Oordeel 2003-05

Reïntegratiebedrijf geeft informatie aan toekomstige werkgever over arbeidshandicap sollicitante, waardoor baan niet doorgaat.

Klaagster heeft een arbeidshandicap en REA-status. Zij wordt door een reïntegratiebedrijf begeleid naar ander werk. Klaagster solliciteert bij gemeente, waar zij in aanmerking komt voor functie medewerker snelloket burgerzaken. Klaagster zegt haar baan op. Arbeidsdeskundige reïntegratiebureau heeft gesprek met gemeente. Besproken worden functiebeschrijving baan en belastbaarheid klaagster in verband met haar arbeidshandicap. Arbeidsdeskundige twijfelt aan passendheid functie en uit dit tegenover gemeente en klaagster. Gemeente stopt sollicitatie wegens vertrouwensbreuk. Klaagster heeft niets gezegd over handicap en REA-traject.
Klaagster stelt, dat toekomstige werkzaamheden passen in reïntegratieplan. Door als reïntegratiebedrijf medische informatie te geven over klaagsters arbeidshandicap wordt er in strijd gehandeld met de WMK.
Reïntegratiebedrijf stelt, dat gehandeld is volgens reïntegratieplan. Tot een werkplekonderzoek is het niet gekomen, omdat werkgever niet wist, dat klaagster een handicap had.
De Commissie overweegt, dat reïntegratiebedrijf gemeente heeft geïnformeerd over gezondheidstoestand klaagster. Dit staat gelijk aan een keuring volgens de WMK. Een aanstellingskeuring mag alleen worden gedaan door een onafhankelijke bedrijfsarts van een gecertificeerde Arbo-dienst. Een arbeidsdeskundige is niet bevoegd. Voor een arbeidsdeskundige geldt een geheimhoudingsplicht. Advisering over werkplekaanpassingen had ook na klaagsters aanstelling kunnen gebeuren.


Oordeel 2003-05

16 juli 2003

1 De klacht

Op 20 maart 2003 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna te noemen: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de werkgever bij wie zij heeft gesolliciteerd (hierna te noemen: werkgever) in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door de toegezegde aanstelling ongedaan te maken vanwege het niet vermelden van haar arbeidshandicap gedurende de sollicitatiefase, informatie die de werkgever nog voor de aanstelling van klaagster door de arbeidsdeskundige bij een reïntegratiebedrijf (hierna te noemen: verweerder) werd verstrekt.

2 De loop van de procedure


2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Klaagster heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht en heeft daarbij bescheiden gevoegd.

2.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 16 mei 2003. Door klaagster zijn tijdens de hoorzitting nog enkele bescheiden overgelegd, welke ter zitting zijn besproken.

2.3 Tegen de werkgever is een apart oordeel uitgebracht.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gebleken staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

3.1 Klaagster heeft een arbeidshandicap en is geïndiceerd in de zin van de Wet (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA). Zij werkt 20 uur per week als administratief medewerkster bij een bedrijf. Zij is op zoek naar een andere functie met meer afwisseling en uitdaging.

3.2 De werkgever is het bestuur van een gemeente, waarbij per 1 januari 2003 een vacature is voor een medewerker (m/v) burgerzaken voor 20 uur per week.

3.3 Verweerder is een reïntegratiebedrijf dat klaagster helpt bij het zoeken naar een andere geschikte functie.

3.4 Door verweerder is op 8 oktober 2002 een, mede door klaagster ondertekend, arbeidsintegratieplan voor klaagster opgesteld onder meer aan de hand van een Rapportage onderzoek Arbeidshandicap van 19 maart 1999 en de Rapportage Verzekeringsarts van 3 maart 1999.

3.5 In het arbeidsintegratieplan staat – voorzover van belang -: “ (…) Cliënt werkt op dit moment 20 uur per week, verdeeld over 5 dagen (…). Cliënt ervaart de werkzaamheden als eentonig. (…) Hierdoor is cliënt op zoek naar een andere functie, met meer afwisseling en uitdaging. (…) Cliënt is zelf volop aan het solliciteren, maar heeft zelf het idee dat er voor haar weinig mogelijkheden zijn op de arbeidsmarkt. (…) Cliënt is REAgeïndiceerd. In 1999 was het aantal werkbare uren 20 uur per week, maximaal 4 uur per dag. Gezien het feit dat cliënt al enige tijd werkt, en zelf aangeeft meer aan te kunnen, is in overleg met de arbeidsdeskundige besloten, dat cliënt ook werk voor 3 dagen per week, 8 uur per dag kan aanvaarden. Wel wordt aanbevolen dat de dagen niet aaneengesloten worden gewerkt. (…) Cliënt bezit de vaardigheden om te werken als telefoniste, receptioniste en administratief medewerkster. (…) Cliënt ervaart het feit dat zij slechts parttime inzetbaar is als een sterke beperking. Hierdoor wordt zij onzeker en is geneigd om op alle beschikbare vacatures te reageren, zonder daarbij te beoordelen of het voor haar passende functies zijn. In de begeleiding zal dit aspect meegenomen moeten worden, en zal met cliënt getracht worden om meer vanuit de kwaliteiten van cliënt naar vacatures te zoeken. Conclusie: door middel van Jobhunting kunnen ingangen gecreëerd worden bij werkgevers en kan cliënt begeleid worden in het zoeken naar een passende werkkring. De arbeidsdeskundige zal bij werkaanvaarding ingeschakeld worden om alle formaliteiten rondom de REA af te handelen. Inzet Instrumenten: Jobhunting (….) Extra inzet (…..): Arbeidsintegratieplan, opgesteld in overleg met een arbeidsdeskundige. Advisering opdrachtgever (werkgever) door arbeidsdeskundige. (…)

3.6 Klaagster ziet eind november 2002 in een krant de advertentie van de werkgever betreffende de functie van medewerker (m/v) burgerzaken 20 uur per week. Zij solliciteert bij de werkgever naar deze functie, een en ander in overleg met verweerder.

3.7 De werkgever deelt klaagster bij brief van 6 december 2002 mee dat zij niet voldoende gekwalificeerd is voor deze functie, maar dat zij wordt uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek op 16 december 2002 voor de functie van medewerker snelloket burgerzaken.

3.8 De functie van medewerker snelloket burgerzaken betreft een nieuwe functie, die per 1 januari 2003 is ingesteld. De functie is gevormd door een afsplitsing van de functie van medewerker burgerzaken. De werkzaamheden van de nieuwe functie betreffen voornamelijk het te woord staan en helpen van burgers die (persoonlijke) documenten komen afhalen. Deze werkzaamheden gebeuren met name staande aan de balie in de hal van het gemeentehuis.

3.9 Voor deze nieuwe functie is geen specifieke vakopleiding vereist en worden geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid gesteld.

3.10 Het personeelsbeleid van de werkgever is er onder meer op gericht om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen en in dienst te houden.

3.11 De werkgever nodigt klaagster op 19 december 2002 telefonisch uit voor een tweede gesprek dat op 23 december 2003 plaatsvindt. De werkgever doet klaagster tijdens dat gesprek de toezegging dat zij in aanmerking komt voor de betreffende functie per 1 februari 2003.

3.12 Bij dit gesprek is ook een medewerker van de afdeling Personeel en Organisatie (P&O) van de werkgever aanwezig, mede in verband met het invullen van voor de aanstelling van belang zijnde formulieren. Op verzoek van klaagster wordt het gedeelte betreffende haar werkverleden door haar zelf op een later tijdstip thuis ingevuld.

3.13 Verweerder wordt door klaagster aansluitend op het gesprek van 23 december 2002 op de hoogte gesteld van het feit dat zij in aanmerking komt voor de functie van medewerker snelloket burgerzaken per 1 februari 2003.

3.14 Op 7 januari 2003 geeft klaagster het door haar thuis ingevulde formulier, waarop zij ook aangeeft dat zij REA-geïndiceerd is, af bij de werkgever. 

3.15 De afdeling P&O van de werkgever neemt vervolgens de personeelsformulieren in behandeling en zet met het oog op de in het vooruitzicht gestelde aanstelling enkele zaken in gang, zoals het bestellen van een fiets en het aanvragen van spaarloon.

3.16 Klaagster zegt tussentijds haar huidige baan op.

3.17 De arbeidsdeskundige van verweerder heeft, op eigen verzoek en met medeweten van klaagster, op 28 januari 2003 een gesprek met de werkgever.

3.18 De werkgever geeft bij dit gesprek aan dat hij tijdens het sollicitatiegesprek door klaagster niet op de hoogte is gesteld van het feit dat klaagster arbeidsgehandicapt is in de zin van de REA.

3.19 Verweerder vraagt naar de functiebeschrijving van en het belastbaarheidsprofiel van de functie en zegt, op basis van de door de werkgever verstrekte informatie, zijn twijfels te hebben over de passendheid van de functie en geeft als zijn mening dat de functiebelasting de belastbaarheid van klaagster overschrijdt in verband met haar handicap.

3.20 Verweerder deelt klaagster direct na het gesprek, eveneens op 28 januari 2003, telefonisch mee twijfels te hebben over haar geschiktheid voor de functie.

3.21 Op 30 januari 2003 vindt een gesprek plaats bij verweerder met klaagster en haar gemachtigde, waarvan door klaagster een verslag is gemaakt. In dat gesprek komt onder meer aan de orde dat de werkgever tegenover verweerder heeft aangegeven dat hij niet mondeling en ook niet schriftelijk door klaagster op de hoogte is gesteld van het REA traject en dat dit door de werkgever wordt uitgelegd als een breuk in het vertrouwen tussen de werkgever en klaagster als toekomstig medewerkster.

3.22 De werkgever deelt klaagster op 31 januari 2003 telefonisch mee dat de aanstelling geen doorgang vindt, omdat klaagster de informatie omtrent haar REA-status en arbeidshandicap heeft achtergehouden.

3.23 Bij brief van 5 februari 2003 deelt de werkgever aan klaagster mee dat zij niet voor benoeming in de functie van medewerker burgerzaken (snelloketten) zal worden voorgedragen en dat de reden voor afwijzing erop neer komt dat klaagster tijdens de selectieprocedure informatie heeft achtergehouden, waardoor de werkgever onvoldoende vertrouwen heeft in een vruchtbare samenwerking in de toekomst.

3.24 Klaagster schrijft de werkgever op respectievelijk 7 februari 2003, 10 februari 2003, en 12 februari 2003 brieven, waarin zij haar beklag doet over de gang van zaken. In de brief van 12 februari 2003 schrijft klaagster tevens dat het haar verbaast dat de werkgever geen heil meer ziet in een reeds toegezegd gesprek over haar klachten omtrent de gang van zaken na het bewuste gesprek van 28 januari 2003.

3.25 Op 17 maart 2003 volgt, op verzoek van de door klaagster ingeschakelde plaatselijke antidiscriminatie raad, een gesprek bij de werkgever.

3.26 Bij begeleidende brief van 1 april 2003 stuurt de werkgever aan klaagster het verslag van het gesprek. De inhoud van de begeleidende brief luidt – voorzover van belang – als volgt. “(…) Met u is destijds inderdaad overeengekomen om tot een aanstelling te komen. In de periode tussen het moment van toezeggen en de feitelijke/formele aanstelling is ons echter informatie bekend geworden op grond waarvan op de eerder gedane toezegging is teruggekomen. 

Ik wil nogmaals benadrukken dat de intrekking van de gedane toezegging niet ligt in het feit dat u arbeidsgehandicapt zou zijn. Er is sinds het eerste contact met de heer (…) van (red. Commissie: verweerder) echter dermate veel gebeurd, dat mijn vertrouwen in een goed verloop van deze aanstelling is geschaad. De heer (…) heeft naar mij toe ook aangegeven dat u hem heeft verteld dat het een overwegend administratieve functie betrof, terwijl de werkzaamheden juist uitsluitend staande aan de balie worden verricht. Onder andere hierdoor is bij mij een beeld ontstaan van iemand die informatie heeft achtergehouden die relevant is voor de uitoefening van de functie. (…)”.

3.27 In het verslag van het gesprek van 17 maart 2003, opgesteld door de werkgever, staat – voorzover van belang -: “ Mw. (red. Commissie: gemachtigde van klaagster) is op zoek naar het antwoord op de vraag waarom mw. (red. Commissie: klaagster) nu feitelijk is afgewezen voor de functie, terwijl partijen eigenlijk alles al geregeld hadden. Het vermoeden bestaat dat dit te maken heeft met de arbeidshandicap van mw. (klaagster). (De werkgever) ontkent dit laatste, er zijn in het verleden al diverse mensen met een arbeidshandicap aangenomen. Zij is wel altijd bereid geweest om mw. (klaagster) aan te nemen op de functie, maar is door het telefoontje van de heer (red. Commissie: arbeidsdeskundige bij verweerder) dermate verrast dat (de werkgever) zich geschaad voelt in het vertrouwen. Een en ander heeft nooit tot een reawerkplekonderzoek geleid, zodat ook niet duidelijk is of mw. (klaagster) überhaupt geschikt is voor de functie. Vanwege de benadering van mw. (klaagster), de gesprekken met de heer (arbeidsdeskundige bij verweerder) en de tegengestelde berichten zijn naar de mening van (de werkgever) de verhoudingen dermate verstoord dat van een goede functievervulling geen sprake kan zijn. (…) het gesprek met de heer (arbeidsdeskundige bij verweerder) heeft de bal aan het rollen gebracht.”

4 De standpunten van klaagster

4.3 Klaagster heeft gesolliciteerd op eigen kracht, maar in overleg met verweerder. De werkzaamheden, behorende bij de functie van medewerker snelloket burgerzaken, passen bij het arbeidsintegratieplan.

4.4 Volgens het arbeidsintegratieplan worden de formaliteiten rondom de REA, zoals premiekorting, ná werkaanvaarding afgehandeld.

4.5 Door in het gesprek van 28 januari 2003 medische informatie te geven over de arbeidshandicap en die te interpreteren is door verweerder gehandeld in strijd met de WMK.

5 De standpunten van verweerder

5.1 Klaagster heeft er moeite mee om te beoordelen of een functie passend voor haar is. Daarom ging de begeleiding door verweerder verder dan alleen het afhandelen van formaliteiten. In het arbeidsintegratieplan staat dit vermeld.

5.2 Het was de bedoeling van verweerder om op 28 januari 2003 een werkplek onderzoek te verrichten, maar zover is het niet gekomen, omdat de werkgever verrast was over het feit dat klaagster gedeeltelijk arbeidsgehandicapt is en dat niet had verteld.

5.3 Tijdens het gesprek op 28 januari 2003 is door de arbeidsdeskundige van verweerder informatie ingewonnen over de belasting van de functie in verband met de belastbaarheid van klaagster, omdat de onderhavige functie een nieuwe functie betreft en derhalve de belasting daarvan niet bekend was.

5.4 Verweerder heeft gehandeld conform het arbeidsintegratieplan. Van een schending van de WMK is geen sprake.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Vaststaat dat de arbeidsdeskundige van verweerder op 28 januari 2003 de werkgever heeft ingelicht over het feit dat klaagster arbeidsgehandicapt is.

6.2 Onweersproken is dat verweerder in het gesprek van 28 januari 2003 inlichtingen heeft gekregen van de werkgever omtrent de functie en de belasting van de functie, op grond van welke informatie verweerder zijn twijfels heeft geuit over de geschiktheid van klaagster voor de functie, waartoe verweerder tegenover de werkgever als zijn mening heeft gegeven dat de functiebelasting de belastbaarheid van klaagster zou kunnen overschrijden vanwege haar arbeidshandicap.

6.3 Voorts kan uit de bewoordingen van de onder 3.26 weergegeven brief van 1 april 2003 van de werkgever in dit verband niet anders worden geconcludeerd dan dat verweerder specifieke inlichtingen omtrent de handicap dan wel de belastbaarheid van klaagster – waarvan de problemen voor wat betreft de staande uitvoering van de werkzaamheden behorende bij de functie met name worden genoemd - heeft gegeven aan de werkgever.

6.4 Naar het oordeel van de Commissie valt de handelwijze, zoals overwogen onder 6.1 tot en met 6.3, onder het regime van de WMK. Er heeft zich immers bij het gesprek op 28 januari 2003 een situatie voorgedaan, waarbij informatie met betrekking tot de gezondheidstoestand van een sollicitant is uitgewisseld, terwijl daaraan door zowel verweerder als de beoogd werkgever conclusies zijn verbonden. Dergelijke situaties vallen binnen de reikwijdte van de WMK.

6.5 In dit verband wijst de Commissie erop dat de term keuring in de WMK ruim wordt uitgelegd. Deze omvat het vragen over de gezondheidstoestand en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding of een aanstelling in openbare dienst. De WMK ziet voorts op het vragen naar of het anderszins inwinnen of geven van inlichtingen over de huidige gezondheidstoestand van de sollicitant of die uit het verleden. De Commissie wijst (ook) op hetgeen is bepaald in hoofdstuk 2, onder 2.2.1 van het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996, (1) : “het doel van een aanstellingskeuring is de beoordeling van de huidige belastbaarheid van de keurling ten opzichte van de belasting door de betreffende functie”. Een zodanige beoordeling is thans in het geding en wordt opgevat als een keuring in de zin van de WMK.

6.6 Ingevolge de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen mag een keuring ter bepaling van de geschiktheid van een kandidaat slechts plaats vinden indien aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, terwijl de keuring slechts mag worden uitgevoerd door een onafhankelijke bij een gecertificeerde arbodienst aangesloten bedrijfsarts. 

6.7 De Commissie is van oordeel dat verweerder op grond van vorenstaande heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onderdelen a en d, en artikel 4, eerste lid, van de WMK en artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, allereerst door het verrichten van een aanstellingskeuring in een situatie waarin dat niet was geoorloofd en bovendien, ook al ware een keuring toelaatbaar, door het verrichten van een voorbehouden handeling waartoe de arbeidsdeskundige van verweerder de bevoegdheid miste. Het verrichten van een aanstellingskeuring is immers voorbehouden aan bedrijfsartsen verbonden aan een gecertificeerde arbodienst.

6.8 Verweerder betoogt dat hij, door te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft gehandeld conform het reïntegratieplan, omdat klaagster er moeite mee heeft om te beoordelen of een functie passend voor haar is. De Commissie kan verweerder in dezen niet volgen. Ingevolge het reïntegratieplan, zoals weergegeven onder 3.5, is het slechts de taak van verweerder om dit aspect mee te nemen in de begeleiding van klaagster. De Commissie is daarom van oordeel dat dit betoog grondslag mist. Dit laat echter onverlet de mogelijkheid van verweerder om zich door de werkgever te laten informeren over de werkzaamheden die de functie met zich mee brengt om deze vervolgens met klaagster te bespreken en haar daarover te adviseren.

6.9 Zoals de Commissie hierboven onder 6.3 heeft overwogen concludeert zij uit het over en weer gestelde en uit de overgelegde bescheiden dat verweerder specifieke inlichtingen heeft verstrekt omtrent de arbeidshandicap van klaagster aan de werkgever. Bedoelde inlichtingen zijn gebaseerd op de medische gegevens in de Rapportage onderzoek Arbeidshandicap, waaraan de rapportage van de verzekeringsarts ten grondslag ligt.

6.10 Blijkens voornoemd Protocol Aanstellingskeuringen mag de keurend arts zonder gerichte toestemming van de keurling geen inlichtingen aan derden (ook niet aan de aspirant werkgever/opdrachtgever) over de keurling verstrekken (2). In artikel 10, tweede en derde lid, van de WMK staat dit met zoveel woorden vermeld. De keurend arts en de geneeskundig adviseur zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hen over de keurling bekend is en delen niet meer mee dan voor het doel van de keuring strikt noodzakelijk is.

6.11 Op grond van vorenstaande overwegingen onder 6.9 en 6.10 is de Commissie van oordeel dat de arbeidsdeskundige van verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 10, tweede en derde lid, van de WMK. Dit wordt verweerder aangerekend.

6.12 Voorzover de arbeidsdeskundige van verweerder advisering aan de werkgever voor ogen stond omtrent eventuele werkplekaanpassingen overweegt de Commissie, dat een dergelijke advisering ná de aanstelling van klaagster op verzoek van klaagster had kunnen plaatsvinden.

7 Oordeel

De klacht is gegrond. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onderdelen a en d, artikel 4, eerste en tweede lid, artikel 10, tweede en derde lid, van de Wet op de medische keuringen, en artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen van 23 november 2001 en bij het Besluit aanstellingskeuringen van 23 november 2001 worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en van het Besluit aanstellingskeuringen.
  2. Deze norm is ontleend aan de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en de Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens” (1992, KNMG)