Oordeel 2003-04

Arbeidsdeskundige van reïntegratiebedrijf geeft gedurende sollicitatiefase informatie over arbeidshandicap sollicitante aan toekomstig werkgever, waardoor sollicitante baan misloopt.

Klaagster heeft een arbeidshandicap en een REA-stus. Zij wordt begeleid door een reïntegratiebedrijf. Klaagster solliciteert bij gemeente naar functie waarvoor geen bijzondere eisen van medische geschiktheid gelden. Na 2e gesprek zegt gemeente, dat klaagster in aanmerking komt voor functie. Klaagster vermeldt op formulier van P&O dat zij REA-status heeft. Op verzoek van klaagster spreekt arbeidsdeskundige van reïntegratiebedrijf met gemeente. Besproken worden functiebeschrijving en belastbaarheidsprofiel. Arbeidsdeskundige twijfelt aan passendheid functie. Volgens hem is functiebelasting te hoog in relatie tot klaagster handicap. Gemeente laat klaagster weten, dat aanstelling niet doorgaat, omdat klaagster informatie over haar handicap en REA-stutus heeft achtergehouden. Er is sprake van een vertrouwensbreuk.
Klaagster stelt, dat het gebruiken van informatie over arbeidshandicap en REA-stutus als afwijzingsgrond sollicitatie in strijd is met WMK. Informatie over arbeidshandicap was niet relevant voor functie en is daarom tijdens sollicitatiegesprek niet gegeven. Wel is deze informatie verstrekt op formulier P&O met het oog op financiële voordelen werkgever.
Gemeente stelt, dat klaagster niet is aangenomen wegens vertrouwensbreuk. Er zijn tijdens sollicitatie geen vragen over haar gezondheid gesteld. Op sollicitant rust verplichting ziekte of handicap te vermelden wanneer deze het vervullen van functie belemmeren.
De Commissie overweegt, dat informatie gegeven door arbeidsdeskundige door gemeente is gebruikt ter beoordeling van medische geschiktheid klaagster. Dit is strijdig met de WMK. Op sollicitanten rust een beperkte mededelingsplicht. Een sollicitant is niet verplicht niet relevante informatie te verstrekken. Het niet vermelden van relevante beperkingen komt neer op verzwijging.


Oordeel 2003-04

16 juli 2003

1 De klacht

Op 20 maart 2003 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna te noemen: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de werkgever bij wie zij heeft gesolliciteerd (hierna te noemen: verweerder) in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door de toegezegde aanstelling ongedaan te maken vanwege het niet vermelden van haar arbeidshandicap gedurende de sollicitatiefase, informatie die verweerder nog voor de aanstelling van klaagster door de arbeidsdeskundige van een reïntegratiebedrijf (hierna te noemen: reïntegratiebedrijf) werd verstrekt.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Klaagster heeft daarbij bescheiden gevoegd.

2.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 16 mei 2003. Door klaagster zijn tijdens de hoorzitting nog enkele bescheiden overgelegd, welke ter zitting zijn besproken.

2.3 Tegen het reïntegratiebedrijf is een apart oordeel uitgebracht.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gebleken staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

3.1 Klaagster heeft een arbeidshandicap en is geïndiceerd in de zin van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA). Zij werkt 20 uur per week als administratief medewerkster bij een bedrijf. Zij is op zoek naar een andere functie met meer afwisseling en uitdaging.

3.2 Verweerder is het bestuur van een gemeente, waarbij per 1 januari 2003 een vacature is voor een medewerker (m/v) burgerzaken voor 20 uur per week.

3.3 Het reïntegratiebedrijf helpt klaagster bij het zoeken naar een andere geschikte functie.

3.4 Door het reïntegratiebedrijf is op 8 oktober 2002 een, mede door klaagster ondertekend, arbeidsintegratieplan voor klaagster opgesteld onder meer aan de hand van een Rapportage onderzoek Arbeidshandicap van 19 maart 1999 en de Rapportage Verzekeringsarts van 3 maart 1999.

3.5 In het arbeidsintegratieplan staat – voorzover van belang -: “ (…) Cliënt werkt op dit moment 20 uur per week, verdeeld over 5 dagen (…). Cliënt ervaart de werkzaamheden als eentonig. (…) Hierdoor is cliënt op zoek naar een andere functie, met meer afwisseling en uitdaging. (…) Cliënt is zelf volop aan het solliciteren, maar heeft zelf het idee dat er voor haar weinig mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt. (…) Cliënt is REAgeïndiceerd. In 1999 was het aantal werkbare uren 20 uur per week, maximaal 4 uur per dag. Gezien het feit dat cliënt al enige tijd werkt, en zelf aangeeft meer aan te kunnen, is in overleg met de arbeidsdeskundige besloten, dat cliënt ook werk voor 3 dagen per week, 8 uur per dag kan aanvaarden. Wel wordt aanbevolen dat de dagen niet aaneengesloten worden gewerkt. (…) Cliënt bezit de vaardigheden om te werken als telefoniste, receptioniste en administratief medewerkster. (…) Cliënt ervaart het feit dat zij slechts parttime inzetbaar is als een sterke beperking. Hierdoor wordt zij onzeker en is geneigd om op alle beschikbare vacatures te reageren, zonder daarbij te beoordelen of het voor haar passende functies zijn. In de begeleiding zal dit aspect meegenomen moeten worden, en zal met cliënt getracht worden om meer vanuit de kwaliteiten van cliënt naar vacatures te zoeken. Conclusie: door middel van Jobhunting kunnen ingangen gecreëerd worden bij werkgevers en kan cliënt begeleid worden in het zoeken naar een passende werkkring. De arbeidsdeskundige zal bij werkaanvaarding ingeschakeld worden om alle formaliteiten rondom de REA af te handelen. Inzet Instrumenten: Jobhunting (….) Extra inzet (…..): Arbeidsintegratieplan, opgesteld in overleg met een arbeidsdeskundige. Advisering opdrachtgever (werkgever) door arbeidsdeskundige. (…)

3.6 Klaagster ziet eind november 2002 in een krant de advertentie van verweerder betreffende de functie van medewerker (m/v) burgerzaken 20 uur per week. Zij solliciteert bij verweerder naar deze functie, een en ander in overleg met het reïntegratiebedrijf.

3.7 Verweerder deelt klaagster bij brief van 6 december 2002 mee dat zij niet voldoende gekwalificeerd is voor deze functie, maar dat zij wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek op 16 december 2002 voor de functie van medewerker snelloket burgerzaken.

3.8 De functie van medewerker snelloket burgerzaken betreft een nieuwe functie, die per 1 januari 2003 is ingesteld. De functie is gevormd door een afsplitsing van de functie van medewerker burgerzaken. De werkzaamheden van de nieuwe functie betreffen voornamelijk het te woord staan en helpen van burgers die (persoonlijke) documenten komen afhalen. Deze werkzaamheden gebeuren met name staande aan de balie in de hal van het gemeentehuis.

3.9 Voor deze nieuwe functie is geen specifieke vakopleiding vereist en worden geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid gesteld.

3.10 Het personeelsbeleid van verweerder is er onder meer op gericht om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen en in dienst te houden.

3.11 Verweerder nodigt klaagster op 19 december 2002 telefonisch uit voor een tweede gesprek dat op 23 december 2003 plaats vindt. Verweerder doet klaagster tijdens dat gesprek de toezegging dat zij in aanmerking komt voor de betreffende functie per 1 februari 2003.

3.12 Bij dit gesprek is ook een medewerker van de afdeling Personeel en Organisatie (P&O) van verweerder aanwezig, mede in verband met het invullen van voor de aanstelling van belang zijnde formulieren. Op verzoek van klaagster wordt het gedeelte betreffende haar werkverleden door haar zelf op een later tijdstip thuis ingevuld.

3.13 Het reïntegratiebedrijf wordt door klaagster aansluitend op het gesprek van 23 december 2002 op de hoogte gesteld van het feit dat zij in aanmerking komt voor de functie van medewerker snelloket burgerzaken per 1 februari 2003.

3.14 Op 7 januari 2003 geeft klaagster het door haar thuis ingevulde formulier, waarop zij ook aangeeft dat zij REA-geïndiceerd is, af bij verweerder. 

3.15 De afdeling P&O van verweerder neemt vervolgens de personeelsformulieren in behandeling en zet met het oog op de in het vooruitzicht gestelde aanstelling enkele zaken in gang, zoals het bestellen van een fiets en het aanvragen van spaarloon.

3.16 Klaagster zegt tussentijds haar huidige baan op.

3.17 De arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf heeft, op eigen verzoek en met medeweten van klaagster, op 28 januari 2003 een gesprek met verweerder.

3.18 Verweerder geeft bij dit gesprek aan dat hij tijdens het sollicitatiegesprek door klaagster niet op de hoogte is gesteld van het feit dat klaagster arbeidsgehandicapt is in de zin van de REA.

3.19 De arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf vraagt naar de functiebeschrijving van en het belastbaarheidsprofiel van de functie en zegt, op basis van de door verweerder verstrekte informatie, zijn twijfels te hebben over de passendheid van de functie en geeft als zijn mening dat de functiebelasting de belastbaarheid van klaagster overschrijdt in verband met haar handicap.

3.20 De arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf deelt klaagster direct na het gesprek, eveneens op 28 januari 2003, telefonisch mee twijfels te hebben over haar geschiktheid voor de functie.

3.21 Op 30 januari 2003 vindt een gesprek plaats bij het reïntegratiebedrijf met klaagster en haar gemachtigde, waarvan door klaagster een verslag is gemaakt. In dat gesprek komt onder meer aan de orde dat verweerder tegenover het reïntegratiebedrijf heeft aangegeven dat hij niet mondeling en ook niet schriftelijk door klaagster op de hoogte is gesteld van het REA traject en dat dit door verweerder wordt uitgelegd als een breuk in het vertrouwen tussen verweerder en klaagster als toekomstig medewerkster.

3.22 Verweerder deelt klaagster op 31 januari 2003 telefonisch mee dat de aanstelling geen doorgang vindt, omdat klaagster de informatie omtrent haar REA-status en arbeidshandicap heeft achtergehouden.

3.23 Bij brief van 5 februari 2003 deelt verweerder aan klaagster mee dat zij niet voor benoeming in de functie van medewerker burgerzaken (snelloketten) zal worden voorgedragen en dat de reden voor afwijzing erop neer komt dat klaagster tijdens de selectieprocedure informatie heeft achtergehouden, waardoor verweerder onvoldoende vertrouwen heeft in een vruchtbare samenwerking in de toekomst.

3.24 Klaagster schrijft verweerder op respectievelijk 7 februari 2003, 10 februari 2003, en 12 februari 2003 brieven, waarin zij haar beklag doet over de gang van zaken. In de brief van 12 februari 2003 schrijft klaagster tevens dat het haar verbaast dat verweerder geen heil meer ziet in een reeds toegezegd gesprek over haar klachten omtrent de gang van zaken na het bewuste gesprek van 28 januari 2003.

3.25 Op 17 maart 2003 volgt, op verzoek van de door klaagster ingeschakelde plaatselijke antidiscriminatie raad, een gesprek bij verweerder.

3.26 Bij begeleidende brief van 1 april 2003 stuurt verweerder aan klaagster het verslag van het gesprek. De inhoud van de begeleidende brief luidt – voorzover van belang – als volgt. “(…) Met u is destijds inderdaad overeengekomen om tot een aanstelling te komen. In de periode tussen het moment van toezeggen en de feitelijke/formele aanstelling is ons echter informatie bekend geworden op grond waarvan op de eerder gedane toezegging is teruggekomen.  Ik wil nogmaals benadrukken dat de intrekking van de gedane toezegging niet ligt in het feit dat u arbeidsgehandicapt zou zijn. Er is sinds het eerste contact met de heer (…) van (red. Commissie: het reïntegratiebedrijf) echter dermate veel gebeurd, dat mijn vertrouwen in een goed verloop van deze aanstelling is geschaad. De heer (…) heeft naar mij toe ook aangegeven dat u hem heeft verteld dat het een overwegend administratieve functie betrof, terwijl de werkzaamheden juist uitsluitend staande aan de balie worden verricht. Onder andere hierdoor is bij mij een beeld ontstaan van iemand die informatie heeft achtergehouden die relevant is voor de uitoefening van de functie. (…)”.

3.27 In het verslag van het gesprek van 17 maart 2003, opgesteld door verweerder, staat – voorzover van belang -: “ Mw. (red. Commissie: gemachtigde van klaagster) is op zoek naar het antwoord op de vraag waarom mw. (red. Commissie: klaagster) nu feitelijk is afgewezen voor de functie, terwijl partijen eigenlijk alles al geregeld hadden. Het vermoeden bestaat dat dit te maken heeft met de arbeidshandicap van mw. (klaagster). (Verweerder) ontkent dit laatste, er zijn in het verleden al diverse mensen met een arbeidshandicap aangenomen. Zij is wel altijd bereid geweest om mw. (klaagster) aan te nemen op de functie, maar is door het telefoontje van de heer (red. Commissie: arbeidsdeskundige bij het reïntegratiebedrijf) dermate verrast dat (verweerder) zich geschaad voelt in het vertrouwen. Een en ander heeft nooit tot een reawerkplekonderzoek geleid, zodat ook niet duidelijk is of mw. (klaagster) überhaupt geschikt is voor de functie. Vanwege de benadering van mw. (klaagster), de gesprekken met de heer (arbeidsdeskundige bij het reïntegratiebedrijf) en de tegengestelde berichten zijn naar de mening van (verweerder) de verhoudingen dermate verstoord dat van een goede functievervulling geen sprake kan zijn. (…) het gesprek met de heer (arbeidsdeskundige bij het reïntegratiebedrijf) heeft de bal aan het rollen gebracht.”

4 De standpunten van klaagster

4.1 Er is door verweerder gehandeld in strijd met de WMK, omdat in de eerste contacten met haar, na het gesprek op 28 januari 2003, het niet vermelden van de REA-status en de arbeidshandicap in het sollicitatiegesprek als reden werd gegeven voor het ongedaan maken van een reeds toegezegde aanstelling, terwijl aan de verkregen informatie omtrent de arbeidshandicap een medische interpretatie is gegeven.

4.2 De informatie omtrent de REA-status en de betreffende beperking van de arbeidshandicap is niet relevant voor deze functie en is daarom door klaagster niet in het sollicitatiegesprek vermeld. De informatie omtrent de REA-status is wél vermeld op het, thuis ingevulde en op 7 januari 2003 bij verweerder afgegeven, formulier bestemd voor de afdeling P&O met het oog op financiële voordelen voor de werkgever.

5 De standpunten van verweerder

5.1 De klacht valt niet onder het regime van de WMK, omdat er geen sprake is van een medische keuring. Ook zijn er in het sollicitatiegesprek geen vragen gesteld over de gezondheidstoestand van betrokkene en is niet gevraagd naar een eventueel REA- en of WAO-verleden. Er is geen verplichting voor sollicitanten om te vermelden dat er sprake is van een REA-achtergrond. De klacht moet om deze redenen niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.2 Indien de klacht volgens de Commissie ontvankelijk zou worden beoordeeld, dan moet de klacht ongegrond worden verklaard om de volgende redenen.

5.3 In de brief van 1 april 2003, gericht aan klaagster, wordt aangegeven dat de intrekking van de gedane toezegging voor de aanstelling niet is ingegeven door het feit dat klaagster arbeidsgehandicapt zou zijn, maar is besloten om klaagster niet aan te stellen vanwege een ontstane vertrouwensbreuk.

5.4 De aanleiding voor de vertrouwensbreuk is gelegen in het gesprek van 28 januari 2003 met de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf.

5.5 In dit gesprek deelde de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf onder andere mee dat hij, op grond van mededelingen van klaagster, ervan uitging dat het een functie betrof, waarin overwegend administratieve werkzaamheden zouden worden verricht. Deze voorstelling van zaken was onjuist, aangezien de werkzaamheden uitsluitend staand aan de balie moeten worden verricht. Dit deed het beeld ontstaan van een sollicitant die relevante informatie heeft achtergehouden. Voorts gaf de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf aan van mening te zijn dat de functie voor klaagster niet geschikt was.

5.6 Het gaat hier om een functie, waarbij moet worden omgegaan met vertrouwelijke informatie. Door het verzwijgen van het staan tijdens de werkzaamheden richting het reïntegratiebedrijf en door het verzwijgen van het zijn van arbeidsgehandicapt, heeft klaagster twijfels doen ontstaan omtrent het feit of zij wel geschikt is om een vertrouwensfunctie als de onderhavige te vervullen.

5.7 Hoewel geen vragen mogen worden gesteld en geen inlichtingen mogen worden ingewonnen over de gezondheidstoestand van de sollicitant, rust op de sollicitant wel de verplichting mededelingen te doen die van belang zijn voor de vervulling van wezenlijke functievereisten. Dit kan ook de ziekte of handicap betreffen, wanneer de gevolgen daarvan zijn dat de desbetreffende persoon daarvan (ernstige) belemmeringen zal ervaren bij het vervullen van de functie (Rb. Rotterdam 1 april 1999, JAR 1999, 99).

6 Overwegingen van de Commissie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht:

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of de klacht valt onder het regime van de WMK, hetgeen door verweerder wordt betwist.

6.2 Vaststaat dat verweerder op 28 januari 2003 door het reïntegratiebedrijf is ingelicht over het feit dat klaagster arbeidsgehandicapt is.

6.3 Onweersproken is dat verweerder in het gesprek van 28 januari 2003 inlichtingen heeft gegeven aan de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf omtrent de functie en de belasting van de functie, op grond van welke informatie de arbeidsdeskundige zijn twijfels heeft geuit over de geschiktheid van klaagster voor de functie, waartoe de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf tegenover verweerder als zijn mening heeft gegeven dat de functiebelasting de belastbaarheid van klaagster zou kunnen overschrijden vanwege haar arbeidshandicap.

6.4 Voorts kan uit de bewoordingen van de onder 3.26 weergegeven brief van 1 april 2003 van verweerder en uit de standpunten van verweerder, weergegeven onder 5.4 en 5.5, in dit verband niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerder specifieke inlichtingen omtrent de handicap dan wel de belastbaarheid van klaagster – waarvan de problemen voor wat betreft de staande uitvoering van de werkzaamheden behorende bij de functie met name worden genoemd - heeft gekregen van de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf.

6.5 Uit de onder 3.1 tot en met 3.27 weergegeven feitelijke gang van zaken concludeert de  Commissie tevens dat verweerder naar aanleiding van hetgeen tijdens dit gesprek aan de orde is geweest heeft besloten de toegezegde aanstelling niet door te laten gaan, terwijl verweerder – later – als motivering daarvoor tevens gebruik heeft gemaakt van specifieke informatie van het reïntegratiebedrijf omtrent de arbeidsongeschiktheid van klaagster.

6.6 Naar het oordeel van de Commissie valt de handelwijze, zoals overwogen onder 6.2 tot en met 6.5, onder het regime van de WMK. Er heeft zich immers bij het gesprek op 28 januari 2003 een situatie voorgedaan, waarbij informatie met betrekking tot de gezondheidstoestand van een sollicitant is uitgewisseld, terwijl daaraan door zowel verweerder als het reïntegratiebedrijf conclusies zijn verbonden. Dergelijke situaties vallen binnen de reikwijdte van de WMK.

6.7 In dit verband wijst de Commissie erop dat de term keuring in de WMK ruim wordt uitgelegd. Deze omvat het vragen over de gezondheidstoestand en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding of een aanstelling in openbare dienst. De WMK ziet voorts op het vragen naar of het anderszins inwinnen of geven van inlichtingen over de huidige gezondheidstoestand van de sollicitant of die uit het verleden. De Commissie wijst hier (ook) op hetgeen is bepaald in hoofdstuk 2, onder 2.2.1 van het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996, (1) : “het doel van een aanstellingskeuring is de beoordeling van de huidige belastbaarheid van de keurling ten opzichte van de belasting door de betreffende functie”. Een zodanige beoordeling is thans in het geding en wordt opgevat als een keuring in de zin van de WMK.

6.8 De klacht is derhalve, gelet op vorenstaande overwegingen, ontvankelijk. Ten aanzien van de vraag of er door verweerder is gehandeld in strijd met de WMK gelden de volgende overwegingen.

6.9 Verweerder heeft tijdens het gesprek op 28 januari 2003 aan de arbeidsdeskundige van het reIntegratiebedrijf informatie gegeven over de functie eisen, welke informatie onder meer de fysieke belasting voor de betreffende functie betreft. Door het verstrekken van deze informatie heeft verweerder, bewust of onbewust, een reactie in de zin van een beoordeling van de arbeidsdeskundige ontlokt. Deze beoordeling betreft de medische geschiktheid van klaagster voor de functie.

6.10 Nu dergelijke informatie volgens de regels van de WMK door een werkgever in beginsel alleen mag worden verstrekt ingeval een werkgever voornemens is een aanstellingskeuring te laten verrichten, en daarover het schriftelijk advies vraagt van de arbodienst, en gelet op het feit dat voor de betreffende functie van medewerker snelloket burgerzaken geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid worden gesteld, concludeert de Commissie dat deze informatie in het onderhavige geval uitsluitend rechtmatig had kunnen worden verstrekt met het oog op het faciliteren van de (re)integratie van een arbeidsgehandicapte werknemer en/of met het oog op het verkrijgen van (financiële of andere) voordelen.

6.11 In de onderhavige situatie is deze informatie evenwel verstrekt, en door de arbeidsdeskundige van het reïntegratiebedrijf gebruikt en als zodanig teruggekoppeld naar verweerder, om zich een oordeel te vormen over de medische geschiktheid van klaagster voor de functie. Een dergelijke handelwijze verdraagt zich niet naar de geest en de letter van de WMK, in het bijzonder de artikelen 1 en 4, eerste en tweede lid. Aldus is er sprake van een schending van de wet.

6.12 Ten aanzien van de door verweerder gestelde vertrouwensbreuk als zakelijk argument ter rechtvaardiging van de gevolgde handelwijze overweegt de Commissie hier - ten overvloede - als volgt. De vraag wanneer, jegens wie en in hoeverre een sollicitant in de fase voorafgaand aan het sluiten van een arbeidsovereenkomst informatie dient te verschaffen over functiebeperkingen (en de daaraan ten grondslag liggende gezondheidstoestand), betreft de mededelingsplicht van de sollicitant en is een zelfstandige onderhandelingsnorm die voortvloeit uit de eis dat partijen tijdens de onderhandelingsfase rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen, voortvloeiende uit de eis van de precontractuele redelijkheid en billijkheid.

6.13 Blijkens de jurisprudentie (2) aangaande deze vraag rust op sollicitanten, mede op grond van de WMK, een beperkte mededelingsplicht. Dit vanwege de meer restrictieve opstelling van de wetgever met betrekking tot de aan een functie te stellen eisen van medische geschiktheid. Indien niet voorzienbaar is dat de klachten van een sollicitant van invloed zijn op zijn of haar functioneren, kan niet worden gesteld dat het niet melden van deze klachten tijdens de sollicitatie gelijk staat aan het verstrekken van onjuiste informatie dan wel het achterhouden van voor de betreffende functie relevante informatie. Ook anderszins is een sollicitant niet gehouden om niet relevante informatie te verstrekken tijdens een sollicitatiegesprek. Het niet melden van relevante beperkingen komt evenwel neer op verzwijging.

6.14 Ten aanzien van de vraag of door klaagster tijdens het sollicitatiegesprek relevante informatie omtrent haar REA status dan wel arbeidshandicap is achtergehouden overweegt de Commissie dat uit de verklaringen van verweerder op de hoorzitting niet duidelijk is geworden welke informatie in het onderhavige geval relevant zou zijn geweest voor de betreffende functie.

6.15 Overigens verwijst de Commissie naar haar oordeel 2002-05, waarin de Commissie onder 6.12 overweegt dat het aan de sollicitant is om het initiatief te nemen of zij voor hun eigen belang bedoelde informatie willen verstrekken tijdens de sollicitatieprocedure (3). In dit verband wijst de Commissie hier ook op de per 1 april 2003 aangenomen en – naar het zich laat aanzien - per 1 december 2003 in werking tredende Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGB, h/cz (4),). De WGB h/cz gaat er, in het verlengde van de WMK, van uit dat het initiatief om de behoefte aan een doeltreffende aanpassing aan de orde te stellen bij de sollicitant dient te liggen.

7 Oordeel

Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onderdeel a, en artikel 4, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen, en artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen.

8 Aanbeveling

Gezien het actieve beleid dat verweerder voorstaat in het kader van (her)plaatsing van arbeidsgehandicapten en het argument tijdens de hoorzitting bij de Commissie dat het in de onderhavige kwestie bij verweerder niet ging om de arbeidshandicap, maar om de vertrouwelijke aard van de functie, beveelt de Commissie verweerder aan om alles in het werk te stellen om klaagster, die ten gevolge van de onderhavige kwestie werkloos is, zo spoedig mogelijk binnen haar organisatie dan wel een aan haar gelieerde organisatie aan een passende baan te helpen.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen van 23 november 2001 en bij het Besluit aanstellingskeuringen van 23 november 2001 worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en van het Besluit aanstellingskeuringen.
  2. Ktg.Arnhem 13 september 1999, Prg. 2000, 5401; Rb. Rotterdam 1 april 1999, JAR 1999, 99, TvGR 2000, 14, en Ktg. Rotterdam 16 maart 2001 en 20 juli 2001, JAR 2001, 182.
  3. De Commissie verwijst naar de Kamerstukken II 1999/2000, Aanhangsel, p.1675.
  4. Stb. 2003, 206