Oordeel 2003-07

Arbo-dienst gebruikt bij keuring aspirant leerling in de bouw vragenlijst over de gezondheid, die te uitgebreid en te ongericht is.

De Commissie stelt op grond van signalen een eigen onderzoek in naar naleving WMK in de bouw.
CAO bouw bepaalt, dat de Arbo-dienst een verplichte intredekeuring doet bij diegenen, die voor het eerst in de bouw gaan werken. De intredekeuring bestaat uit een algemene vragenlijst over de gezondheid en een medische keuring.
Arbo-dienst stelt, dat brancheafspraken, zoals bij de CAO, vóór de WMK gaan.
Er is geen risico inventarisatie per functie, want de bouwplaats is een risico voor iedereen, die daar werkt. De vragenlijst voldoet niet aan de WMK, maar wordt per individu bekeken en beoordeeld. Daarvoor bestaan bij de Arbo-dienst geen richtlijnen. Er is geen informatie voor de keurling. Medische gegevens worden bewaard als nulmeting.
De Commissie overweegt, dat een intredekeuring een keuring is volgens de WMK. Keurend arts heeft voor de keuring een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot werkgever en keurling. Arbo-diensten moeten de regels WMK naleven en hebben een eigen verantwoordelijkheid. Alleen de aanwezigheid van functie-eisen rechtvaardigt een aanstellingskeuring. Risico s, die met een functie samenhangen dienen door preventieve maatregelen te worden voorkomen. Ingeval van strijd tussen CAO en WMK, gaat de WMK voor, tenzij de CAO een hoger beschermingsniveau biedt. De vragenlijst is te uitgebreid en te ongericht. De WMK ziet op een specifieke keuring voor een specifieke functie. De Keurling heeft recht op een onafhankelijke keuring. Zonder toestemming keurling mogen medische gegevens niet worden bewaard en mag keurend arts geen inlichtingen verstrekken aan derden.


Oordeel 2003-07

2 december 2003

1 Het signaal

1.1 Op 26 juni 2003 heeft de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna te noemen: Commissie) een klacht ontvangen over de verstrekking van een vragenlijst door een opleidingsbedrijf in Amsterdam (hierna te noemen: werkgever) aan een aspirant leerling ten behoeve van een door een Arbodienst (hierna te noemen: Arbo-dienst) te verrichten keuring. Volgens de aspirant leerling werd aldus gehandeld in strijd met de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK).

1.2 De Commissie heeft de klacht niet in behandeling genomen, omdat klager geen belang (meer) had bij zijn klacht.

1.3 De Commissie heeft op grond van de signalen uit de bij de klacht overgelegde bescheiden besloten een eigen onderzoek in te stellen om te bezien of de WMK in de gegeven context juist werd nageleefd.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft schriftelijke informatie gevraagd bij de werkgever, de Arbo-dienst en het kennis- en service instituut voor het verbeteren van arbeidsomstandigheden in de bouwnijverheid (hierna te noemen: het Instituut).

2.2 Vervolgens zijn de werkgever en de Arbo-dienst in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 16 oktober 2003.

2.5 Tegen de werkgever is een apart oordeel uitgebracht.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gebleken staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

Relatie werkgever, Arbo-dienst, het Instituut

3.1 De werkgever is een opleidingsbedrijf voor de bouw. De werkgever is opgericht door de Vereniging Amsterdamse Bouwbedrijven (VAB). De werkgever is lid van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid en is aangesloten bij het Instituut.

3.2 De werkgever heeft een overeenkomst met de Arbo-dienst, waarbij onder meer is bepaald dat
de Arbo-dienst de ingevolge de CAO Bouw verplichte intredekeuring uitvoert.

3.3 De Arbo-dienst is een gecertificeerde Arbo-dienst en heeft een samenwerkingsovereenkomst met het Instituut.

Arbeidsverhouding en CAO Bouw

3.4 Leerlingen die de opleiding volgen bij de werkgever krijgen een burgerrechtelijke arbeidsverhouding aangeboden voor vier dagen per week, terwijl één dag in de week naar school wordt gegaan. Er wordt gewerkt in de bouw bij één van de bij de VAB aangesloten bouwbedrijven of in de werkplaats van de werkgever.

3.5 Op de arbeidsverhouding is de CAO Bouw van toepassing.

3.6 Hoofdstuk 17 van genoemde CAO betreft de arbeidsomstandigheden. Artikel 46 – (………….) (hoofdstuk 17 CAO Bouw 2002-2004) luidt: “1. De werkgevers- en werknemersorganisaties zijn van mening dat de (……….) van groot belang is voor de bedrijfstak. Partijen zullen de (………….) medewerking verlenen bij de uitvoering van haar taak.
2. Alle werknemers en werkgevers in de bouw hebben recht op de door de (………….), al dan niet door middel van derden, te verlenen voorlichting, informatie en onderzoek op het gebied van de veiligheid en de gezondheid in de bedrijfstak. 3. Alle werknemers in de bouw hebben recht op het door de (………….) vastgestelde, individu-gerichte pakket preventiezorg. Aan dit pakket wordt uitvoering gegeven door gecertificeerde arbodiensten die voldoen aan door de (………..) te stellen kwaliteitseisen. Voor de inhoud van het individu-gerichte pakket preventiezorg wordt verwezen naar bijlage 9 bij deze CAO.”

3.7 Bijlage 9 (CAO Bouw 2002-2004) luidt – voorzover van belang als volgt: “(……..)
Het pakket individu-gerichte preventiezorg, als bedoeld in artikel 46 lid 3 omvat:
• Een intredekeuring, als bedoeld in artikel 46a. De intredekeuring is een functiegericht onderzoek, waarbij zorgvuldige afweging plaatsvindt van de belasting van het werk en de belastbaarheid van de werknemer. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bouwspecifieke beoordelingsrichtlijnen “Arbeidsgeschiktheid” van de (………….).
• Het Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek voor Jongeren op vrijwillige basis, een jaar na intrede in de bedrijfstak (…)
• Het Periodiek Arbeids Gezondheidskundig Onderzoek (….)
• Een Arbo-spreekuur (….)
• Vervolgactiviteiten (…)
De activiteiten in het kader van het individugerichte pakket preventiezorg worden uitgevoerd door gecertificeerde arbodiensten, die voldoen aan door de (…………..) vastgestelde kwaliteitseisen. De arbodiensten zijn verplicht de door hen verzamelde werknemersgegevens door te geven aan de Stichting Arbouw op een wijze die door de (………..) is voorgeschreven. Voornoemde activiteiten worden door de (………….) aan de arbodienst vergoed op basis van contractuele afspraken. Op basis van een experiment kan de werkgever vanaf 1 januari 2000 onder strikte voorwaarden afspraken maken met de arbodienst over de uitvoering van het hierboven omschreven pakket individugerichte preventiezorg. Voor de uitvoering van dit pakket verstrekt de (………..) een vergoeding aan de werkgever. De (……….) zal deze regeling voorbereiden. Na 2 jaar zal de regeling worden geëvalueerd. (…………………………………….)”.

Keuring en CAO Bouw

3.8 Artikel 46a – Verplichte intredekeuring (hoofdstuk 17 CAO Bouwbedrijf 2002-2004) luidt – voorzover van belang -
“1. Het is de werkgever en de werknemer, die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of (indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is) in de werkplaats, verboden in de hieronder sub a., b. en c. genoemde situaties, een arbeidsovereenkomst schriftelijk aan te gaan, indien niet gelijktijdig, met gebruikmaking van het in aanhangsel F.b. van deze CAO opgenomen modelformulier, de uitslag van de in lid 3 genoemde intredekeuring uitwijst dat de werknemer geschikt is voor de beoogde functie. De verplichte intredekeuring geldt indien:
a. een werknemer voor het eerst werknemer wordt in de zin van deze CAO; 
b. een werknemer, na een eerder dienstverband bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een periode van drie jaar geen dienstverband heeft gehad bij een werkgever in de zin van deze CAO;
c. een werknemer, al dan niet met formeel behoud van dienstverband bij een werkgever in de zin van deze CAO, gedurende een aaneengesloten periode van langer dan drie jaar, feitelijk geen werkzaamheden heeft verricht.
2. (……..)
3. De in lid 1. bedoelde intredekeuring dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerde arbodienst die voldoet aan de door de (……………..) te stellen kwaliteitseisen. De uitslag van de keuring luidt: geschikt, geschikt onder voorwaarden of ongeschikt. Deze uitslag dient aan de werknemer en de werkgever bekend gemaakt te worden.
4. (………….)
5. Indien de werkgever niet overgaat tot aanstelling van een voorwaardelijk geschikt verklaarde zal hij dit melden bij de Commissie Arbeidsmarkt Bouwnijverheid in de regio.
6. Indien de werknemer het op gefundeerde gronden niet eens is met de keuringsuitslag, kan hij de (……….) verzoeken om een herkeuring te laten uitvoeren.”

De procedure van de keuring

3.9 De inhoud van de verplichte intredekeuring is door het Instituut in samenwerking met de bij het Instituut aangesloten Arbo-diensten vastgesteld. De procedure is vastgelegd in “De Uitvoeringsprocedures voor het Individugerichte pakket Preventiezorg” (hierna te noemen: Uitvoeringsprocedures), en zijn opgenomen in het “Instrumentarium Bedrijfsartsen (2003)”.

3.10 Hoofdstuk 2 van de Uitvoeringsprocedures luidt: Intredekeuring, intrede-onderzoek, aanstellingskeuring. De tekst hiervan luidt – voorzover van belang – als volgt: “Op 1 januari 1998 is de Wet op de medische keuringen ingevoerd. Deze wet geeft regels tot versterking van de rechtspositie van hen die een medische keuring moeten ondergaan. Slechts voor die beroepen waaraan op het punt van de medische geschiktheid bijzondere eisen moeten worden gesteld, mogen keuringen worden verricht met het oog op het aangaan van een arbeidsrechtelijke verhouding. In de bouwnijverheid is onderscheid gemaakt tussen de bij CAO verplichte intredekeuring (IK), een vrijwillig intrede-onderzoek (IO) en een aanstellingskeuring. De verplichte intredekeuring geldt voor de werknemer die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats of – indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is – in de werkplaats. Voorwaarde is dat degene nog niet eerder in de bouw werkzaam is geweest of er langer dan 3 jaar uit is geweest. Naast de werknemer ontvangt de beoogde werkgever de uitslag in de vorm van geschikt, ongeschikt, of geschikt onder voorwaarden. Het vrijwillige intrede-onderzoek is bestemd voor degene die voor het eerst in de bedrijfstak gaat werken of er langer dan 3 jaar uit is geweest en voor wie geen verplichte intredekeuring geldt of die door omstandigheden geen verplichte intredekeuring heeft ondergaan. De werknemer ontvangt een gericht advies. De werkgever ontvangt van dit onderzoek geen uitslag. Zowel de verplichte intredekeuring als het vrijwillige intrede-onderzoek worden aan de arbodiensten betaald door (…………..). De aanstellingskeuring is een keuring voor iemand die al werkt in de bouw en van werkgever wisselt. Het is een onderzoek op verzoek van de werkgever. Het wordt ook betaald door de werkgever. Met de inhoud van de keuring heeft (………) geen bemoeienis en (………) ontvangt ook geen gegevens over deze keuring.” 

3.11 Kopje 2.1, Verplichte Intredekeuring, luidt – voorzover van belang – : “De toekomstige werkgever meldt de werknemer bij de arbodienst voor een IK. De werkgever wordt gevraagd de melding schriftelijk aan de arbodienst te bevestigen. In deze bevestiging verklaart de werkgever tevens dat de desbetreffende werknemer de laatste drie jaar niet in de bedrijfstak werkzaam is geweest. (………….) De werknemer ontvangt vervolgens de vragenlijst IK, met het verzoek deze lijst ingevuld mee te nemen naar de arbodienst wanneer hij wordt gekeurd. (…..) Tevens wordt de (…..)folder ‘Verplichte Intredekeuring’ ingesloten. De arbodiensten geven hoge prioriteit aan de uitvoering van de IK, aangezien voor werkgevers de CAO-verplichting geldt, dat werknemers vóór feitelijke tewerkstelling zijn gekeurd. De arbodiensten zullen dan ook ernaar streven binnen 7 dagen na de eerste melding de werkgever in het bezit van de keuringsuitslag te stellen. Naast de werkgever ontvangt ook de werknemer de keuringsuitslag. (……..)”

3.12 Kopje 2.1.3, Herkeuring, luidt – voorzover van belang:
“Indien een werknemer moet worden gekeurd, worden de werkgever en de werknemer daarvan in kennis gesteld. Daarbij wordt aangegeven op welke datum de werknemer voor herkeuring wordt verwacht. De werkgever en de werknemer ontvangen uiterlijk een week na de herkeuring de uitslag. De herkeuring IK heeft de vorm van een arbeidsgezondheidskundig spreekuur, waarbij de bedrijfsarts zich baseert op de reeds beschikbare gegevens. Indien geïndiceerd wordt de reguliere biometrie herhaald of uitgebreid biometrisch onderzoek uitgevoerd.”

3.13 De toekomstig werknemer ontvangt van de arbodienst die de keuring zal uitvoeren de onder 3.11 genoemde folder. De inhoud van deze folder luidt – voorzover van belang – als volgt: “(…………………………………) Daarom is in de CAO, die voor u van toepassing wordt, vastgelegd dat voor bepaalde groepen nieuwe werknemers een intredekeuring verplicht is. (……………) De keuring is verplicht indien:
• u voor het eerst in de bouw gaat werken of;
• u langer dan drie jaar feitelijk geen werkzaamheden in de bouwnijverheid hebt uitgevoerd. Wel is het zo, dat u dan ook
• regelmatig uitvoerend werk op de bouwplaats moet gaan verrichten of;
• in de werkplaats moet gaan werken, waarbij u te maken krijgt met zwaar lichamelijk werk of werk dat gevaar voor anderen met zich meebrengt. Als het bovenstaande niet op u van toepassing is, hoeft u niet te worden gekeurd. Het is dan zelfs wettelijk verboden. (…………………………..) Bij de uitnodiging van de arbodienst zit een vragenlijst over uw gezondheid. Het is de bedoeling dat u deze lijst thuis volledig invult en meeneemt naar het onderzoek. (……………..) De uitslag krijgt u direct mee en wordt ook naar uw toekomstige werkgever gestuurd. (…………) Als u het niet eens bent met de uitslag van de keuring dan kunt u bij Arbouw een herkeuring aanvragen. (………………………) Uw gegevens worden gebruikt door de arbodienst en door (………..). (…………………………..) De arbodienst en (………..) houden zich natuurlijk aan het privacy-reglement voor de verzameling, de opslag en het gebruik van uw gegevens. In dit privacy-reglement is onder andere ook geregeld dat u recht hebt om deze gegevens in te zien. (………………………………).”

De vragenlijst en de keuring

3.14 Bij de verplichte intredekeuring kan gebruik gemaakt worden van deel A.

Gezondheidstoestand van de Basisvragenlijst PAGO Bouw (1). De inhoud van de Vragenlijst is opgesteld door het Instituut in samenwerking met de bij het Instituut aangesloten Arbodiensten.

3.15 De Vragenlijst staat in de Handleiding “Vragenlijsten Periodiek Arbeidgezondheidskundig Onderzoek (PAGO) voor de Bouwnijverheid, een Handleiding voor bedrijfsartsen” van het Instituut en is per 1 juli 2001 ingevoerd.

3.16 De Handleiding is bedoelt om bedrijfsartsen, werkzaam voor de bouwnijverheid, een toelichting te geven op het gebruik van de vragenlijsten in het kader van de uitvoering van het PAGO in de Bouwnijverheid.

3.17 De vragenlijsten vormen met andere registratielijsten een belangrijk onderdeel van het kwaliteitsproject, gericht op het vergroten van de omvang en het verbeteren van de kwaliteit van dienstverlening.

Beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid

3.18 De medische geschiktheids eisen zijn in opdracht van het Instituut vastgelegd in de “Beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid, Handleiding met functie-eisen en belastbaarheidsbeperkingen voor beroepsgroepen in de bouwnijverheid”. (2)

3.19 In hoofdstuk 1, Introductie, staat onder het kopje “De aanstellingskeuring in het algemeen en de intredekeuring in het bijzonder” - voorzover van belang - : “De meeste CAO’s in de bouwnijverheid kennen de verplichte medische intredekeuring (IK). Deze term wordt in de bedrijfstak gebruikt om aan te geven dat een sollicitant gekeurd moet worden voor (hernieuwde) intrede in de bedrijfstak. Krachtens deze regeling dient de keurende bedrijfsarts op basis van het medisch onderzoek aan de eerste werkgever mee te delen of de kandidaat medisch gezien ‘geschikt’, ‘ongeschikt’ of ‘geschikt onder voorwaarden’ is. Bij een eventuele verandering van werkgever binnen de bedrijfstak behoeft niet opnieuw een medische keuring plaats te vinden. De IK is naar inhoud en doelstelling dus niet anders dan een specifieke vorm van een aanstellingskeuring (AK). In geval van een AK verzoekt de werkgever – voorafgaand aan indiensttreding – de arbodienst immers eveneens om een mededeling over de geschiktheid van de werknemer voor de boogde functie. Daarbij gaat het dan echter niet om een hem opgelegde CAO-verplichting of de specifieke situatie van een nieuwe intrede in de bedrijfstak. Na de invoering van de Wet op de medische keuringen op 1 januari 1998 mag nog slechts een IK of AK worden uitgevoerd indien er sprake is van specifieke beroepsrisico’s. Gezien de risico’s, die het werken in de bedrijfstak met zich meebrengt, is een dergelijke keuring toegestaan, indien de werknemer in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden zal verrichten op de bouwplaats dan wel op de werkplaats/werf van het bedrijf. Indien aan bovengenoemd criterium niet wordt voldaan – bijvoorbeeld in geval van technisch of administratief personeel – kan geen IK of AK worden uitgevoerd, maar komt de werknemer wel in aanmerking voor een vrijwillig Intrede-onderzoek. Voorwaarde voor de uitvoering van een IK of AK is voorts een functiespecifieke beoordeling van de arbeidsgeschiktheid op basis van een zorgvuldige afweging tussen de belastbaarheid van de werknemer en de belasting die de uitoefening van het beroep met zich meebrengt.”

Onder het kopje “Ontwikkeling van de Beoordelingsrichtlijnen” wordt ter informatie over de gehanteerde methodiek gerefereerd aan het rapport “Beoordelingsrichtlijnen voor arbeidsgeschiktheid: Achtergrond en onderbouwing van de functie-eisen en belastbaarheids beperkingen voor 67 beroepen in de bouwnijverheid” (3).

4 De standpunten van de Arbo-dienst

4.1 Bij de uitvoering van de keuring toetst de Arbo-dienst weliswaar aan de voorschriften van de WMK, maar branche-afspraken, zoals de CAO bouw, gaan boven de WMK. De brancheafspraken zijn immers kwaliteitsafspraken met het Instituut in het kader van het preventiepakket. Dit preventiepakket is in de loop der jaren ontwikkeld.

4.2 De bouwplaats vormt een risico voor iedereen die daar werkt. Daarom wordt er geen risico inventarisatie gemaakt per functie.

4.3 De betreffende vragenlijst wordt in overleg met het Instituut, naast de andere keuringen, ook gebruikt voor het intrede-onderzoek. De Arbo-dienst is er zich van bewust dat de vragenlijst niet voldoet aan de voorschriften van de WMK. De vragenlijst wordt daarom bij de intredekeuring door bij en voor hem werkende bedrijfsartsen per individu bekeken en beoordeeld. Daarvoor bestaan bij de Arbo-dienst geen richtlijnen en ook geen informatie voor de keurling.

4.4 Het is de bij de zitting aanwezige vertegenwoordigers van de Arbo-dienst niet bekend hoe vaak de functie eisen worden aangepast aan de nieuwste medische inzichten, omdat dit een taak van het Instituut is.

4.5 De uitslag van de keuring wordt, anders dan staat vermeld in de richtlijnen van het Instituut, eerst bekend gemaakt aan de werknemer en bij de uitslag “ongeschikt voor de functie” wordt aan de werknemer gevraagd of de uitslag mag worden meegedeeld aan de werkgever.

4.6 De werknemer kan een herkeuring aanvragen hetzij bij de Arbo-dienst zelf hetzij bij het Instituut, die vervolgens een andere bij het Instituut aangesloten Arbo-dienst aanwijst.

4.7 De medische gegevens worden alleen bewaard als nulmeting voor de volgende PAGO onderzoeken.

5 Overwegingen van de Commissie

5.1 Vaststaat dat de onderhavige “intredekeuring”, waarvan de in geding zijnde vragenlijst onderdeel uitmaakt, een keuring is in de zin van de WMK: er worden vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de keurling en er wordt medisch onderzoek verricht in verband met het aangaan van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding, zoals bepaald in artikel 1, onderdeel a, onder 1e , van de WMK.

5.2 Gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995 (4) moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager (werkgever) enerzijds en de keurend arts (de Arbo-dienst) anderzijds. Een keurend arts kan zich, ingeval hij werkzaam is voor een (externe) Arbo-dienst niet aan zijn verantwoordelijkheden onttrekken onder verwijzing naar afspraken gemaakt tussen de keuringvrager (werkgever) en zijn Arbo-dienst. Ook heeft de keurend arts op grond van overige wetgeving, zoals de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), een eigen persoonlijke professionele verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd zijn ook Arbo-diensten, onder andere om in aanmerking te komen voor (verlenging van) certificering, gehouden de regels van de WMK na te leven en is het hen niet toegestaan om overeenkomsten met werkgevers aan te gaan die hiermee in strijd zijn.

5.3 Het betoog van de Arbo-dienst en de ter zitting aanwezige voor hem werkzame bedrijfsarts komt erop neer dat zij wegens de overeenkomst met de werkgever en de samenwerkingsovereenkomst met het Instituut gebonden is aan de keuringsprocedure en richtlijnen, opgenomen in het individugerichte pakket preventiezorg van het Instituut en dat deze richtlijnen, gebaseerd op de CAO Bouw, daar waar nodig prevaleren boven de WMK.

5.4 De Commissie is echter, mede gelet op de doelstelling van de WMK en de uitgangspunten van het door de rijksoverheid voorgestane beleid bij de totstandkoming van de WMK, van oordeel dat de Arbo-dienst en de aldaar werkzame bedrijfsartsen een eigen verantwoordelijkheid hebben in relatie tot de keurling en in relatie tot de werkgever. Ook het Protocol Aanstellingskeuringen gaat uit van de eigen verantwoordelijkheid van de keurend arts voor een adequate uitvoering van de keuring.

5.5 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

5.6 Uit dit laatste volgt dat alleen de aanwezigheid van functie-eisen – belastingen die als functie eis aan de desbetreffende functie zijn gekoppeld – een rechtvaardiging kan vormen voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring, en dat de risico’s, die met de functie samenhangen, door de werkgever door middel van preventieve maatregelen dienen te worden voorkomen.

5.7 Blijkens artikel 46a, eerste lid, van de CAO Bouw, is de intredekeuring verplicht voor de werknemer die in het kader van de beoogde functie regelmatig uitvoerende werkzaamheden verricht op de bouwplaats of (indien het werk zware lichamelijke arbeid met zich meebrengt en/of de veiligheid van derden in het geding is) in de werkplaats. Naar het oordeel van de Commissie is een dergelijke keuring, gelet op vorenstaande overweging, in strijd met de WMK. De Commissie wijst er op dat ingeval van strijd tussen de voorschriften van de WMK en bepalingen in de CAO, de eerste regels prevaleren, tenzij de CAO een hoger beschermingsniveau biedt aan keurlingen dan de WMK. Nu hiervan in het onderhavige geval geen sprake is, dienen de WMK-bepalingen te worden nageleefd. Een werkgever, een Arbo-dienst en een individuele bedrijfsarts hebben in dezen een eigen verantwoordelijkheid.

5.8 Gelet op deze eigen verantwoordelijkheid van de Arbo-dienst en de aldaar werkzame bedrijfsartsen ligt het in de rede dat de Arbo-dienst , mede gelet op de bij de WMK beoogde rechtsbescherming van de keurling, als keurend arts en adviseur van de werkgever , als werkgever van de aldaar werkzame bedrijfsartsen en in het kader van de samenwerkingsovereenkomst met het Instituut aandringt op het aanpassen van de formulering van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid. Tegelijkertijd rust op individuele bedrijfsartsen van de Arbo-dienst de professionele plicht om geen medewerking te verlenen aan aanstellingskeuringen die niet voldoen aan de daaraan door wet- en regelgeving gestelde eisen. Afwezigheid van kennis hieromtrent, zoals de Commissie ter zitting bij de aanwezige bedrijfsarts heeft moeten constateren, vormt geen rechtvaardiging om van deze regels af te wijken en kan de betrokken bedrijfsarts worden aangerekend.

5.9 De specifieke taak van de Arbo-dienst in deze wordt geëxpliceerd in de toelichting bij het in 5.5 genoemd artikel 3 van het Besluit Aanstellingskeuringen, waarin staat dat de Arbo-dienst bij uitstek geschikt is om te adviseren omtrent de inhoud van de keuring. De Arbo-dienst bezit, volgens genoemde toelichting, de benodigde deskundigheid om de functie eisen in criteria van medische geschiktheid te vertalen, voor de beantwoording van de vraag of de eisen mogelijk overbodig zijn, omdat aan de uitvoering van de arbeid verbonden risico’s kunnen worden weggenomen of gereduceerd kunnen worden, en om te bezien of er valide medische onderzoeksmethoden beschikbaar zijn om daarmee de geschiktheid vast te stellen.

5.10 De stelling van de Arbo-dienst dat er in de praktijk op een aantal punten wordt afgeweken van de Uitvoeringsprocedures en richtlijnen van het Instituut en dat de Basisvragenlijst PAGO Bouw per individu en functie wordt beoordeeld, doet aan hetgeen hierboven is overwogen niet af, temeer nu is gebleken dat daarvoor bij de Arbo-dienst geen richtlijnen zijn en de keurling daarover niet kan worden geïnformeerd. De Commissie kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de handelwijze van de Arbo-dienst tot willekeur zou kunnen leiden.

5.11 Wat betreft de Basisvragenlijst PAGO Bouw is de Commissie van oordeel dat deze vragenlijst te uitgebreid en te ongericht is, terwijl de WMK juist ziet op een specifieke keuring ter beoordeling van de medische geschiktheid voor een specifieke functie. Daarom kunnen, naar het oordeel van de Commissie, dergelijke vragenlijsten niet op routinematige wijze worden gebruikt bij aanstellingskeuringen. Ingevolge artikel 2.3.7 van het Protocol Aanstellingskeuringen moeten de te stellen vragen immers aantoonbaar relevant zijn voor de aanstellingskeuring en moeten nodig zijn om informatie te verkrijgen over de huidige belastbaarheid ten opzichte van de belasting door de functie.

5.12 Volgens artikel 46a, onderdeel 6, hierboven weergegeven onder 3.8, kan de werknemer het Instituut verzoeken om een herkeuring. In de Uitvoeringsprocedures staat onder kopje 2.1.3, hierboven vermeld onder 3.12, dat de herkeuring IK de vorm heeft van een arbeidsgezondheidskundig spreekuur, waarbij de bedrijfsarts zich baseert op reeds beschikbare gegevens. Naar het oordeel van de Commissie is deze procedure in strijd met de bedoeling van de WMK. De keurling heeft ingevolge artikel 12 van de WMK en artikel 2.7.2 van het Protocol Aanstellingskeuringen immers recht op een onafhankelijke keuring. Door gebruik te maken van reeds bestaande gegevens kan de onafhankelijkheid niet worden gewaarborgd. Daarbij komt dat bij de aanstellingskeuring op de relatie keurling – keurend arts de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) van toepassing is, op grond waarvan de keurend arts zonder gerichte toestemming van de keurling geen inlichtingen aan derden over de keurling mag verstrekken. Deze norm is overgenomen in artikel 2.6.2 van het Protocol Aanstellingskeuringen.

5.13 Een en ander geldt ook voor het bewaren van de medische gegevens. In de folder van het instituut staat dat de gegevens worden gebruikt door de Arbo-dienst en door het Instituut. Op grond van artikel 7:464, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, mogen deze gegevens slechts worden bewaard zolang dat noodzakelijk is in verband met het doel van het onderzoek. Deze bepaling is in artikel 2.5.5 van het Protocol Aanstellingskeuringen aldus uitgewerkt dat het medisch dossier betreffende de aanstellingskeuring dient te worden vernietigd, indien niet tot aanstelling wordt overgegaan . Volgens de toelichting bij dit artikel mogen gegevens, indien wel tot aanstelling wordt overgegaan, na toestemming van de keurling ter beschikking worden gesteld van de bedrijfsarts als nulmeting in het kader van de bedrijfsgeneeskundige begeleiding.

5.14 Gelet op vorenstaande is de Commissie van oordeel dat de Arbo-dienst door de Uitvoeringsprocedures van het Instituut te volgen handelt in strijd met artikelen 2, 4, eerste lid, en 12 van de Wet op de medische keuringen en artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen. De Commissie oordeelt voorts dat ook de voor de Arbo-dienst werkzame bedrijfsartsen die onder de gegeven omstandigheden medewerking verlenen aan de uitvoering van een aanstellingskeuring in strijd handelen met de WMK en hierop individueel in rechte kunnen worden aangesproken.

6 Oordeel van de Commissie

De Arbo-dienst , inclusief de daar werkzame artsen, handelen in strijd met
- artikel 4, eerste lid, van de WMK, en artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen;
- artikel 2 van de WMK;
- artikel 12 van de WMK.

7 Aanbeveling

Op grond van vorenstaande overwegingen en oordeel doet de Commissie de volgende aanbevelingen:
• Met onmiddellijke ingang samen met de werkgever keuringseisen opstellen conform de WMK.
• Vervolgens een keuringsprotocol opstellen, waarin uitsluitend specifieke vragen worden gesteld en onderzoeken worden gedaan die direct samenhangen met de medische geschiktheidseisen.
• Bij bovenstaande met betrekking tot de eigen professionele verantwoordelijkheid van de bedrijfsartsen de desbetreffende bepalingen van de Wet BIG en de WGBO te betrekken.
• Met betrekking tot het door de Commissie opgemerkte onder 5.13 wat betreft het bewaren van medische gegevens daarbij het bepaalde in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en in de WGBO in aanmerking te nemen.


  1. Nieuwsbrief 20, 29 juni 2001, Arbouw 
  2. Derde editie, Amsterdam, april 1999, TNO Preventie en Gezondheid, in opdracht van Arbouw 
  3. Tweede editie, Amsterdam, maart 1997, TNO Preventie en Gezondheid, in opdracht van Arbouw. 
  4. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Staatsblad 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Staatsblad 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en van het Besluit aanstellingskeuringen.