Oordeel 2003-03

Klaagster heeft de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de keuring in het kader van haar sollicitatie naar de functie van assistent politiemedewerker bij de Politie, is geschied volgens de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK).


Oordeel 2003-03

Utrecht, 18 juli 2003

1 De klacht

Op 5 maart 2003 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de keuring in het kader van haar sollicitatie naar de functie van assistent politiemedewerker bij de Politie (hierna te noemen: de werkgever), is geschied volgens de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK). De keuring is uitgevoerd door Arbodienst (hierna te noemen: verweerder).

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Klaagster heeft haar standpunten schriftelijk toegelicht met bijlagen. Verweerder heeft schriftelijke informatie overgelegd.

2.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten tijdens de hoorzitting op 21 mei 2003. Daarbij zijn door verweerder, met toestemming van klaagster, nog bescheiden overgelegd.

2.3 Tegen de werkgever is een apart oordeel uitgebracht.

3 De feiten

Uit de overlegde bescheiden en uit hetgeen is gesteld en niet is weersproken staat – voor zover van belang – het navolgende vast.

3.1 Klaagster vraagt in 2002 informatie aan over een baan bij de Politie. Van het Bureau Personeelsvoorziening Politie ontvangt zij een voorlichtingspakket.

3.2 Klaagster solliciteert vervolgens naar de functie van assistent politiemedewerker niveau 2 door het invullen en toesturen van het bij het voorlichtingspakket gevoegde responsformulier, terwijl zij daarbij het korps van haar voorkeur aangeeft.

3.3 Klaagster ontvangt nadere informatie over de selectieprocedure, welke wordt uitgevoerd door het Instituut Werving en Selectie Politie (IWSP). Volgens deze informatie bestaat de selectieprocedure uit de onderdelen “Fysiek Motorisch Onderzoek”, “Psychologisch onderzoek”, “Praktijkopdracht” en “Interview met een psycholoog”. De informatie eindigt onder meer met de zin “De resultaten van de selectieprocedure zullen na uw toestemming aan het korps worden toegezonden. Zij stellen u op de hoogte van hun beslissing en eventuele verdere procedure.”

3.4 Volgens de door de werkgever aan de Commissie verstrekte informatie bestaat de totale sollicitatieprocedure uit achtereenvolgens een geschiktheidsonderzoek, vastgesteld bij de Regeling aanstellingseisen politie 2002, Hoofdstuk 4 (1) en uitgevoerd door het IWSP, een gesprek bij de werkgever, en een geneeskundig onderzoek door verweerder.

3.5 Klaagster neemt eind maart/begin april 2002 deel aan het geschiktheidsonderzoek van het IWSP. Tijdens het onderdeel “Interview met de psycholoog” komt aan de orde het feit dat klaagster aan migraine aanvallen onderhevig is. In het rapport van de psycholoog van 2 april 2002 wordt dit als volgt – voorzover van belang - verwoord: “mevrouw (…) is voldoende stressbestendig. Onder druk of onder bedreigende omstandigheden loopt zij weliswaar enige spanning op (dit kan zich onder meer uiten in migraine), maar haar optreden blijft correct en beheerst en zij behoudt overzicht. Haar optreden is voldoende evenwichtig en zij presteert op constant niveau.”

3.6 Klaagster verneemt van het IWSP dat zij op alle onderdelen voldoende heeft gescoord.

3.7 Klaagster verneemt van de werkgever dat de sollicitatieprocedure met haar wordt voortgezet. Klaagster heeft vervolgens een gesprek bij de werkgever, waarin wordt meegedeeld dat zij zal worden aangesteld onder voorbehoud van het medisch onderzoek en het antecedentenonderzoek.

3.8 Het medisch onderzoek wordt uitgevoerd door verweerder in opdracht van de werkgever.

3.9 Volgens de door verweerder en de werkgever aan de Commissie verstrekte informatie wordt het medisch onderzoek uitgevoerd volgens de keuringsrichtlijn A IV-2 Politie. Deze richtlijn betreft personeel in executieve dienst, agent van politie, en luidt – voor zover van belang – als volgt:
“Functie-informatie
Artikel 2 van de Politiewet 1993 luidt (……(2))
In de uitvoering van deze taak zijn de volgende elementen te onderscheiden:
Surveillance: (….).
Achtervolging: (…).
Aanhouding: (….). (…….)
Surveillant van politie
De surveillant van politie (red. Commissie: thans genoemd assistent politiemedewerker niveau 2) is een ambtenaar met een lagere opleiding dan de agent. In de meeste regio’s verricht de surveillant dezelfde taken als de agent, maar heeft hierbij minder bevoegdheden. (…….) Gezien het takenpakket en de opleiding bij doorstroming naar de functie van agent, worden bij de selectie (…..) dezelfde eisen gesteld als aan de aspirant van politie. Surveillanten worden bij benoeming tot agent van politie niet opnieuw gekeurd. (….) Functie-eisen Somatisch: Een lichamelijk goede conditie. De wervelkolom en (…………..). Bestand tegen onregelmatige werktijden. Een goed evenwichtsgevoel. (…..)”

3.10 Bij brief van 21 januari 2003 stuurt verweerder aan klaagster een uitnodiging voor het medisch onderzoek op 3 maart 2003. In de brief staat – voor zover van belang - : “Dit onderzoek houdt verband met uw functie van assistent politiemedewerker niveau 2. Het onderzoek wordt verricht in opdracht van (red. Commissie: de werkgever).”

3.11 Bij deze brief is een vragenlijst Aanstellingskeuring, welke moet worden ingevuld ten behoeve van het gesprek bij verweerder in het kader van het medisch onderzoek.

3.12 De vragenlijst Aanstellingskeuring betreft standaardvragen, opgesteld door de Arbo Management Groep (AMG). Aangekruist is welke vragen voor de betreffende functie van bijzonder belang zijn en in ieder geval beantwoord dienen te worden. Die vragen betreffen de onderdelen (blokken) houding en beweging, hart en vaten, bewustzijn, zintuigen, psychische klachten, behandelingen, geneesmiddelen.

3.13 In het blok “bewustzijn” kruist klaagster “ja” aan bij de vraag “heeft u regelmatig last van ernstige hoofdpijn”, in het blok “behandelingen” kruist zij “ja” aan bij “migraine, ernstige hoofdpijn” en bij het blok “geneesmiddelen” geeft zij aan dat zij Imigran 50 mg tabletten gebruikt.

3.14 Tijdens het gesprek bij verweerder komt de migraine nader aan de orde en worden door de bedrijfsarts van verweerder daaromtrent aantekeningen gemaakt op het door klaagster ingevulde formulier. In de keuringsrichtlijn, genoemd onder 3.9, wordt op bladzijde A IV-2-3 onder Anamnese/Onderzoek in punt 6 migraine aangeduid met een “r”, hetgeen blijkens de Toelichting keuringsrichtlijnen A IV-1 t/m 20 een relatieve contra-indicatie betekent die een aandachtspunt vormt bij het functiegericht onderzoek en waarbij de bedrijfsarts bepaalt of de betreffende aandoening de belastbaarheid dusdanig beïnvloed dat tot afkeuring moet worden besloten. Naar aanleiding van de bevindingen omtrent de migraine vindt overleg plaats met een collega bedrijfsarts. Er wordt geen advies gevraagd aan een specialist.

3.15 Verweerder legt zijn bevindingen vast in het medisch dossier van klaagster. Daarin staat – voor zover van belang -: “gelet op migraine anamnese ongeschikt voor politiemedewerker: afbreukrisico te groot.” In het eindoordeel medisch onderzoek aanstellingskeuring staat “ongeschikt assistent politiemedewerker niveau 2”.

3.16 Bij brief van 3 maart 2003 deelt verweerder aan klaagster de uitslag van het medisch onderzoek mee. Deze brief luidt – voor zover van belang - : “Op 3 maart 2003 verrichtte ik een medisch onderzoek bij u in verband met uw functie van assistent politiemedewerker niveau 2. Hiermee bevestig ik dat ik de opdrachtgever voor het onderzoek heb geïnformeerd over de uitslag van het onderzoek. Het aan uw werkgever gemelde resultaat luidt: ongeschikt voor de functie. Indien u met betrekking tot deze brief vragen heeft, verzoek ik u contact op te nemen (….)”.

3.17 Na ontvangst van de brief op 4 maart 2003 belt klaagster naar verweerder met het verzoek om een toelichting op het oordeel “ongeschikt voor de functie”. De bedrijfsarts van verweerder informeert klaagster dat zij is afgewezen op grond van haar migraine. In dat telefoongesprek wordt haar ook meegedeeld dat zij een bezwaarschrift kan indienen tegen de uitslag van het onderzoek.

3.18 Klaagster dient vervolgens een bezwaarschrift in en verzoekt de werkgever om een herkeuring. Tot op de dag van de hoorzitting bij de Commissie is het verzoek om een herkeuring nog niet in behandeling genomen.

4 De standpunten van klaagster

4.1 Verweerder heeft een te zware keuring toegepast. De brieven van verweerder spreken over een keuring op niveau 2, terwijl achteraf is gebleken dat klaagster is gekeurd op niveau 4.

4.2 Het is niet terecht dat klaagster is afgekeurd op grond van migraine. Verweerder heeft zijn motivering gebaseerd op mogelijke onvoorziene uitval. 

4.3 Bij het direct innemen van medicijnen wanneer de hoofdpijn opkomt is er geen sprake van uitval, terwijl bij een lichte aanval van migraine geen medicijnen nodig zijn. Een zware aanval komt ongeveer eens in de drie maanden voor.

4.4 Bij de herkeuring kan misschien het gebruik van andere medicijnen worden aanbevolen om risico’s, zo die er al zijn, te reduceren.

5 De standpunten van verweerder

5.1 Het is bekend dat de functieomschrijving en de daarop gebaseerde functie eisen niet corresponderen met de keuringsrichtlijnen. Door de werkgever is echter nooit om bijstelling gevraagd.

5.2 Voor al het personeel in executieve dienst worden dezelfde keuringseisen gehanteerd en wordt gekeurd op het maximale niveau, omdat er in uitrukkende omstandigheden ME-achtige situaties te verwachten zijn. Klaagster is in dit verband afgekeurd op grond van het veiligheidsrisico voor zich zelf en voor anderen.

5.3 Het oordeel “afbreukrisico te groot” is gebaseerd op het feit dat er onregelmatige diensten zijn en dat er moet kunnen worden uitgerukt op onregelmatige tijdstippen. Klaagster geeft aan dat het een half uur duurt voor de werking van de medicijnen aanslaat.

5.4 Aan de hand van het door klaagster opgegeven aantal tabletten is een berekening gemaakt van de frequentie van de migraine aanvallen.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Gelet op de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol
Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996,(3) moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager/werkgever en de keurend arts (verweerder).

6.2 Verweerder heeft op de hoorzitting van de Commissie erkend dat de keuringsrichtlijnen ten behoeve van de aanstellingskeuring van het personeel van de werkgever sinds de invoering van de WMK per 1 januari 1998 niet meer voldoen aan de regelgeving van de WMK, maar betoogt dat nooit opdracht is gegeven van de kant van de werkgever om de keuringsrichtlijnen bij te stellen.

6.3 De Commissie is echter, mede gelet op de doelstelling van de WMK en de uitgangspunten van het door de rijksoverheid voorgestane beleid bij de totstandkoming van de WMK, van oordeel dat verweerder als keurend arts een eigen verantwoordelijkheid heeft in relatie tot de keurling en in relatie tot de werkgever. Ook het Protocol Aanstellingskeuringen gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de keurend arts voor een adequate uitvoering van de keuring. In dit licht bezien had het in de rede gelegen dat verweerder, mede gelet op de bij de WMK beoogde rechtsbescherming van de keurling, als keurend arts en adviseur bij de werkgever zou hebben aangedrongen op het aanpassen van de formulering van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid.

6.4 Nu verweerder doorgaat met keuren voor de werkgever voor de functie van agent van politie, terwijl de voorwaarde voor een aanstellingskeuring ontbreekt, handelt verweerder in strijd met de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen. Immers, een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

6.5 De specifieke taak van de arbodienst in deze wordt geëxpliceerd in de toelichting bij genoemd artikel 3 van het besluit aanstellingskeuringen, waarin staat dat de arbodienst bij uitstek geschikt is om te adviseren omtrent de inhoud van de keuring. De arbodienst bezit, volgens genoemde toelichting, de benodigde deskundigheid om de functie eisen in criteria van medische geschiktheid te vertalen, voor de beantwoording van de vraag of de eisen mogelijk overbodig zijn, omdat aan de uitvoering van de arbeid verbonden risico’s weggenomen of gereduceerd kunnen worden, en om te bezien of er valide medische onderzoeksmethoden beschikbaar zijn om daarmee de geschiktheid vast te stellen.

6.6 Uit vorenstaande volgt dat verweerder tevens handelt in strijd met de artikelen 2 en 3 van de WMK, welke nadere voorwaarden stellen aan de keuring.

6.7 Mede in dit verband overweegt de Commissie hier dat zij zich afvraagt of bij een goed formuleren van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid, zoals hierboven onder 6.3 is overwogen, een aantal vragen op de vragenlijst Aanstellingskeuring wellicht overbodig zijn en derhalve in strijd met de voorschriften van de WMK.

6.8 De Commissie gaat hier verder niet in op de reden waarom klaagster is afgekeurd, omdat die ter beoordeling is van de keurend arts die de herkeuring zal verrichten. Ook het door klaagster gestelde omtrent een eventueel advies voor medicijn gebruik valt buiten het bestek van dit geding. Wèl vraagt de Commissie zich af of de door verweerder gebruikte onderzoeksmethode een valide methode is. De keurend arts is tot een mening over de frequentie van de migraine aanvallen gekomen op basis van het door betrokkene opgegeven aantal ingekochte tabletten. De keurend arts heeft zijn conclusies dienaangaande niet met betrokkene besproken. De Commissie vindt dat de door de arts gebruikte methode onvoldoende basis biedt voor het doen van een uitspraak over de frequentie van de aanvallen, zo dit gegeven binnen deze context al relevant mag worden geacht. De keurend arts mag geen uitspraken doen waarvoor medische gegevens onvoldoende basis bieden. Volgens algemene jurisprudentie van het Centraal Medisch Tuchtcollege moet de keurend arts, gezien zijn gegevens, redelijkerwijs tot de genomen beslissing zijn gekomen, terwijl daarnaast een deugdelijke medisch wetenschappelijke onderbouwing van de keuring noodzakelijk is.

6.9 Ten aanzien van de correspondentie met klaagster overweegt de Commissie dat, hoewel het de taak is van de werkgever om voorafgaand aan de keuring adequate schriftelijke informatie daarover te geven aan de keurling, de Commissie hier wenst op te merken dat uit de inhoud van de brieven van verweerder, zoals weergegeven onder 3.10 en 3.16, en uit de door de opdrachtgever gehanteerde functie eisen, zoals weergegeven onder 3.9, niet anders valt op te maken dan dat er wordt gekeurd op niveau 2. Naar het oordeel van de Commissie heeft verweerder ook hier zijn eigen verantwoordelijkheid, in die zin dat uit de brief moet blijken dat het gaat om een keuring voor de functie van agent van politie.

6.10 Hoewel niet in het geding, merkt de Commissie hier op dat blijkens de tekst van de brief van 3 maart 2003, genoemd onder 3.16, betreffende de negatieve gevolgtrekking op grond van de keuring, deze gevolgtrekking aan de werkgever is meegedeeld zonder voorafgaand overleg met de keurling. Dienaangaande overweegt de Commissie – ten overvloede – dat het Protocol Aanstellingskeuringen in hoofdstuk 2 onder 2.4.4 bepaalt dat de keurling het recht heeft als eerste geïnformeerd te worden over de uitslag van de aanstellingskeuring. In de toelichting bij deze bepaling staat dat de keurling, door als eerste van de uitslag kennis te nemen, kan beslissen of de opdrachtgever in kennis mag worden gesteld van de uitslag van de keuring en dat deze norm reeds is te vinden in de (tucht) rechtspraak alsmede in artikel 7:464, tweede lid, van de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Volgens genoemde toelichting brengt de redelijkheid met zich mee dat de keurling het initiatief neemt om de opdrachtgever binnen een week op de hoogte te stellen van zijn/haar beslissing dat de opdrachtgever niet in kennis mag worden gesteld van de gevolgtrekking. Naar het oordeel van de Commissie moet deze norm ook worden gelezen in artikel 12, eerste lid, van de WMK, waarin wordt bepaald dat de keurling zijn wens om te worden herkeurd kenbaar maakt binnen een week nadat de negatieve gevolgtrekking dan wel de positieve gevolgtrekking onder bepaalde beperkingen, verbonden aan de keuring, aan hem is meegedeeld. De Commissie is daarom van oordeel dat, zo verweerder al heeft verzuimd klaagster als eerste op de hoogte te stellen van de uitslag van de keuring, in ieder geval de tekst van de (standaard) brief niet voldoet aan de hierboven weergegeven normstelling.

7 Oordeel van de Commissie

Verweerder heeft gehandeld in strijd met
- artikel 4, eerste lid, van de WMK, en artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen;
- artikel 2 van de WMK;
- artikel 3 van de WMK.

8 Aanbeveling

Op grond van vorenstaande overwegingen en oordeel doet de Commissie de volgende aanbevelingen:
• Met onmiddellijke ingang samen met de opdrachtgever keuringseisen opstellen conform de WMK
en in de overbruggingsperiode uitermate terughoudend zijn met (af) keuren.
• Duidelijk weergeven in de correspondentie met keurlingen voor welke functie wordt gekeurd.
• Bijstellen van de (standaard) brief wat betreft de uitslag van de keuring conform hetgeen
hierboven onder 6.9 is overwogen. 


  1. Stcrt.2002, nr.212
  2. De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.
  3. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Staatsblad 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Staatsblad 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen