Advies 2002-03

Aan de Commissie wordt gevraagd of het wettelijk is toegestaan dat een werkgever in het kader van een aanstellingsprocedure een test op nikkelallergie verlangt.

De Commissie verstaat het verzoek als een algemene vraag en kan dus alleen algemene richtlijnen aangeven.

Artikel 3 van het Besluit van 23 november 2001 tot regeling van de aanstellingskeuringen (zie bijlage) stelt een aantal voorwaarden, waaraan moet worden voldaan alvorens een keuring kan worden verricht.

Deze zijn:

  • er moet sprake zijn van een arbeidsverhouding of een aanstelling in openbare dienst; 
  • aan de daarbij behorende taken worden bijzondere eisen gesteld op het punt van medische geschiktheid; 
  • daaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; 
  • de risico’s voor de gezondheid en veiligheid kunnen niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening worden gereduceerd.

In uw geval is in het kader van de verplichte adviesaanvraag door de werkgever de laatst genoemde voorwaarde de belangrijkste vraag die door u beantwoord moet worden, alvorens kan worden ingegaan op de legitimiteit van de keuring.
U schrijft in dit verband dat volgens de gegevens van de werkgever deze laatste alle mogelijke preventieve maatregelen heeft getroffen.
U zult aan de hand van schriftelijke bewijzen ervan overtuigd moeten zijn dat de werkgever er alles aan heeft gedaan om met gangbare maatregelen overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening het contact van werknemers met nikkel te voorkomen.

Indien u deze vraag bevestigend kunt beantwoorden, moet bekeken worden hoe groot het risico is dat toekomstige werknemers inderdaad klachten oplopen, onder meer door na te gaan op welke wijze de werknemers nog in contact met nikkel kunnen komen en om welke hoeveelheden nikkel het dan gaat (frequentie, duur en intensiteit van de belasting).

Vervolgens is het noodzakelijk dat de functie-eisen, waar het bij deze werkgever om gaat, in bijzondere gezondheidscriteria kunnen worden vertaald. Bovendien is het noodzakelijk dat er een valide medische onderzoeksmethode beschikbaar is, waarmee kan worden nagegaan of een sollicitant aan die gezondheidscriteria voldoet.

Over dit laatste had u al contact met dr. (……….) van het Nederland Centrum voor Beroepsziekten. Deze uitte, volgens u, zijn twijfel daarover. Hierover zouden naar de mening van de Commissie eerst wat meer gegevens beschikbaar moeten komen. Immers, voor wat betreft het medisch onderzoek mogen volgens artikel 3 lid 1 van de Wet op de medische keuringen bij een keurling geen vragen worden gesteld en geen medische onderzoeken worden verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de keurling.

Deze inbreuk doet zich in ieder geval voor bij een onderzoek waarvan het te verwachten belang voor de keuringvrager (werkgever) niet opweegt tegen de risico’s daarvan voor de keurling en bij een onderzoek dat anderszins voor de keurling een onevenredige zware belasting met zich brengt. Daarnaast moet in het onderhavige geval worden overwogen of het risico dat de keurling loopt door niet te worden gekeurd opweegt tegen het risico van de keuring zelf.

Voor de beoordeling van de validiteit van onderzoeksmethoden in het kader van aanstellingskeuringen verwijst de Commissie u naar een artikel van W.L.A.M. de Kort en F.J.H. van Dijk, Preventive effectiveness of pre-employment medical assessments. Occupational and Environmental Medicine 1997;54:1-6.