Advies 2011-02

Adviesvrager werkt als bedrijfsarts in opleiding binnen de afdeling Veiligheid, Gezondheid en Milieu van een ziekenhuis.

Vraag:

De bedrijfsarts vraagt de CKA naar het tijdstip waarop de aanstellingskeuring voor leerling-verpleegkundigen kan plaats vinden. Er zijn 3 opties en hij zou van elke optie van de CKA willen weten welke de juiste is:

  1. keuren aan het einde van de zakgeldperiode en vlak voor de start van het werken als leerling-verpleegkundige; 
  2. keuren vlak voor de zakgeldperiode (2 maanden i.v.m. praktische zaken); 
  3. keuren ruim 6 maanden voor de zakgeldperiode, zodat de studenten gelijk weten waar ze aan toe zijn.

Binnen het ziekenhuis doorlopen leerlingen een vierjarige MBO-V opleiding tot verpleegkundige. Het eerste half jaar van deze opleiding doen de leerlingen met name theoretische kennis op. Ook gaan zij op een gegeven moment stage lopen in het ziekenhuis: 2 dagen in de 2 weken. Zij assisteren dan bij de voor verpleegkundigen normale werkzaamheden, nog geheel zonder zelfstandige bevoegdheden. Er gelden geen bijzondere functie-eisen voor dit gedeelte van de opleiding. Deze periode van de opleiding wordt de ´zakgeldperiode´ genoemd, omdat de leerlingen een beperkte vergoeding krijgen. Voor deze opleiding wordt door de deelnemers een leerovereenkomst getekend met het ziekenhuis.

Na het met goed gevolg afronden van de zakgeldperiode gaat men als leerling-verpleegkundige in het ziekenhuis voor enkele jaren de klinische fase van de opleiding in. Er zijn twee voorwaarden verbonden aan het mogen starten met de klinische fase. Ten eerste moeten leerling-verpleegkundigen over het eerste half jaar alles voldoende hebben afgerond en ook moeten ze zijn ‘goedgekeurd’ door de BGD. De leerling-verpleegkundige krijgt dan een arbeidsovereenkomst (leer-werkovereenkomst) met het ziekenhuis. Na afronding van de opleiding (na 4 jaar) hebben de leerlingen een baangarantie. Ook ten tijde van bezuinigingen.

Voor de functie van leerling-verpleegkundige heeft de arbodienst van het ziekenhuis een aantal bijzondere functie-eisen vastgesteld; onder andere het meer dan 6 uur per dag lopen en verhoogde waakzaamheid en oordeelsvermogen. Hierop is de inhoud van de aanstellingskeuring afgestemd.

Tot nu toe wordt een aanstellingskeuring verricht op het moment dat de leerling-verpleegkundige van de vooropleiding naar de werkelijke opleiding gaat.

Antwoord:

Alvorens op de drie opties voor het tijdstip van keuren in te gaan zijn er een aantal algemene opmerkingen:

Een aanstellingskeuring is alleen toegestaan indien aan de strikte voorwaarden van de Wet op de medische keuringen (Wmk) is voldaan. In dit geval is in het bijzonder van belang:

  1. dat het gaat om een burgerrechtelijke arbeidsverhouding (art 1 Wmk jo art. 4 sub g Ziektewet) en 
  2. dat er bijzondere functie-eisen zijn vastgesteld (art. 4 lid 1 Wmk) en 
  3. dat de werkgever voornemens is de ‘zakgelder’ een leerwerkovereenkmst aan te bieden bij voldoende resultaat voor die periode (art 4 lid 2 Wmk) en 
  4. dat de keuring plaatsvindt voor aanvang van de klinische fase (art 4 lid 2 Wmk).

Uit de gegevens blijkt dat de leerling-verpleegkundige in zijn 4-jarige MBO-V opleiding een doorlopende rechtsverhouding aangaat met het ziekenhuis, waarbij het accent in de eerste zes maanden (de zakgeldperiode) anders ligt dan in de laatste 3,5 jaar (de klinische fase). Voor de zakgeldperiode sluit de leerling een leerovereenkomst met de werkgever, waarvoor de leerling een beperkte vergoeding ontvangt. De leerling-verpleegkundige verricht tijdens de zakgeldperiode niet de normale werkzaamheden die wel tijdens de klinische fase van de opleiding tot verpleegkundige
worden verricht. Voor de zakgeldperiode zijn geen functie-eisen vastgesteld, en derhalve ook geen bijzondere functie-eisen, die een aanstellingskeuring rechtvaardigen.

Voorafgaand aan de klinische fase sluit de leerling-verpleegkundige een leerwerkovereenkomst (dit is een wijziging in de burgerechtelijke arbeidsverhouding) met de werkgever. Voor de functie leerling-verpleegkundige zijn bijzondere functie-eisen vastgesteld die een aanstellingskeuring rechtvaardigen vóór aanvang van deze fase van de opleiding.

Ten aanzien van de drie opties:

  1. keuren aan het einde van de zakgeldperiode en vlak voor de start van het werken als leerling-verpleegkundige; Een aanstellingskeuring mag pas worden uitgevoerd wanneer de selectieprocedure is afgerond en de keuringvrager voornemens is de keurling aan te stellen. De werkgever (het ziekenhuis) is voornemens de ‘zakgelder’ een leer-werkovereenkomst aan te bieden als leerling-verpleegkundige. Deze situatie is analoog aan een wijziging van functie binnen een bestaand dienstverband. Het is derhalve toegestaan om de aanstellingskeuring te verrichten aan het einde van de zakgeldperiode en vlak voor de start van de klinische fase. Aangezien de zakgeldperiode op essentiële punten afwijkt van de klinische fase van de opleiding, met name wat betreft taken en werkzaamheden waarvoor bijzondere functie-eisen gelden, kan niet gesteld worden dat de keuring vóór de zakgeldperiode verricht had moeten worden. 
  2. keuren vlak voor de zakgeldperiode (2 maanden i.v.m. praktische zaken); Er is geen wettelijk beletsel tegen keuren in een vroeg stadium, zolang aan de voorwaarde dat de werkgever voornemens is de keurling aan te stellen wordt voldaan. De leerling wordt echter gekeurd voor de functie die/hij zij pas in de klinische fase gaat verrichten. Wat betreft de tijdspanne tussen moment van keuren en de feitelijke start met de beoogde functie overweegt de CKA als volgt:

    a. een keuring betekent een inbreuk op grondrechten zoals de persoonlijke levenssfeer en het recht op bescherming van de lichamelijke integriteit van de keurling. Hiermee dient zeer zorgvuldig te worden omgegaan; onnodig keuren dient te worden vermeden. De kans dat een keuring op deze lange termijn achteraf niet nodig of de uitslag achterhaald blijkt te zijn wordt groter naarmate het tijdsbestek tussen keuring en feitelijke start van de klinische fase langer is.

    b. De keuring dient in feite pas aan het eind van de selectieperiode plaats te vinden. De zakgeldperiode is nog te beschouwen als een selectieperiode nu aan bepaalde eisen moet zijn voldaan alvorens de klinische fase kan starten.

    c. De maximale bewaartermijn voor gegevens van de aanstellingskeuring bedraagt 6 maanden. Keuren circa 2 maanden voor de zakgeldperiode is gezien de duur van de zakgeldperiode van 6 maanden zodanig lang dat de keuringsgegevens niet mogen worden bewaard tot het begin van de klinische fase.

    Een juridisch gezien beter alternatief is keuren tijdens (bijvoorbeeld in de 2e helft van) de zakgeldperiode. Dan is ook met een grote mate van zekerheid duidelijk of betrokkene de vervolgopleiding zal starten.
  3. keuren ruim (6 maanden) voor de zakgeldperiode, zodat de studenten gelijk weten waar ze aan toe zijn; De redenering onder optie 2 geldt eens temeer voor de situatie dat 6 maanden voor de zakgeldperiode wordt gekeurd. Een keuring op zo lange termijn voor de start is volgens de CKA niet toegestaan.

Conclusie moet zijn dat juridisch het meest correcte het beleid is zoals dat nu plaatsvindt: keuren op vrij korte termijn voorafgaand aan de totstandkoming van de daadwerkelijke leer-werkovereenkomst.