Advies 2010-20

Vraag:

Aan de CKA wordt gevraagd om zich uit te laten over de mogelijke strijd van het bedrijfsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 6.1.4 van de CAO van de Universitaire Medische Centra 2007 met de Wet op de medische keuringen (WMK).

Toelichting hierbij:
De bovengenoemde CAO-bepaling biedt aan niet-leidinggevende medewerkers van 55 jaar en ouder met ten minste tien dienstjaren en werkzaam in de directe zorg de mogelijkheid een verzoek in te dienen voor werktijdvermindering voor 20% met behoud van bezoldiging. De medewerker die gebruik maakt van deze mogelijkheid verplicht zich om door te werken tot zijn 62ste verjaardag en op dat moment gebruik te maken van de FPU-regeling. In individuele gevallen kan de werkgever de beëindiging van het dienstverband bij het bereiken van deze leeftijdsgrens voor de duur van ten hoogste een jaar opschorten indien hij dit in het belang van de dienst acht, de medewerker hierom heeft verzocht en betrokkene ‘blijkens de uitslag van een onderzoek door de bedrijfsgezondheidsdienst lichamelijk en psychisch in staat wordt geacht zijn functie uit te oefenen’. Onder de genoemde voorwaarden kan de werkgever de opschortingstermijn telkens opnieuw met ten hoogste een jaar verlengen tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. De medewerker die blijkens het bedrijfsgezondheidskundig onderzoek tijdens de opschortingstermijn ongeschikt is geworden voor verdere uitoefening van zijn functie, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de uitslag van het onderzoek te zijner kennis is gebracht.

Antwoord:
Artikel 1, aanhef, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring in de zin van de wet wordt verstaan het schriftelijk of mondeling stellen van:
‘vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: 1e een burgerrechtelijke arbeidsverhouding (…)’

Op het eerste gezicht lijkt een bedrijfsgezondheidskundig onderzoek als bedoeld in artikel 6.1.4 van de CAO niet onder deze bepaling te vallen. Het onderzoek dient immers om te beoordelen of de arbeidsovereenkomst op het overeengekomen tijdstip dient te eindigen. Toch is volgens de CKA sprake van een aanstellingskeuring.

Indien een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt voortgezet, beschouwt de CKA dit als het (opnieuw) aangaan van een arbeidsverhouding. Wordt de voortzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd afhankelijk gesteld van de uitslag van een medisch onderzoek, dan is derhalve sprake van een keuring als bedoeld in artikel 1 van de WMK.
Een opschorting van de beëindigingsdatum, die afhankelijk is gesteld van de uitslag van een bedrijfsgezondheidskundig onderzoek, zoals voorzien in genoemde CAO-bepaling, moet materieel op één lijn worden gesteld met de keuring die plaatsvindt om te beoordelen of een bepaalde tijdcontract moet worden voortgezet en dus eveneens als aanstellingskeuring in de zin van de WMK worden aangemerkt.

Dit betekent dat het onderzoek als bedoeld in art. 6.1.4 van de CAO van de Universitaire Medische Centra 2007 naar het oordeel van de CKA slechts is toegestaan wanneer aan de voorwaarden van de WMK is voldaan. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de WMK is een aanstellingskeuring slechts geoorloofd indien aan de vervulling van de functie, waarop de arbeidsverhouding betrekking heeft, bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld. Uit de adviesaanvraag blijkt dat dergelijke eisen niet gelden voor de functies waarbij het onderzoek wordt toegepast. Het onderzoek is derhalve in strijd met de WMK.

Verder merkt de CKA op dat ook wanneer men het onderzoek niet aanmerkt als aanstellingskeuring, de Leidraad verplichte keuringen tijdens dienstverband eveneens eist dat sprake is van bijzondere functie-eisen.

De CKA heeft aangegeven voornemens te zijn om ook de CAO-partijen te informeren over de in dit advies geconstateerde strijdigheid met de WMK. Dit zal uiteraard geanonimiseerd gebeuren zodat
het adviesverzoek niet te herleiden is tot de persoon die om advies heeft gevraagd en/of tot de organisatie waarbij deze werkzaam is.