bijzondere functie-eisen.

3.9 Het eerste beslismoment in het stroomschema bestaat uit de vraag of een aanstellingskeuring kan worden uitgevoerd (‘Aanstellingskeuring ok?’). De Commissie geeft aan dat hiervoor nog een tussenstap zou moeten worden gemaakt. Om in overeenstemming met de WMK te handelen, moet de bedrijfsarts namelijk eerst de inhoud van de aanstellingskeuring vaststellen. Punt 3 van de werkwijze noemt deze actie van de bedrijfsarts wel, maar het zou nog explicieter kunnen en ook in het stroomschema moeten worden opgenomen.

3.10 In het stroomschema wordt de term ‘second opinion’ genoemd. Deze term wordt in de WMK niet gebruikt; de WMK spreekt over ‘herkeuring’. Het stroomschema zou daarom ook de term ‘herkeuring’ moeten gebruiken. Tevens raadt de Commissie aan om hier een verwijzing naar de klachtbehandeling van de CKA op te nemen.

3.11 Het tweede en laatste beslismoment in het stroomschema behelst de vraag of de conclusie aan de aanvrager gerapporteerd moet worden (‘Conclusie aan aanvrager rapporteren?’). Het gaat dus om het mededelen van de keuringsuitslag door de keuringsarts aan de werkgever. De Commissie geeft aan dat op grond van de WMK de keuringsarts eerst met de keurling moet kortsluiten of hij of zij hiermee akkoord is. De keurling kan toestemming weigeren en zich alsnog uit de procedure terugtrekken. Dit deel ontbreekt nog in het schema.

3.12 Tot slot van de bespreking geven de vertegenwoordigers van de arbodienst aan tevreden te zijn met het commentaar van de Commissie en de opmerkingen te zullen verwerken, zowel in de vragenlijst als in het stroomschema. De Commissie geeft aan dat de uitkomsten van dit gesprek gecommuniceerd moeten worden met de opdrachtgever omdat deze als werkgever eveneens gehouden is de WMK na te leven. Daarop is toegezegd dat de arbodienst contact zal opnemen met de opdrachtgever nadat de aanpassingen zijn gedaan. Ook zal IVW en het panel van arts-deskundigen geïnformeerd worden over de uitkomsten van de bespreking, omdat er meer arbodiensten zijn die tegen de besproken problematiek aanlopen.

4. Aanbevelingen

4.1 De Commissie stelt voorop dat de WMK en de daarop gebaseerde regelgeving in beginsel van toepassing is op iedere aanstellingskeuring zoals in de WMK omschreven. Arbodienst en keurend artsen zijn gehouden deze wet- en regelgeving na te leven.

Keurings- en geschiktheidseisen
4.2 Een aanstellingskeuring mag alleen plaatsvinden indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld (artikel 4 lid 1 van de WMK in samenhang met artikel 3 lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen). Een aanstellingskeuring mag daarom alleen worden verricht in die situaties waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat. Uit de WMK vloeien diverse regels voort die in acht moeten worden genomen bij het verrichten van de aanstellingskeuring en voor de uitvoering daarvan. Zo moeten ter preventie van gezondheids- en veiligheidsrisico’s bijzondere functie-eisen zijn geformuleerd waarop de selectie zich kan richten.

Ook moeten per bijzondere functie-eis (medische) toetsingscriteria zijn ontwikkeld en moeten de gebruikte onderzoeksmethoden valide zijn, wat onder andere wil zeggen voldoende specifiek om het gedefinieerde risico ook daadwerkelijk op te sporen. De Commissie verwijst hierbij naar de door haar gepubliceerde toetsingscriteria die aan de WMK zijn ontleend.

4.3 Ook als er sprake is van sectorspecifieke regelgeving met betrekking tot de keurings- en geschiktheidseisen behoudt de arbodienst en iedere individuele keurend arts een eigen verantwoordelijkheid inzake de naleving van de WMK. Dat betekent dat de bijzondere functie-eisen die voortvloeien uit de sectorspecifieke regelgeving getoetst moeten worden aan de eisen die de WMK hieraan stelt. Ook voor het overige dienen de arbodienst en de keurend arts te onderzoeken of eventuele sectorspecifieke keuringseisen aan de WMK voldoen en tevens of de WMK mogelijk aanvullende keuringseisen stelt.
Medische vragenlijst

4.4 Uit het vereiste dat de gebruikte onderzoeksmethoden valide moeten zijn, hetgeen onder andere wil zeggen dat deze voldoende specifiek moeten zijn om het gedefinieerde risico daadwerkelijk op te kunnen sporen, vloeit voort dat algemene vragen naar de gezondheid niet zijn toegestaan. Arbodienst en keurend arts mogen alleen die vragen stellen die relevant zijn voor het beoordelen van de medische geschiktheid in relatie tot de bijzondere functie-eisen.

4.5 Daarnaast brengt artikel 3 van de WMK mee dat vragen (en tevens medische onderzoeken) die een onevenredige inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de keurling niet zijn toegestaan.

Uitvoering van de aanstellingskeuringen
4.6 Bij de uitvoering van de aanstellingskeuring dienen arbodienst en keurend arts de eisen van ondermeer artikel 8, lid 2, van de WMK expliciet te betrekken. De Commissie wijst in dit verband tevens op de samenhang met de bepalingen inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst die zijn vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7 , afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring. De eisen betreffen ondermeer de informatievoorziening aan de keurling voorafgaand aan de aanstellingskeuring, het vooraf vaststellen van de inhoud van de keuring, de wijze van informeren van de werkgever over de keuringsuitslag door de keurend arts, het wijzen op de mogelijkheid van herkeuring en op de klachtbehandeling aanstellingskeuringen bij de Commissie.

Den Haag, 14 juni 2010