Oordeel 2002-01

Sollicitant bij de Nederlandse Spoorwegen (NS) krijgt baan niet, omdat hij Implanteerbare Cardioverter Defibrilator-drager ( ICD-drager) is. Voorgesteld onderzoek bij herkeuring betekent onevenredig zware belasting sollicitant.

Klager werkt via uitzendbureau bij NS en solliciteert naar functie hoofdconducteur. Vooraf aan medisch onderzoek wint klager informatie in. Keurend arts acht klager ongeschikt voor functie, omdat klager ICD-drager is. Klagers behandelend cardioloog vindt gebruikte keuringsnormen verouderd. In het kader van een second opinon stelt herkeurend cardioloog een elektrofysiologisch onderzoek voor. Klager weigert onderzoek, omdat klager onderzoek te belastend vindt. Herkeurend cardioloog acht klager niet geschikt voor functie.
Klager stelt, dat hij voorafgaand aan keuring, niet wist, dat hij als ICD-drager ongeschikt voor functie was. Behandelend cardioloog en anderen menen, dat klager functie kan uitoefenen, ook, omdat klager al ruim 5 jaar klachten vrij is. Het door herkeurend cardioloog voorgetelde onderzoek is te belastend.
NS stelt, dat discussie over veroudering keuringsnormen niet ter zake doet, omdat NS gebonden is aan overheidsregels. Arbo-dienst stelt, dat het dragen van een ICD niet is opgenomen in keuringsnorm. Gebruikt zijn, recentere normen uit vergelijkbare sectoren. Volgens die normen is klager als ICD-drager ongeschikt. Een elektrofysiologisch onderzoek vormt een zware belasting, maar is geen verplicht onderdeel standaard aanstellingskeuring en valt evenals de uitvoerend specialist niet onder de WMK.
De Commissie overweegt, dat keuringvrager en keurend arts eigen gescheiden verantwoordelijkheden dragen. Uit aan klager verstrekte informatie kon klager niet concluderen, dat hij als ICD-drager ongeschikt was voor functie. NS als toekomstig werkgever, had klager de juiste toedracht omtrent regelgeving moet geven. De WMK beoogt dat keurling geïnformeerd wordt over verhouding tussen belasting en belastbaarheid functie wat door de werkgever schriftelijk moet zijn vastgelegd. Volgens de Commissie was er geen duidelijke normstelling wat betreft bijzondere eisen medische geschiktheid functie die aan herkeurend cardioloog ter beschikking kon worden gesteld. Te grote veroudering van keuringseisen kan leiden tot willekeur. De WMK is van toepassing op herkeuring en herkeurend arts. Een onderzoek, dat voor keurling een onevenredig zware belasting met zich meebrengt, mag geen deel uitmaken van een medische keuring. Het is de vraag of een elektrofysiologisch onderzoek een valide medische onderzoeksmethode is, nu gebleken is, dat met een echografisch onderzoek kon worden volstaan. Arbo-dienst blijft verantwoordelijk voor uiteindelijke keuringsuitslag en advisering aan werkgever.


Oordeel 2002-01

Utrecht, juni 2002

1. De klacht

1.1 Op 13 februari 2002 verzoekt klager de Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen haar oordeel uit te spreken over zijn klacht inhoudende dat hij wordt afgekeurd vanwege het feit dat hij ICD (implanteerbare cardioverter defibrilator) drager is, terwijl hij voorafgaand aan de aanstellingskeuring niet op de hoogte was van het feit dat het dragen van een ICD hem ongeschikt zou maken voor de functie en dat aan hem in het kader van de herkeuring een onderzoek is voorgesteld dat een onevenredig zware belasting met zich brengt.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en daarbij bijlagen gevoegd.

2.2 De Commissie heeft partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten tijdens de zitting op 13 mei 2002, waarbij van weerskanten bescheiden zijn overgelegd. Op verzoek van de Commissie is na de zitting nog aanvullende schriftelijke informatie overgelegd.

3 De resultaten van het onderzoek

De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen is gesteld en niet is weersproken staat het volgende - voor zover voor deze procedure van belang - vast.

3.1 Klager werkt sinds 1998 met een onderbreking van ongeveer anderhalf jaar via uitzendbureau’s als combifunctionaris bij de Nederlandse Spoorwegen, belast met ingangscontroles bij en op de perrons.

3.2 In januari 2001 solliciteert klager bij verweerder 1 naar de functie van hoofdconducteur.

3.3 Klager doet in zijn functie van combifunctionaris, voorafgaand aan die sollicitatie, via zijn procesmanager navraag of het dragen van een “soort pacemaker” een bezwaar is bij het vervullen van de betreffende functie. De procesmanager informeert zich daarover bij de deskundig bedrijfsarts, Klager hoort daarop van zijn procesmanager dat dit op zich genomen geen bezwaar hoeft te zijn voor de vervulling van de functie.

3.4 Bij de sollicitatieprocedure bij verweerder 1 slaagt klager voor alle voorgeschreven testen.

3.5 Bij de daarop volgende keuring bij verweerder 2 blijkt dat klager een ICD draagt.

3.6 De keurend arts van verweerder 2 raadpleegt daarover de deskundig bedrijfsarts. De daarop volgende conclusie van de keurend arts is dat hij klager ongeschikt acht voor de betreffende functie. Dit wordt aan klager mondeling meegedeeld. 

3.7 Klager neemt daarna direct contact op met deskundig bedrijfsarts. Ook neemt klager contact op met zijn behandelend cardioloog bij het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC), en de Stichting ICD-dragers Nederland en de Nederlandse Hartstichting.

3.8 In een brief van 11 juli 2001 schrijft de behandelend cardioloog – voor zover van belang -: “Recentelijk ben ik geconfronteerd met de P-Norm 003, Medische en Psychologische eisen voor de chef van de trein. Dit in verband met de dreigende afkeuring van mijn patiënt (...) voor het beroep van hoofdconducteur. Zijn medische voorgeschiedenis heb ik verwoord in mijn schrijven d.d. 10 mei 2001 aan de heer Y, bedrijfsarts AMG. Voor dit schrijven is van belang, dat hij in het verleden ventriculaire tachycardieën heeft gehad en momenteel ICDdrager is. De heer Y beroept zich in eerste instantie op de P-Norm 003 en in tweede instantie op de concept richtlijnen Europese Spoorweg Gemeenschap (ICD-dragers). Met betrekking tot de P-norm 003 zou ik het volgende willen opmerken. Er worden drie criteria genoemd die leiden tot het oordeel “niet geschikt”. Zoals zij zijn geformuleerd, lijken zij te zijn opgesteld door iemand die absoluut niet terzake kundig is en in ieder geval niet op de hoogte is van de huidige behandelingsmogelijkheden en vormen van risicostratificatie (beide ook al in 1996 van kracht). Het eerste criterium is een ECHO-grafisch vastgestelde hypertrofische cardiomyopathie. Voor beide vormen is adequate risicostratificatie met betrekking tot het optreden van plotselinge levensbedreigende ritmestoornissen mogelijk en er is dus geen enkele reden om alle patiënten voor dit beroep uit te sluiten. Het tweede punt is derdegraads AV-block. In de regel worden de bijbehorende klachten bestreden c.q. tegengegaan. Een patiënt met een pacemaker vanwege een derdegraads AVblock heeft dan ook geen enkel risico op een wegraking en dient ook niet voor dit beroep afgekeurd te worden. Het derde punt, ventrikeltachycardie, is ook ongenuanceerd. Een aantal (zeldzame) vormen van ventrikeltachycardie kan curatief worden behandeld. Andere worden effectief met medicatie bestreden en in voorkomende gevallen, zoals bij mijn patiënt, wordt een inwendige defibrilator geïmplanteerd. Niet zelden wordt dan de ritmestoornis door het apparaat beëindigd zonder dat de patiënt er iets van gemerkt heeft. Aanhoudende ventrikeltachycardieën die leiden tot hemodynamische instabiliteit of ventrikelfibrileren zijn uiteraard wel een reden iemand voor deze functie af te keuren, maar merkwaardigerwijs staat dat laatste b.v. helemaal niet genoemd.”

3.9 Er wordt in een overleg tussen klager en verweerders besloten tot het vragen van een second opinion. Het voorstel van verweerders is om dat onderzoek te laten doen door het Aero Medisch Instituut te Soesterberg. Omdat klager het daarmee niet eens is, wordt in overleg met klager het onderzoek uitgevoerd door een onafhankelijk cardioloog bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).

3.10 In het kader van dat onderzoek wordt door deze cardioloog aan klager een elektrofysiologisch onderzoek (EFO) voorgesteld voor het verkrijgen van een risico inschatting.

3.11 Klager weigert dit onderzoek, omdat hij dat te belastend vindt.

3.12 Het advies van de onafhankelijk cardioloog (overgelegd door klager) luidt – voor zover van belang -: “Voorzover het mij duidelijk is, functioneert de hoofdconducteur als chef van de trein en heeft dan ook een zeer verantwoordelijke positie. In feite lijkt het daarom dan ook ongewenst dat patiënten met een defibrilator deze positie vervullen. Hierin ga ik mee met de redenatie van de AMG waarin wordt gesteld dat in feite dezelfde eisen kunnen worden gesteld als aan beroepschauffeurs. Gezien echter het feit dat patiënt de afgelopen vijf jaar geen ritmestoornissen heeft gehad lijkt de kans van ingrijpen inderdaad erg klein. Zoals met patiënt en u is besproken kan enige risico inschatting worden verkregen door middel van het  verrichten van een elektrofysiologisch onderzoek. .....Ik begreep dat de AMG, indien het elektrofysiologisch onderzoek onderzoek positief uitvalt, een overweging had willen voorstellen. Dit is met patiënt besproken. Echter patiënt ziet vanwege vroegere ervaringen af van het ondergaan van dit onderzoek. Aangezien er dan geen goede risico inschatting mogelijk is, lijkt het mij dan ook dat patiënt niet geschikt is om als hoofdconducteur te functioneren.”

3.13 Uiteindelijk wordt het klager duidelijk dat hij niet in aanmerking kan komen voor de functie. Wegens communicatieproblemen vindt geen gesprek met klager plaats. Ook is niet schriftelijk gecommuniceerd.

3.14 Ter zitting legt klager een verklaring over van de cardioloog (…..), werkzaam bij het AMC te Amsterdam, die door klager op eigen initiatief is geraadpleegd. Deze verklaring luidt – voor zover van belang -: “ Ondergetekende, die jarenlang (klager) heeft gecontroleerd, verklaart op verzoek het volgende: Op 22 april 2002 vond in het AMC een echodoppler onderzoek plaats waaruit bleek dat de rechter ventrikel was gedilateerd, maar een goede functie had. De systolische druk in de rechter ventrikel was normaal (27 mmHg). De linker ventrikel toonde geen bijzonderheden. Ten opzichte van 1990 blijkt dat de rechter ventrikelfunctie is verbeterd. Een mogelijke verklaring hiervoor is het afgenomen aantal ventriculaire tachycardieën na implantatie van de ICD in oktober 1996.”

4. Standpunt van klager

Informatie

Voorafgaand aan de keuring was hij niet op de hoogte van het feit dat hij vanwege zijn cardiale status ongeschikt zou zijn voor de functie van hoofdconducteur. Integendeel, hij was op grond van de verkregen informatie via zijn procesmanager ervan overtuigd dat dit geen probleem hoefde te zijn.

Uitslag van de keuring

De Stichting ICD-dragers Nederland en de Nederlandse Hartstichting zijn, naast zijn behandelend cardioloog, ook van mening dat hij de functie van hoofdconducteur kan uitoefenen, ook al omdat hij al vijf en half jaar klachtenvrij is.

Belasting van de keuring

Het door de herkeurend cardioloog in overleg met verweerder 2 aan hem voorgestelde elektrofysiologisch onderzoek is een in verhouding te zware belasting. Een echocardiografisch onderzoek zou voldoende moeten zijn, mede gelet op de verklaring van (cardioloog AMC).

5. Standpunt van verweerders

5.1 Ontvankelijkheid van de klacht

Verweerder 1 en verweerder 2
Uit de brief van klager van 13 februari 2002 valt niet anders af te leiden dan dat hij het niet eens is met de materiële uitkomst van de medische keuring. In de klacht valt niet te lezen dat klager van mening is dat een medische keuring voor de functie van hoofdconducteur niet noodzakelijk zou zijn, of dat de keuring niet met voldoende waarborgen omkleed zou zijn. Verweerders concluderen daarom primair dat de klacht niet ontvankelijk is. 

5.2 Informatie

Verweerder 1
Voorafgaand aan de sollicitatie heeft klager gevraagd of het dragen van een soort pacemaker een bezwaar vormt voor de functie van hoofdconducteur. Op grond van die informatie is de procesmanager op het verkeerde been gezet. In de advertentie voor de functie van hoofdconducteur staat vermeld dat er een medische keuring zal plaats vinden. Deze keuring vindt plaats op basis van de P-norm 003. Een discussie over de vraag of de regelgeving en/of normen ten aanzien van die keuring nog wel in overeenstemming zijn met de huidige stand van de medische wetenschap doet niet ter zake, nu men zich als spoorwegbedrijf heeft te houden aan de regels die ter zake van overheidswege (Railned) zijn gesteld. Deze regels zijn bindend voor alle bedrijven in het railverkeerssysteem. In artikel 3 van de Pnorm 003 wordt bepaald dat personen met ventrikeltachycardie ongeschikt zijn voor de functie. Het mogelijk zijn van onoplettendheid en/of concentratieverlies (de Commissie interpreteert dit in relatie tot wegrakingen gedurende een aanval van tachycardie) kan immers tot ernstige gevolgen leiden voor de veiligheid van de reizigers. Bovendien dient een hoofdconducteur naast het uitoefenen van de reguliere activiteiten ook op te treden bij calamiteiten. De hoofdconducteur zal zich daarbij binnen de sporen moeten bewegen, waarvoor strikte veiligheidsvoorschriften in acht moeten worden genomen.

Verweerder 2
De adviserend bedrijfsarts, verklaart ter zitting dat hij op het verkeerde been is gezet omdat informatie werd gevraagd over het dragen van een pace-maker. Voorts verklaart dat hij klager niet kende tot op de dag van de keuring toen aan hem advies werd gevraagd door de keuringsarts in verband met het dragen van een ICD. Het dragen van een ICD om de risico’s van ventrikeltachycardie te beperken is nog niet opgenomen in de P-norm 003 van 1996. Binnen de organisatie is de instructie om bij alles wat afwijkt van of niet te vinden is in de P-norm te rade te gaan bij een ter zake deskundig collega. Wat betreft de eisen genoemd in de P-norm is het bij hen gebruikelijk om, bij geconstateerde veroudering van de norm, bij veiligheidsrisico inschatting te kijken naar andere meer recente normen in vergelijkbare sectoren, zoals de Regeling eisen geschiktheid 2000, Besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Interoperability Rules for Community of European Railways, Recommendations for medical fitness of interoperating train drivers and other train crew: minimum interoperability medical fitness standards. De normen genoemd in de laatstgenoemde aanbeveling betreffen zuiver veiligheidseisen. De functie van hoofdconducteur valt onder groep A van die normen. Artikel 6 bepaalt dat personen met ventrikeltachycardie of een ICD ongeschikt zijn voor het verrichten van veiligheidstaken. Volgens de Regeling eisen geschiktheid 2000 zijn personen die vallen onder groep 2 (bestuurders vrachtwagens, bussen), met een ICD in alle gevallen ongeschikt. Voor de functie van hoofdconducteur geldt volgens verweerder 2 groep 2.

5.3 Belasting van de (her)keuring

Verweerder 1
De second opinion is verricht volgens de regels met betrekking tot de herkeuring van de Wet op de medische keuringen. De kosten daarvan zijn volledig betaald.

Verweerder 2
In uitzonderingssituaties is ontheffing mogelijk van de keuringsnormen en daarom is akkoord gegaan met het vragen van een second opinion. Volgens letterlijke interpretatie zou klager op basis van de P-norm ongeschikt zijn, maar als je iemand voor je hebt die zo graag hoofdconducteur wil worden ga je zoeken naar wegen en ben je bereid je eigen normen ter discussie te stellen. De zware belasting van het voorgestelde elektrofysiologisch onderzoek (EFO) wordt erkend, maar dit onderzoek maakt geen deel uit van de standaard aanstellingskeuring. Verwezen wordt naar de brief van de herkeurend specialist. Het EFO was een extra mogelijkheid die aan verzoeker werd geboden, aangezien hij een uitgesproken wens had om hoofdconducteur te willen worden en daar op grond van de geldende normen niet voor in aanmerking kwam. Er is hier geen sprake van strijd met artikel 3 WMK, omdat het louter ging om de mogelijkheid van een aanvullend onderzoek, niet zijnde een verplicht onderdeel van de standaard aanstellingskeuring. Wat betreft de vraag naar de meerwaarde van het EFO stelt verweerder 2 dat er in het kader van de second opinion advies is gevraagd aan een onafhankelijk cardioloog en dat die het kennelijk noodzakelijk vond om een EFO te doen. Wanneer een specialist een dergelijk onderzoek doet, valt hij niet onder de WMK, maar onder de wet en regelgeving van specialistisch handelen inzake de beroepsuitoefening.

6 Overwegingen

Ontvankelijkheid van de klacht

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de ontvankelijkheid van de klacht van klager. Verweerders betwisten de ontvankelijkheid, waartoe zij hebben aangevoerd dat uit de brief van klager niet anders valt te lezen dan dat hij het niet eens is met de materiële uitkomst van de keuring. Volgens verweerders blijkt niet dat klager van mening is dat een keuring voor de functie van hoofdconducteur niet noodzakelijk zou zijn of dat de keuring niet met voldoende waarborgen omkleed zou zijn.

6.2 De Commissie begrijpt de klacht van klager echter aldus dat klager zich (mede) beklaagt over de informatie voorafgaand aan de keuring, de belasting van het voorgestelde onderzoek en de gang van zaken met betrekking tot de herkeuring.

6.3 Onweersproken is dat het in het geding zijnde medisch onderzoek een keuring is in de zin van artikel 1 van de Wet op de medische keuringen (hierna te noemen: WMK). Op de gang van zaken rond een dergelijke keuring zijn, wat betreft de aanstellingskeuring, de artikelen 2 tot en met 4 lid 2 (de rechtmatigheid van de keuring), artikel 8 (de informatievoorziening voorafgaand aan de keuring), en artikel 10 tot en met 12 (de keuringsprocedure zelf) van die wet van toepassing.

6.4 Nu de klacht mede betrekking heeft op hetgeen in bovengenoemde artikelen is bepaald, is de Commissie van oordeel dat de klacht op die onderdelen ontvankelijk is.

Relatie verweerder 1 en verweerder 2

6.5 Vooraf wenst de Commissie op te merken dat de WMK, mede gelet op de doelstellingen van de wet en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, uitgaat van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend arts. Volgens artikel 1 onder c en d van de WMK is verweerder 1 de keuringvrager en verweerder 2 de keurend arts. De keuringvrager (verweerder 1) is verantwoordelijk voor de schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de desbetreffende functie,  voor het vastleggen daarvan in keuringsrichtlijnen door de Arbodienst, voor de procedure van de aanstellingskeuring en de kosten van de keuring. De procedure behelst onder meer de informatieplicht over het doel van de keuring, de te stellen vragen, het te ondergane onderzoek en de rechten van de keurling. De keurend arts (verweerder 2) is verantwoordelijk voor een onafhankelijke en adequate medische uitvoering van de keuring op grond van zijn deskundigheid. Gelet op deze verschillende verantwoordelijkheden en de volgens de wet verplichte onafhankelijkheid van de keurend arts ten opzichte van de (toekomstige) werkgever, acht de Commissie het, gelet op de doelstelling van de wet, haar taak de rechtspositie van de keurling (klager) zowel jegens de keuringvrager als jegens de keurend arts te verduidelijken en zal daarom in het onderstaande het handelen van beide verweerders afzonderlijk beoordelen.

Informatie

6.6 Voor wat betreft de door klager ontvangen informatie omtrent zijn (medische) geschiktheid voor de functie voorafgaand aan zijn sollicitatie, welke hij uit eigen beweging heeft gevraagd, is de Commissie van oordeel dat, zo er al sprake is van dezelfde werkgever als verweerder 1, dit laatstgenoemde niet kan worden aangerekend. Het is onweersproken dat klager voorafgaand aan zijn sollicitatie via zijn procesmanager heeft geïnformeerd naar de gevolgen van het dragen van een “soort pacemaker” in verband met de door hem beoogde functie van hoofdconducteur. Naar het oordeel van de Commissie had het op de weg van klager gelegen om zijn vraag omtrent het dragen van een ICD duidelijk aan te geven, nu het dragen van een ICD niet zo bekend is als het dragen van een pacemaker. Van een procesmanager, niet zijnde een medicus, kan niet worden verlangd dat hij uit de woorden “een soort pacemaker” zou hebben moeten opmaken dat het om iets anders had kunnen gaan dan een pacemaker. Overigens zou het, gelet op het onderhavige ziektebeeld, meer voor de hand hebben gelegen dat klager zich voor informatie had gewend tot de bedrijfsarts van zijn werkgever.

6.7 Uit de door klager overgelegde schriftelijke informatie van verweerder 1 over de sollicitatieprocedure is de Commissie niet gebleken dat die informatie, wat betreft het feit dat er in de procedure wordt gekeurd, op grond van artikel 8 lid 1 en lid 2 WMK in zijn algemeenheid onvoldoende is. Wel is het zo dat klager op grond van die informatie niet de conclusie kon trekken dat hij als drager van een ICD ongeschikt zou worden geacht voor de functie.

6.8 Het dragen van een ICD is aan de orde is gekomen tijdens de keuring door verweerder 2. Blijkens de overgelegde bescheiden en hetgeen op de zitting is besproken heeft de keurend arts conform de interne voorschriften (Protocol Railnedkeuringen) informatie ingewonnen bij de op dat gebied deskundig bedrijfsarts. Deze informatie is medegedeeld aan klager in die zin dat hem door de keurend arts is gezegd dat hij ongeschikt is voor de functie van hoofdconducteur, althans woorden van gelijke strekking. In een daarop volgend gesprek van klager is door laatstgenoemde bevestigd dat het dragen van een ICD klager ongeschikt maakt voor de functie.

6.9 Naar het oordeel van de Commissie had het toen, en zeker in het kader van het gesprek over de mogelijkheid van een second opinion, mede gelet op de hierboven weergegeven inhoud van de door klager overgelegde brief van zijn behandelend cardioloog, op de weg van verweerder 1 gelegen, gelet op diens verantwoordelijkheid als toekomstig werkgever, om klager de juiste toedracht van de regelgeving te verstrekken. De bedoeling van artikel 8 WMK is onder andere dat de keurling onder meer informatie krijgt over de relatie tussen de inhoud van de keuring en de voor de functie relevante informatie over de verhouding tussen belasting en belastbaarheid, hetgeen door de werkgever, zoals hierboven is overwogen, schriftelijk moet zijn vastgelegd.

6.10 De Commissie vraagt zich daarom af of er bij verweerder 1 duidelijke richtlijnen aanwezig zijn, dan wel in de periode waarin klager werd gekeurd aanwezig waren, om de betreffende regelgeving uiteen te zetten, wanneer daarom door een sollicitant wordt gevraagd. Verweerder 1 heeft weliswaar in haar verweerschrift en ter zitting uitgelegd dat de P-norm 003 ten aanzien van ICD dragers geen uitsluitsel geeft en verouderd is en dat er daarom aanvulling moet worden gezocht bij richtlijnen en eisen vanuit andere invalshoeken, met name bij eisen die gesteld worden aan beroepschauffeurs, maar het is de Commissie niet gebleken dat de onderlinge relatie tussen die verschillende systemen schriftelijk is vastgelegd.

6.11 Verweerder 1 heeft in dit verband aangevoerd dat zij zich niet met regelgeving wil inlaten, omdat zij zich moet houden aan de regelgeving (P-norm) die van overheidswege (Railned) aan haar is opgelegd. Naar het oordeel van de Commissie kan verweerder 1 zich als werkgever echter niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid die zij heeft op grond van de WMK en had dit daarom niet (geheel) mogen delegeren aan verweerder 2.

6.12 Voorts is het de Commissie onduidelijk, zelfs na verkregen informatie gevraagd op de zitting, of en zo ja wanneer die relatie bij verweerder 2 schriftelijk is vastgelegd in keuringsrichtlijnen en protocollen voor de keurend artsen en de deskundigen aan wie advies kan worden gevraagd. De verklaring ter zitting van de heer X dat er, in het kader van de mogelijkheid van een ontheffing van de keuringsnormen, voor klager de mogelijkheid is bekeken van een second opinion, geeft de Commissie veeleer de indruk dat er op dat moment nog geen specifieke voorschriften waren voor het raadplegen van andere richtlijnen. Immers, het is de Commissie niet gebleken dat er toen een duidelijke normstelling was wat betreft de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie, welke aan de onafhankelijke cardioloog in het kader van de herkeuring ter beschikking zijn gesteld.

6.13 Gelet op vorenstaande overwegingen meent de Commissie vanuit haar taak bij te dragen aan het bevorderen van een goede toepassing van de wet dat, hoewel de WMK geen regels stelt ten aanzien van het actueel houden van keuringseisen en de daaruit volgende keuringsprocedures, bij een te grote veroudering van keuringseisen en het derhalve te vaak te rade moeten gaan van keuringsartsen bij naar eigen inzicht gekozen deskundigen, die wederom naar eigen inzicht kunnen oordelen, er op den duur te veel variaties kunnen optreden in beoordelingen via keuringen, hetgeen een situatie van willekeur kan doen ontstaan. Dit kan niet de bedoeling van de wetgever zijn.

6.14 Derhalve concludeert de Commissie op grond van de overwegingen 6.7 tot en met 6.12 dat er door verweerder 1 in strijd is gehandeld met artikel 8 leden 1 en 2 van de WMK.

6.15 Ten aanzien van hetgeen de Commissie onder 6.13 heeft overwogen zal de Commissie een aanbeveling doen.

Belasting van de herkeuring
6.16 Vaststaat dat de second opinion is geschied in overleg met en de kosten daarvan zijn betaald door verweerder 1. Ook is de beslissing op het advies uitgesteld in afwachting van dat onderzoek. Gelet hierop heeft het onderzoek door de onafhankelijk cardioloog bij het LUMC plaatsgevonden conform artikel 12 van de WMK. De Commissie kan zich dan ook niet vinden in de stelling van verweerder 2 dat er in casu geen sprake zou zijn van een herkeuring in de zin van de WMK.

6.17 Voor een adequate herkeuring is verweerder 2 als keurend arts verantwoordelijk. Op de herkeuring zijn de bepalingen van de WMK van toepassing. Ingevolge artikel 3 lid 2 onder b WMK mag in ieder geval geen onderdeel van een medisch onderzoek bij een keuring uitmaken een onderzoek dat voor de keurling een onevenredig zware belasting met zich brengt. Klager stelt nu dat een EFO een voor hem te zwaar belastend onderzoek is. In casu moet daarom beoordeeld worden of een dergelijk onderzoek in verhouding staat tot het doel van de keuring.

6.18 Uit de brief van de cardioloog van het LUMC blijkt dat het voorstel tot het doen van een EFO is besproken met verweerder 2 in die zin dat, wanneer een EFO positief zou uitvallen, er een goede risico inschatting zou zijn en het advies aan de werkgever eventueel positief zou kunnen uitvallen. In verband met de voren overwogen onduidelijkheid in de systematiek van de schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid bij verweerder 1, is de Commissie van mening dat een dergelijk voorstel, bij een goede schriftelijke vastlegging, wellicht nooit had plaatsgevonden, tenzij verweerder 2 ook dan inderdaad van mening zou zijn dat er sprake zou kunnen zijn van een reële kans op ontheffing van de keuringsnormen.

6.19 Wat betreft de belasting van dit onderzoek heeft verweerder 2 nog opgemerkt dat het hier een voorstel betreft van een onafhankelijk specialist, werkend buiten de Arbo Management Groep. De opvatting dat de specialist daarom niet zou vallen onder de werking van de WMK wordt door de Commissie verworpen. Een herkeurend arts, ook al is die geen bedrijfsarts en niet verbonden aan een Arbo-dienst, is naar het oordeel van de Commissie in het kader van de keuring gehouden aan de bepalingen van de WMK. Bovendien blijft verweerder 2 in zijn hoedanigheid van arts binnen de Arbo-dienst verantwoordelijk voor de uiteindelijke keuringsuitslag en advisering aan de werkgever. Ten overvloede overweegt de Commissie hier nog dat, anders dan verweerder 2 stelt, uit de – overigens niet betwiste – inhoud van de brief van de herkeurend cardioloog blijkt dat over het doen van een EFO overleg is geweest met verweerder 2. Daarnaast blijft het de vraag of een EFO in relatie tot het doel van de keuring een valide medische onderzoeksmethode is. Immers, zowel door de behandelend cardioloog als door de op eigen initiatief door klager geconsulteerde cardioloog, wordt een echografisch onderzoek c.q. echodoppler voldoende geacht als aanvullend onderzoek.

De uitslag van de keuring

6.20 Het is de Commissie niet gebleken dat de argumenten van de behandelend cardioloog, zoals hierboven bij de feiten geciteerd, zijn meegewogen dan wel gemotiveerd zijn weerlegd in de medische argumentatie van de keurend en herkeurend artsen. Ook is niet gemotiveerd weerlegd waarom niet wordt ingegaan op het voorstel van klager met betrekking tot een echodoppler onderzoek. De Commissie is er dan ook niet van overtuigd dat de wijze waarop de keuring heeft plaatsgevonden en de medische argumentatie met betrekking tot de uitslag van de keuring zijn geschiedt volgens recente inzichten omtrent ICD-dragers.

6.21 Daarnaast heeft de Commissie moeten constateren dat de uitslag van de herkeuring klager op een niet zorgvuldige wijze ter kennis is gekomen en dat er geen afrondingsgesprek heeft plaats gevonden. Ter zitting is weliswaar gebleken dat dit te wijten is aan een communicatiestoornis, waarvan niet is uit te sluiten dat ook klager daaraan mede debet is, maar van een professioneel handelend bedrijfsarts mag worden verwacht dat daarmee op een zorgvuldige manier wordt omgegaan. Dit betekent dat naar het oordeel van de Commissie de keuring van klager formeel nog steeds niet is afgerond.

Oordeel

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie Klachtbehandeling Aanstellingskeuringen tot het volgende oordeel.
• De klacht is, wat betreft de informatieverstrekking door de procesmanager, ongegrond.
Ten aanzien van verweerder 1:
• De klacht is, wat betreft de informatieverstrekking voorafgaand aan de keuring door de werkgever, gegrond. Verweerder 1 heeft gehandeld in strijd met artikel 8, leden 1 en 2, van de Wet op de medische keuringen.
Ten aanzien van verweerder 2:
• De klacht is, wat betreft de onevenredig zware belasting van het onderzoek, gegrond. Verweerder 2 heeft gehandeld in strijd met artikel 3, leden 1 en 2, van de Wet op de medische keuringen.
• De klacht is, wat betreft de deugdelijkheid van de medisch inhoudelijke onderbouwing van het oordeel van de keurend arts, die verantwoordelijk is voor de keuringsuitslag, gegrond. Daarmee stelt de Commissie niet als vanzelfsprekend dat klager wel geschikt zou zijn voor de functie; een dergelijk oordeel behoort niet tot haar competentie.

Aanbevelingen

1. De Commissie beveelt verweerder 2 aan de keuring, in overleg met klager, zorgvuldig af te ronden, waarbij de Commissie wijst op hetgeen zij hierboven onder 6.20 en 6.21 heeft overwogen.
2. Vanuit haar taak bij te dragen aan het bevorderen van een goede toepassing van de Wet op de medische keuringen beveelt de Commissie aan om keuringseisen regelmatig te (doen) controleren aan de hand van recente medische inzichten om het gevaar van niet gelijkluidende beoordelingen in gelijke situaties bij keuringen te vermijden. Deze aanbeveling doet zij zowel richting werkgevers en Arbo-diensten als aan verantwoordelijken voor wet- en regelgeving.