Oordeel 2002-05

Werkgever vraagt tijdens sollicitatieprocedure naar REA- en WAO-verleden sollicitant.

Klaagster solliciteert als psycholoog bij loopbaanadviesbureau. Bij het gesprek over de arbeidsvoorwaarden wordt klaagster gevraagd of zij arbeidsgehandicapt (REA) of arbeidsongeschikt (WAO) is geweest. Werkgever komt in aanmerking voor financiële voordelen als hij een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst neemt. Klaagster weigert die vraag te beantwoorden en krijgt de baan niet.
Werkgever stelt, dat een werkgever het recht te vragen naar het REA- en WAO-verleden sollicitant met het oog op financiële voordelen.
De Commissie overweegt, dat de WMK bedoelt risicoselectie tegen te gaan. Het vragen naar een WAO-verleden komt impliciet neer op vragen naar de gezondheidstoestand. Vragen over gezondheidstoestand mogen alleen gesteld worden door een bedrijfsarts van een gecertificeerde Arbo-dienst in het kader van een keuring. Het is niet aan werkgever te informeren naar REA-voorzieningen, maar aan sollicitant om hierin het initiatief te nemen.


Oordeel 2002-05

Utrecht, 19 december 2002

1 De Klacht 

1.1 Op 24 augustus 2002 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de werkgever bij wie ze had gesolliciteerd, (hierna te noemen: verweerder), in strijd had gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door tijdens de sollicitatieprocedure te vragen of er in het verleden sprake was van arbeidsongeschiktheid.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 14 november 2002.

2.3 Op verzoek van de Commissie heeft verweerder na de hoorzitting nog schriftelijke informatie gestuurd. Aan klaagster is de gelegenheid gegeven daarop te reageren, van welke gelegenheid klaagster gebruik heeft gemaakt.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen is gesteld en niet is weersproken staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

3.1 Klaagster solliciteert in oktober 2001 bij verweerder, een landelijke onderneming die bedrijven en instellingen adviseert in het kader van loopbaan- en reïntegratiemogelijkheden, naar de functie van psycholoog. Het sollicitatiegesprek verloopt wederzijds naar tevredenheid en klaagster wordt toegezegd dat zij, onder voorbehoud van voldoende werkaanbod, in de loop van 2002 zal kunnen beginnen.

3.2 In mei 2002 volgt een gesprek met de vestigingsmanager om afspraken te maken over het aantal te werken uren en de datum van ingang van de werkzaamheden. Verweerder biedt klaagster een arbeidsovereenkomst aan voor zes maanden, die bij gebleken geschiktheid zal worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

3.3 Ter afronding van de sollicitatieprocedure volgt op 18 juni 2002 een gesprek over de arbeidsvoorwaarden met de regiomanager. Daarbij worden een aantal formulieren ingevuld. Bij het invullen van het laatste formulier vraagt de regiomanager aan klaagster of zij arbeidsgehandicapt is in de zin van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA) of arbeidsongeschikt is (geweest) in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

3.4 De regiomanager legt aan klaagster uit dat de werkgever in het kader van de hiervoor genoemde wetgeving in aanmerking komt voor een aantal financiële voordelen bij het in dienst nemen van een arbeidsgehandicapte werknemer.

3.5 Omdat klaagster op deze vraag niet wil antwoorden, doet de regiomanager navraag bij de Afdeling Personeelszaken op het hoofdkantoor. Het antwoord luidt dat deze vraag moet worden beantwoord en dat, bij niet invullen van deze vraag op het betreffende formulier, niet kan worden overgegaan tot indiensttreding. Nadat verzoekster persisteert in haar weigering wordt de sollicitatieprocedure beëindigd zonder dat partijen overeenstemming bereiken over een arbeidsovereenkomst.

4 De standpunten van klaagster

De onder 3.3 weergegeven vraag mag volgens de bepalingen van de WMK niet worden gesteld. Klaagster stelt in dit verband voorts dat het beantwoorden van de vraag voor haar een risico inhoudt, omdat, mocht verweerder de arbeidsovereenkomst na zes maanden niet verlengen, zij nooit zal weten wat daarvoor dan de werkelijke reden is.

5 De standpunten van verweerder

Er is geen sprake van een aanstellingskeuring, omdat er bewust niet is gevraagd naar medische gegevens van welke aard dan ook. Aan klaagster is tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek uitsluitend in verband met registratie in het kader van de Wet REA en de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) en de hieraan verbonden voordelen voor de werkgever gevraagd naar een REA- of WAO-verleden. Aan klaagster is daarbij aangegeven dat een positieve beantwoording van de vraag geen enkele invloed heeft op het aangaan van een arbeidsovereenkomst, integendeel. Dit blijkt ook uit het feit dat 9% van de werknemers van verweerder arbeidsgehandicapt is in de zin van de wet. Verweerder is van mening dat een werkgever het recht heeft te vragen naar het REA- en WAO-verleden van een sollicitant met het oog op de daaraan voor een werkgever verbonden voordelen.

6 Overwegingen van de commissie

6.1 De voorliggende kwestie betreft de vraag of het vragen naar een REA- en/of WAO-verleden aan een sollicitant door de aspirant werkgever in het kader van de sollicitatieprocedure een handelen betreft dat valt onder het regime van de WMK en, zo ja, of de aspirant werkgever aldus in strijd handelt met de WMK.

6.2 De bedoeling van de WMK is, onder meer volgens de preambule, de rechtspositie van degenen die een medische keuring ondergaan in verband met het aangaan van onder andere een burgerrechtelijke arbeidsverhouding te versterken. Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat deze doelstelling, naast enkele andere doelen, is ingegeven door de gevoelde noodzaak om risicoselectie tegen te gaan.

6.3 Artikel 1, onder a, van de WMK bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: 1e. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt.

6.4 Vaststaat dat de functie waarnaar klaagster solliciteerde een burgerrechtelijke arbeidsverhouding betreft in de zin van bovengenoemd artikel. Voor de beoordeling van de in geding zijnde vraag is van belang dat, blijkens de verklaring van verweerder tijdens de hoorzitting, de betreffende vraag naar het REA en/of WAO-verleden van klaagster is gesteld vóórdat de sollicitatieprocedure was afgerond en er dus nog geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.

6.5 Ten aanzien van het vragen naar een REA en/of WAO-verleden overweegt de Commissie als volgt.

6.6 Het vragen naar een WAO-verleden komt impliciet neer op het vragen naar een gezondheidstoestand, waaronder ziekteverzuim in het verleden. Een WAO-status komt immers alleen toe aan personen die minstens een jaar (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn. Het vragen naar de status van arbeidsgehandicapte moet eender worden beoordeeld. Voor de vaststelling van de status van arbeidsgehandicapte is de gezondheidstoestand van betrokkene namelijk direct van belang.

6.7 Het vragen naar of het anderszins inwinnen van inlichtingen over ziekteverzuim in het verleden en dus – indirect – informeren naar de gezondheidstoestand van de sollicitant valt, gelet op de wetsgeschiedenis en de context van de WMK, onder het regime van de WMK. Het (niet) beantwoorden van deze vraag houdt namelijk rechtstreeks verband met de besluitvorming omtrent het al dan niet aangaan van een arbeidsverhouding.

6.8 Met betrekking tot de vraag of een aspirant werkgever door het stellen van dergelijke vragen handelt in strijd met de WMK overweegt de Commissie als volgt.

6.9 Vragen over de gezondheidstoestand tijdens de sollicitatieprocedure mogen volgens artikel 1, onder d, van de WMK enkel worden gesteld door de keurende arts en dan nog slechts, volgens het eerste lid van artikel 4 van de WMK, juncto artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen, door een bedrijfsarts werkend voor een gecertificeerde Arbo-dienst in het kader van een keuring, indien aan de vervulling van de functie, waarop de arbeidsverhouding betrekking heeft, en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld en onder de overige voorwaarden van de WMK.

6.10 Voorzover verweerder stelt dat de vraag naar het REA en/of WAO-verleden is gesteld met het oog op financiële voordelen voor verweerder overweegt de Commissie dat volgens het tweede lid van artikel 4 van de WMK (ook) bij andere beoordelingen dan de medische keuring geen vragen mogen worden gesteld noch anderszins inlichtingen mogen worden ingewonnen over het ziekteverzuim in het verleden.

6.11 De Commissie concludeert op grond van vorenstaande overwegingen dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de WMK, nu het vragen naar dan wel het anderszins inwinnen van inlichtingen over de gezondheidstoestand in het heden, het verleden en de toekomst van de sollicitant in het kader van de werving en selectie is voorbehouden aan de bedrijfsarts van een gecertificeerde Arbo-dienst onder de voorwaarden bepaald bij de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

6.12 Wat betreft de door verweerder gestelde (financiële) voordelen overweegt de Commissie hier ten overvloede dat verweerder heeft gesteld dat er bij verweerder ten aanzien van aanstellingen een voorkeursbeleid wordt gevoerd ten behoeve van arbeidsgehandicapten. De Commissie is van mening dat in dergelijke gevallen de werkgever – onder meer – gehouden is om dit in het kader van de werving en selectieprocedure kenbaar te maken, zodat sollicitanten zelf kunnen beoordelen of zij voor hun eigen belang bedoelde informatie voorafgaand of tijdens de sollicitatieprocedure willen verstrekken. Uit het antwoord op Kamervragen valt bovendien op te merken dat het niet aan de werkgever is om te informeren naar REA-voorzieningen, maar dat het aan de sollicitant is om in deze initiatief te nemen (Kamerstukken II 1999/2000, Aanhangsel, p.1675).

Oordeel

Gelet op vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de medische keuringen.

Aanbeveling

De Commissie beseft dat de werkgever financieel belang kan hebben bij de wetenschap of het in dienst nemen van een werknemer gepaard gaat met premievrijstellingen en premiereducties, alsmede of er in voorkomende gevallen de mogelijkheid bestaat om een plaatsingsbudget te verkrijgen. Een en ander is doorgaans ook in het belang van werknemers met een arbeidshandicap zelf, aangezien aldus de kansen op deelname aan het arbeidsproces worden bevorderd. De gang van zaken tijdens en na de sollicitatieprocedure dient evenwel te voldoen aan het gestelde in de Wet REA en de WMK, zoals hierboven door de Commissie beschreven. De Commissie beveelt werkgevers derhalve aan om (potentiële) sollicitanten goede en gerichte informatie te verschaffen, zo mogelijk in de advertentietekst, over de financiële voordelen bij indiensttreding van arbeidsgehandicapten, zodat laatstgenoemden tijdens de sollicitatiefase zelf bewust kunnen kiezen of zij een beoogd werkgever al dan niet in kennis stellen van het zijn van arbeidsgehandicapt of arbeidsongeschikt in bovenvermelde zin.