Oordeel 2003-06

Opleidingsbedrijf bouwnijverheid geeft aspirant leerling vragenlijst over gezondheid voorafgaande aan door Arbo-dienst te verrichten keuring.

Als deel van pakket individu gerichte preventiezorg kent CAO Bouw een intredekeuring. Een intredekeuring is verplicht functiegericht onderzoek, dat bestaat uit een vragenlijst over de gezondheid en medisch onderzoek door een gecertificeerde Arbo-dienst. Een werknemer, die voor het eerst gaat werken in de bouw ondergaat een intredekeuring. Werkgever geeft opdracht tot keuring, maar bemoeit zich niet met inhoud of uitvoering. Vooraf wordt geen informatie verstrekt aan werknemer. Keuring geschiedt voor aanstelling.
De Commissie overweegt, dat intredekeuring in CAO gebruikt wordt om aan te geven, dat sollicitant moet worden gekeurd voor intrede in bedrijfstak. Intredekeuring naast de wettelijke term aanstellingskeuring is inhoudelijk strijdig met de WMK. Ingeval van strijd tussen voorschriften WMK en CAO, prevaleert WMK, tenzij CAO een hoger beschermingsniveau biedt dan de WMK. CAO biedt geen hoger beschermingsniveau, WMK dient te worden nageleefd. Werkgever is verplicht intredekeuring te toetsen aan voorschriften WMK. Werkgever dient sollicitant te informeren over keuringsprocedure. Door deze taak over te laten aan Arbo-dienst handelt werkgever in strijd met WMK. Rapportage aan keuringvrager door Arbo-dienst mag alleen na toestemming keurling.


Oordeel 2003-06

2 december 2003

1 Het signaal

1.1 Op 26 juni 2003 heeft de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna te noemen: Commissie) een klacht ontvangen over de verstrekking van een vragenlijst door de werkgever aan een aspirant leerling ten behoeve van een door de Arbo-dienst te verrichten keuring. Volgens de aspirant leerling werd aldus gehandeld in strijd met de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK).

1.2 De Commissie heeft de klacht niet in behandeling genomen, omdat klager geen belang (meer) had bij zijn klacht.

1.3 De Commissie heeft op grond van de signalen uit de bij de klacht overgelegde bescheiden besloten een eigen onderzoek in te stellen om te bezien of de WMK in de gegeven context juist werd nageleefd.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft schriftelijke informatie gevraagd bij de werkgever, de Arbo-dienst en het kennis- en service instituut voor het verbeteren van arbeidsomstandigheden in de bouwnijverheid (hierna te noemen: het instituut).

2.1 Vervolgens zijn de werkgever en de Arbo-dienst in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 16 oktober 2003.

2.5 Tegen de Arbo-dienst is een apart oordeel uitgebracht.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gebleken staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

Relatie werkgever, Arbo-dienst, Instituut

3.1 De werkgever is een opleidingsbedrijf voor de bouw. De werkgever is opgericht door de Vereniging Amsterdamse Bouwbedrijven (VAB). De werkgever is lid van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid en is aangesloten bij het Instituut.

3.2 De werkgever heeft een overeenkomst met de Arbo-dienst, waarbij onder meer is bepaald dat de Arbo-dienst de ingevolge de CAO Bouw verplichte intredekeuring uitvoert.

3.3 De Arbo-dienst is een gecertificeerde Arbo-dienst en heeft een samenwerkingsovereenkomst met het Instituut.

Arbeidsverhouding en CAO Bouw

3.4 Leerlingen die de opleiding volgen bij de werkgever krijgen een burgerrechtelijke arbeidsverhouding aangeboden voor vier dagen per week, terwijl één dag in de week naar school wordt gegaan. Er wordt gewerkt in de bouw bij één van de bij de VAB aangesloten bouwbedrijven of in de werkplaats van de werkgever.

3.5 Op de arbeidsverhouding is de CAO Bouw van toepassing. 

3.6 Hoofdstuk 17 van genoemde CAO betreft de arbeidsomstandigheden. Artikel 46 – (….) (hoofdstuk 17 CAO Bouw 2002-2004) luidt:
“1. De werkgevers- en werknemersorganisaties zijn van mening dat de (….) van groot belang is voor de bedrijfstak. Partijen zullen de (……) medewerking verlenen bij de uitvoering van haar taak.
2. Alle werknemers en werkgevers in de bouw hebben recht op de door de (…….), al dan niet door middel van derden, te verlenen voorlichting, informatie en onderzoek op het gebied van de veiligheid en de gezondheid in de bedrijfstak.
3. Alle werknemers in de bouw hebben recht op het door de (…….) vastgestelde, individugerichte pakket preventiezorg. Aan dit pakket wordt uitvoering gegeven door gecertificeerde arbodiensten die voldoen aan door de (…….) te stellen kwaliteitseisen. Voor de inhoud van het individu-gerichte pakket preventiezorg wordt verwezen naar bijlage 9 bij deze CAO.”

3.7 Bijlage 9 (CAO Bouw 2002-2004) luidt – voorzover van belang als volgt: “(……..) Het pakket individu-gerichte preventiezorg, als bedoeld in artikel 46 lid 3 omvat:
• Een intredekeuring, als bedoeld in artikel 46a. De intredekeuring is een functiegericht onderzoek, waarbij zorgvuldige afweging plaatsvindt van de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bouwspecifieke beoordelingsrichtlijnen “Arbeidsgeschiktheid” van de (……..).
• Het Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek voor Jongeren op vrijwillige basis, een jaar na
intrede in de bedrijfstak (…)
• Het Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek (….)
• Een Arbo-spreekuur (….)
• Vervolgactiviteiten (…) De activiteiten in het kader van het individugerichte pakket preventiezorg worden uitgevoerd door gecertificeerde arbodiensten, die voldoen aan door de (……..) vastgestelde kwaliteitseisen. De arbodiensten zijn verplicht de door hen verzamelde werknemersgegevens door te geven aan de (……..) op een wijze die door de (………..) is voorgeschreven. Voornoemde activiteiten worden door de (…….) aan de arbodienst vergoed op basis van contractuele afspraken. Op basis van een experiment kan de werkgever vanaf 1 januari 2000 onder strikte voorwaarden afspraken maken met de arbodienst over de uitvoering van het hierboven omschreven pakket individugerichte preventiezorg. Voor de uitvoering van dit pakket verstrekt de (………) een vergoeding aan de werkgever. De (………..) zal deze regeling voorbereiden. Na 2 jaar zal de regeling worden geëvalueerd. (…………………………………….)”.

Keuring en CAO Bouw

3.8 Artikel 46a – Verplichte intredekeuring (hoofdstuk 17 CAO Bouwbedrijf 2002-2004) luidt – voorzover van belang -: “1. Het is de werkgever en de werknemer, die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of (indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is) in de werkplaats, verboden in de hieronder sub a., b. en c. genoemde situaties, een arbeidsovereenkomst schriftelijk aan te gaan, indien niet gelijktijdig, met gebruikmaking van het in aanhangsel F.b. van deze CAO opgenomen modelformulier, de uitslag van de in lid 3 genoemde intredekeuring uitwijst dat de werknemer geschikt is voor de beoogde functie. De verplichte intredekeuring geldt indien:
a. een werknemer voor het eerst werknemer wordt in de zin van deze CAO;
b. een werknemer, na een eerder dienstverband bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een periode van drie jaar geen dienstverband heeft gehad bij een werkgever in de zin van deze CAO;
c. een werknemer, al dan niet met formeel behoud van dienstverband bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een aaneengesloten periode van langer dan drie jaar, feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht.
2. (……..)
3. De in lid 1. bedoelde intredekeuring dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerde arbodienst die voldoet aan de door de (………….) te stellen kwaliteitseisen. De uitslag van de keuring luidt: geschikt, geschikt onder voorwaarden of ongeschikt. Deze uitslag dient aan de werknemer en de werkgever bekend gemaakt te worden.
4. (………….)
5. Indien de werkgever niet overgaat tot aanstelling van een voorwaardelijk geschikt verklaarde zal hij dit melden bij de Commissie Arbeidsmarkt Bouwnijverheid in de regio.
6. Indien de werknemer het op gefundeerde gronden niet eens is met de keuringsuitslag, kan hij de (………..) verzoeken om een herkeuring te laten uitvoeren.”

De procedure van de keuring


3.9 De inhoud van de verplichte intredekeuring is door het Instituut in samenwerking met de bij het Instituut aangesloten Arbo-diensten vastgesteld. De procedure is vastgelegd in “De Uitvoeringsprocedures voor het Individugerichte pakket Preventiezorg” (hierna te noemen: Uitvoeringsprocedures), en zijn opgenomen in het “Instrumentarium Bedrijfsartsen (2003)”.

3.10 Hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsprocedures luidt: Intredekeuring, intrede-onderzoek, aanstellingskeuring. De tekst hiervan luidt – voorzover van belang – als volgt: “Op 1 januari 1998 is de Wet op de medische keuringen ingevoerd. Deze wet geeft regels tot versterking van de rechtspositie van hen die een medische keuring moeten ondergaan. Slechts voor die beroepen waaraan op het punt van de medische geschiktheid bijzondere eisen moeten worden gesteld, mogen keuringen worden verricht met het oog op het aangaan van een arbeidsrechtelijke verhouding. In de bouwnijverheid is onderscheid gemaakt tussen de bij CAO verplichte intredekeuring (IK), een vrijwillig intrede-onderzoek (IO) en een aanstellingskeuring. De verplichte intredekeuring geldt voor de werknemer die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of – indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is – in de werkplaats. Voorwaarde is dat degene nog niet eerder in de bouw werkzaam is geweest of er langer dan 3 jaar uit is geweest. Naast de werknemer ontvangt de beoogde werkgever de uitslag in de vorm van geschikt, ongeschikt, of geschikt onder voorwaarden. Het vrijwillige intrede-onderzoek is bestemd voor degene die voor het eerst in de bedrijfstak gaat werken of er langer dan 3 jaar uit is geweest en voor wie geen verplichte intredekeuring geldt of die door omstandigheden geen verplichte intredekeuring heeft ondergaan. De werknemer ontvangt een gericht advies. De werkgever ontvangt van dit onderzoek geen uitslag. Zowel de verplichte intredekeuring als het vrijwillige intrede-onderzoek worden aan de arbodiensten betaald door (………..). De aanstellingskeuring is een keuring voor iemand die al werkt in de bouw en van werkgever wisselt. Het is een onderzoek op verzoek van de werkgever. Het wordt ook betaald door de werkgever. Met de inhoud van de keuring heeft (………) geen bemoeienis en (……..) ontvangt ook geen gegevens over deze keuring.”

3.11 Kopje 2.1, Verplichte Intredekeuring, luidt – voorzover van belang – : “De toekomstige werkgever meldt de werknemer bij de arbodienst voor een IK. De werkgever wordt gevraagd de melding schriftelijk aan de arbodienst te bevestigen. In deze bevestiging verklaart de werkgever tevens dat de desbetreffende werknemer de laatste drie jaar niet in de bedrijfstak werkzaam is geweest. (………….) De werknemer ontvangt vervolgens de vragenlijst IK, met het verzoek deze lijst ingevuld mee te nemen naar de arbodienst wanneer hij wordt gekeurd. (…..) Tevens wordt de (…….)folder ‘Verplichte Intredekeuring’ ingesloten. De arbodiensten geven hoge prioriteit aan de uitvoering van de IK, aangezien voor werkgevers de CAO-verplichting geldt, dat werknemers vóór feitelijke tewerkstelling zijn gekeurd. De arbodiensten zullen dan ook ernaar streven binnen 7 dagen na de eerste melding de werkgever in het bezit van de keuringsuitslag te stellen. Naast de werkgever ontvangt ook de werknemer de keuringsuitslag. (……..)”

3.12 Kopje 2.1.3, Herkeuring, luidt – voorzover van belang: “Indien een werknemer moet worden gekeurd, worden de werkgever en de werknemer daarvan in kennis gesteld. Daarbij wordt aangegeven op welke datum de werknemer voor herkeuring wordt verwacht. De werkgever en de werknemer ontvangen uiterlijk een week na de herkeuring de uitslag. De herkeuring IK heeft de vorm van een arbeidsgezondheidskundig spreekuur, waarbij de bedrijfsarts zich baseert op de reeds beschikbare gegevens. Indien geïndiceerd wordt de reguliere biometrie herhaald of uitgebreid biometrisch onderzoek uitgevoerd.”

3.13 De toekomstig werknemer ontvangt van de arbodienst die de keuring zal uitvoeren de onder 3.11 genoemde folder. De inhoud van deze folder luidt – voorzover van belang – als volgt: “(…………………………………) Daarom is in de CAO, die voor u van toepassing wordt, vastgelegd dat voor bepaalde groepen nieuwe werknemers een intredekeuring verplicht is. (……………) De keuring is verplicht indien:
• u voor het eerst in de bouw gaat werken of;
• u langer dan drie jaar feitelijk geen werkzaamheden in de bouwnijverheid hebt uitgevoerd.
Wel is het zo, dat u dan ook
• regelmatig uitvoerend werk op de bouwplaats moet gaan verrichten of;
• in de werkplaats moet gaan werken, waarbij u te maken krijgt met zwaar lichamelijk werk of werk dat gevaar voor anderen met zich meebrengt. Als het bovenstaande niet op u van toepassing is, hoeft u niet te worden gekeurd. Het is dan zelfs wettelijk verboden. (…………………………..) Bij de uitnodiging van de arbodienst zit een vragenlijst over uw gezondheid. Het is de bedoeling dat u deze lijst thuis volledig invult en meeneemt naar het onderzoek. (……………..) De uitslag krijgt u direct mee en wordt ook naar uw toekomstige werkgever gestuurd. (…………) Als u het niet eens bent met de uitslag van de keuring dan kunt u bij (………) een herkeuring aanvragen. (………………………) Uw gegevens worden gebruikt door de arbodienst en door (………). (…………………………..) De arbodienst en(………….) houden zich natuurlijk aan het privacy-reglement voor de verzameling, de opslag en het gebruik van uw gegevens. In dit privacy-reglement is onder andere ook geregeld dat u recht hebt om deze gegevens in te zien. (………………………………).”

De vragenlijst en de keuring

3.14 Bij de verplichte intredekeuring kan gebruik gemaakt worden van deel A.
Gezondheidstoestand van de Basisvragenlijst PAGO Bouw (1). De inhoud van de Vragenlijst is opgesteld door het Instituut in samenwerking met de bij het Instituut aangesloten Arbodiensten.

3.15 De Vragenlijst staat in de Handleiding “Vragenlijsten Periodiek Arbeidgezondheidskundig Onderzoek (PAGO) voor de Bouwnijverheid, een Handleiding voor bedrijfsartsen” van het Instituut en is per 1 juli 2001 ingevoerd.

3.16 De Handleiding is bedoelt om bedrijfsartsen, werkzaam voor de bouwnijverheid, een toelichting te geven op het gebruik van de vragenlijsten in het kader van de uitvoering van het PAGO in de Bouwnijverheid.

3.17 De vragenlijsten vormen met andere registratielijsten een belangrijk onderdeel van het kwaliteitsproject, gericht op het vergroten van de omvang en het verbeteren van de kwaliteit van dienstverlening.

Beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid

3.18 De medische geschiktheids eisen zijn in opdracht van het Instituut vastgelegd in de “Beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid, Handleiding met functie-eisen en belastbaarheidsbeperkingen voor beroepsgroepen in de bouwnijverheid”. (2)

3.19 In hoofdstuk 1, Introductie, staat onder het kopje “De aanstellingskeuring in het algemeen en
de intredekeuring in het bijzonder” - voorzover van belang - : “De meeste CAO’s in de bouwnijverheid kennen de verplichte medische intredekeuring (IK). Deze term wordt in de bedrijfstak gebruikt om aan te geven dat een sollicitant gekeurd moet worden voor (hernieuwde) intrede in de bedrijfstak. Krachtens deze regeling dient de keurende bedrijfsarts op basis van het medisch onderzoek aan de eerste werkgever mee te delen of de kandidaat medisch gezien ‘geschikt’, ‘ongeschikt’ of ‘geschikt onder voorwaarden’ is. Bij een eventuele verandering van werkgever binnen de bedrijfstak behoeft niet opnieuw een medische keuring plaats te vinden. De IK is naar inhoud en doelstelling dus niet anders dan een specifieke vorm van een aanstellingskeuring (AK). In geval van een AK verzoekt de werkgever – voorafgaand aan indiensttreding – de arbodienst immers eveneens om een mededeling over de geschiktheid van de werknemer voor de boogde functie. Daarbij gaat het dan echter niet om een hem opgelegde CAO-verplichting of de specifieke situatie van een nieuwe intrede in de bedrijfstak. Na de invoering van de Wet op de medische keuringen op 1 januari 1998 mag nog slechts een IK of AK worden uitgevoerd indien er sprake is van specifieke beroepsrisico’s. Gezien de risico’s, die het werken in de bedrijfstak met zich meebrengt, is een dergelijke keuring toegestaan, indien de werknemer in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats dan wel op de werkplaats/werf van het bedrijf. Indien aan bovengenoemd criterium niet wordt voldaan – bijvoorbeeld in geval van technisch of administratief personeel – kan geen IK of AK worden uitgevoerd, maar komt de werknemer wel in aanmerking voor een vrijwillig Intrede-onderzoek. Voorwaarde voor de uitvoering van een IK of AK is voorts een functiespecifieke beoordeling van de arbeidsgeschiktheid op basis van een zorgvuldige afweging tussen de belastbaarheid van de werknemer en de belasting die de uitoefening van het beroep met zich meebrengt.” Onder het kopje “Ontwikkeling van de Beoordelingsrichtlijnen” wordt ter informatie over de gehanteerde methodiek gerefereerd aan het rapport “Beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid: Achtergrond en onderbouwing van de functie-eisen en belastbaarheids beperkingen voor 67 beroepen in de bouwnijverheid” (3).

4 De standpunten van de werkgever

4.1 De werkgever heeft inzake de uitvoering van de ingevolge de CAO Bouw verplichte intredekeuring een overeenkomst gesloten met de Arbo-dienst . De richtlijnen voor de keuring zijn opgesteld door het Instituut. De werkgever heeft daarom zelf geen bemoeienis met de inhoud of de uitvoering van een intredekeuring. Het enige dat de werkgever regelt, op verzoek van de Arbo-dienst, is het verzorgen van de uitnodiging voor de keuring en het gelijktijdig meesturen van de ten behoeve van het onderzoek bij de Arbo-dienst in te vullen vragenlijsten.

4.2 De getuige deskundige heeft – voorzover van belang – ter zitting verklaard dat
- de werkgever de Arbo-dienst opdracht geeft een intredekeuring te verrichten vóór dat de toekomstig werknemer in dienst wordt genomen;
- de werkgever geen informatie geeft over de keuring aan de toekomstig werknemer, omdat de folder van het Instituut door de Arbo-dienst tezamen met de uitnodiging voor de keuring naar de werknemer wordt gestuurd.

5 Overwegingen van de Commissie

5.1 Vaststaat dat de onderhavige “intredekeuring”, waarbij behoort de in geding zijnde vragenlijst, een keuring is in de zin van de WMK: er worden vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de keurling en er wordt medisch onderzoek verricht in verband met het aangaan van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding, zoals bepaald in artikel 1, onderdeel a, 1e , van de WMK.

5.2 Gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995 (4) moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager (werkgever) enerzijds en de keurend arts (de Arbo-dienst) anderzijds. Een keurend arts kan zich, ingeval hij werkzaam is voor een (externe) Arbo-dienst niet aan zijn verantwoordelijkheden onttrekken onder verwijzing naar afspraken gemaakt tussen de keuringvrager (werkgever) en zijn Arbo-dienst. Ook heeft de keurend arts op grond van overige wetgeving, zoals de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), een eigen persoonlijke professionele verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd zijn ook Arbo-diensten, onder andere om in aanmerking te komen voor (verlenging van) certificering, gehouden de regels van de WMK na te leven en is het hen niet toegestaan om overeenkomsten met werkgevers aan te gaan die hiermee in strijd zijn.

5.3 De werkgever is volgens de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen verantwoordelijk voor de schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de betreffende functie, voor de vastlegging daarvan in keuringsrichtlijnen door de Arbodienst en voor de procedure van de aanstellingskeuring. Nu de werkgever - hoewel op gepaste wijze opgeroepen - zelf niet op de hoorzitting is verschenen, kan de Commissie haar oordeel met betrekking tot deze punten, naast hetgeen uit de overgelegde bescheiden van Arbouw blijkt, uitsluitend baseren op hetgeen door de getuige deskundige ter zake is verklaard.

5.4 Het woord “intredekeuring” wordt gebruikt in de hierboven onder 3.5 tot en met 3.8 weergegeven CAO Bouw. Deze term wordt blijkens de introductie bij de beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid (3.19) gebruikt om aan te geven dat een sollicitant moet worden gekeurd voor intrede in de bedrijfstak. De Commissie is van oordeel dat deze term naast de wettelijke term “aanstellingskeuring” in de WMK, niet alleen verwarrend is, maar ook, zoals hieronder nader wordt overwogen, inhoudelijk in strijd is met de WMK. Ten overvloede zij hier opgemerkt dat ingeval van strijd tussen de voorschriften van de WMK en bepalingen in de CAO, de eerste regels prevaleren, tenzij de CAO een hoger beschermingsniveau biedt aan keurlingen dan de WMK. Nu hiervan in het onderhavige geval geen sprake is, dienen de WMKbepalingen te worden nageleefd. Een werkgever, een Arbodienst en een individuele bedrijfsarts hebben in dezen een eigen verantwoordelijkheid.

5.5 Blijkens artikel 46a, eerste lid, van de CAO Bouw, is de intredekeuring verplicht voor de werknemer die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of (indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is) in de werkplaats.

5.6 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

5.7 Uit dit laatste volgt dat alleen de aanwezigheid van functie-eisen – belastingen die als functie eis aan de desbetreffende functie zijn gekoppeld – een rechtvaardiging kan vormen voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring, en dat de risico’s, die met de functie samenhangen, door de werkgever door middel van preventieve maatregelen dienen te worden voorkomen. Naar het oordeel van de Commissie is artikel 46a, eerste lid, CAO Bouw, derhalve in strijd met de WMK.

5.8 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WMK en artikel 3, tweede lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, legt de keuringvrager (werkgever) de functie eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vast, nadat de keuringvrager (werkgever) daarover en over de rechtmatigheid van de keuring schriftelijk advies heeft gevraagd aan een Arbo-dienst.

5.9 Uit de overgelegde bescheiden en de verklaring op de hoorzitting blijkt dat de werkgever zich beroept op de samenwerkingsovereenkomst met het Instituut, welke stichting aan TNO Preventie en Gezondheid opdracht heeft gegeven de functie eisen te omschrijven en beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid te geven.

5.10 Voorzover de werkgever met zijn betoog bedoelt dat hij zich heeft te conformeren aan deze richtlijnen, is de Commissie van oordeel dat de werkgever zich niet kan onttrekken aan de eigen verantwoordelijkheid op grond van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen en dat de werkgever derhalve verplicht is de “intredekeuring” te toetsen aan de voorschriften van de WMK. Door dit niet te doen handelt de werkgever in strijd met de WMK.

5.11 Wat betreft de procedure van de keuring overweegt de Commissie als volgt. Niet is gebleken dat de werkgever informatie geeft over de keuringsprocedure aan aspirant leerlingen (keurlingen). In artikel 8, tweede lid, van de WMK wordt bepaald dat (de keuringvrager/werkgever) tijdig voor de aanvang van de keuring aan de keurling (aspirant werknemer) op begrijpelijke wijze schriftelijk informatie geeft over doel, vragen en onderzoeken als bedoeld in het eerste lid, hierboven genoemd onder 5.8, en over diens rechten, zoals het recht op herkeuring. Nu de werkgever zich aan deze taak onttrekt en deze overlaat aan de Arbo-dienst handelt hij in strijd met de WMK.

5.12 Gelet op vorenstaande overwegingen, is de werkgever verantwoordelijk voor een adequate informatie over de keuring en derhalve ook voor de inhoud van de folder. In de folder, uitgegeven door het Instituut, waarvan de tekst is weergegeven onder 3.13, wordt de terminologie van de CAO Bouw gebruikt, welke, zoals hierboven is overwogen, op een aantal punten verwarrend is en in strijd met de WMK. Ook hetgeen in de folder staat geschreven omtrent het mededelen van de uitslag van de keuring aan de werkgever is in strijd met artikel 10 van de WMK juncto artikel 7:464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 2.5.4 van het Protocol Aanstellingskeuringen, op grond waarvan de rapportage aan de keuringvrager (werkgever) alleen kan plaatsvinden na toestemming van de keurling. Voorts is het gestelde in de folder omtrent het gebruik van de medische gegevens in strijd met artikel 7:464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 2.5.5 van het Protocol Aanstellingskeuringen, indien niet tot aanstelling wordt overgegaan.

5.13 Tenslotte merkt de Commissie met betrekking tot het verstrekken van de Basisvragenlijst PAGO Bouw op dat, in tegenstelling tot de procedure bij de werkgever, blijkens de tekst van de folder, genoemd onder 3.10, de vragenlijst wordt verstrekt door de keurende Arbo-dienst, hetgeen naar het oordeel van de Commissie de juiste procedure is.

6 Oordeel van de Commissie

De werkgever handelt in strijd met
- artikel 4, eerste lid, van de WMK, en artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen;
- artikel 8, eerste en tweede lid, van de WMK.

7 Aanbevelingen

Op grond van vorenstaand oordeel doet de Commissie op grond van de WMK de volgende aanbevelingen ten aanzien van de werkgever:
• De werkgever wordt dringend geadviseerd de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de diverse functies, waarvoor een arbeidsrechtelijke verhouding wordt aangegaan, schriftelijk vast te leggen conform de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.
• Alvorens de eisen vast te leggen, wordt de werkgever opgeroepen het schriftelijk advies te vragen van een gecertificeerde Arbo-dienst over deze eisen op het punt van medische geschiktheid, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, en over de rechtmatigheid van de keuring.
• Ingeval mocht blijken dat het uitvoeren van een aanstellingskeuring voor bepaalde functies is gerechtvaardigd, wordt de werkgever erop gewezen dat hij is gehouden om tijdige adequate informatie te geven aan de toekomstig werknemer over de keuring, en ervoor te zorgen dat de tekst in de folder hiermee in overeenstemming is en ook anderszins voldoet aan de WMK.
De Commissie doet voorts de volgende algemene aanbeveling:
• De CAO Bouw wat betreft de keuringen en de daarvan afgeleide richtlijnen herzien met toepassing van de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen. 


  1. Nieuwsbrief 20, 29 juni 2001, Arbouw
  2. Derde editie, Amsterdam, april 1999, TNO Preventie en Gezondheid, in opdracht van Arbouw 
  3. Tweede editie, Amsterdam, maart 1997, TNO Preventie en Gezondheid, in opdracht van Arbouw. 
  4. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Staatsblad 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Staatsblad 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en van het Besluit aanstellingskeuringen.