Oordeel 2004-01

Uitzendbureau stelt sollicitant vragen over ziekteverzuim in het verleden, naar aanleiding van ongevraagde opmerking van vorige werkgever. Intakeprocedure wordt gelijkgesteld aan sollicitatieprocedure. Sollicitant moet zelf het initiatief nemen noodzakelijke aanpassingen bespreekbaar te maken.

Klaagster solliciteert bij uitzendbureau naar functie. Tijdens intakeprocedure vraagt uitzendbureau referenties bij vorige werkgever. Deze deelt ongevraagd mee, dat klaagster vaak ziek was. Uitzendbureau stelt klaagster vragen over ziekteverzuim in het verleden. Sollicitatieprocedure wordt beëindigd.
Klaagster stelt, dat het uitzendbureau geen vragen over ziekteverzuim in het verleden had mogen stellen.
Uitzendbureau stelt, dat vorige werkgever ongevraagd klaagsters ziekteverzuim aan de orde heeft gesteld. Uitzendbureau heeft vragen over ziekteverzuim gesteld, omdat klaagster misschien lichamelijke beperkingen heeft, waarvoor aanpassingen nodig zijn. Volgens uitzendbureau zat klaagster in een intakeprocedure en was er geen sprake van zicht op een arbeidsverhouding.
De Commissie overweegt, dat een intakeprocedure gelijk gesteld kan worden aan een sollicitatieprocedure. Vragen over gezondheidstoestand mogen uitsluitend gesteld worden door keurend arts in het kader van werving en selectie. Het is aan sollicitanten zelf het initiatief te nemen de noodzaak van aanpassingen bespreekbaar te maken.


Oordeel 2004-01

Utrecht, 4 februari 2004

1 De klacht

Op 31 oktober 2003 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna te noemen: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de werkgever (hierna te noemen: verweerder) in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door aan klaagster tijdens de sollicitatieprocedure vragen te stellen over haar ziekteverzuim in het verleden, met als uiteindelijk gevolg dat de toegezegde uitlening ongedaan is gemaakt.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 22 december 2003, van welke gelegenheid door verweerder gebruik is gemaakt.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gebleken staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

3.1 Klaagster staat als werkzoekende ingeschreven bij verweerder.

3.2 Verweerder is een uitzendbureau.

3.3 Klaagster solliciteert bij verweerder naar de functie van call-center medewerkster.

3.4 Verweerder vraagt met toestemming van klaagster, in het kader van de sollicitatie, referenties wat betreft het functioneren van klaagster aan de vorige werkgever van klaagster.

3.5 De vorige werkgever deelt mee dat klaagster goed functioneerde, maar vaak ziek was.

3.6 Naar aanleiding van de mededeling van de vorige werkgever, stelt verweerder, tijdens de sollicitatieprocedure, aan klaagster vragen over haar ziekteverzuim bij de vorige werkgever.

4 De standpunten van klaagster

4.1 Er is door verweerder gehandeld in strijd met de WMK, omdat verweerder haar, tijdens de sollicitatieprocedure, vragen heeft gesteld over haar ziekteverzuim in het verleden, hetgeen ertoe heeft geleid dat de baan waarnaar zij had gesolliciteerd niet aan haar is toegekend.

4.2 Het laatste ziekteverzuim hield verband met het feit dat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst, wegens de reorganisatie bij haar vorige werkgever, niet zou worden verlengd en zij bang was dat zij, gezien haar leeftijd, niet meer aan de slag zou komen.

5 De standpunten van verweerder

5.1 Het beleid is dat bij het inwinnen van referenties niet wordt gevraagd naar het ziekteverzuim van een sollicitant in het verleden. Er worden referenties ingewonnen naar het functioneren van de sollicitant in het arbeidsproces. 

5.2 In het geval van klaagster heeft de vorige werkgever ongevraagd en nadrukkelijk het ziekteverzuim van klaagster aan de orde gesteld. Verweerder heeft vervolgens hierover vragen gesteld aan klaagster.

5.3 Deze vragen zijn gesteld, omdat het zou kunnen zijn dat klaagster bepaalde lichamelijke beperkingen heeft, die eventuele aanpassingen op het werk noodzakelijk maken. Aan sollicitanten worden bij verweerder in het algemeen dergelijke vragen gesteld.

5.4 De reden die klaagster opgaf, te weten dat haar laatste ziekteverzuim te maken had met de reorganisatie van de vorige werkgever, welke met zich bracht dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst met klaagster niet zou worden verlengd, heeft ertoe geleid dat de intakeprocedure met klaagster is beëindigd. Deze reden heeft immers te maken met de houding van klaagster binnen een arbeidsproces, hetgeen door verweerder is opgevat als een niet positieve werkhouding.

5.5 In het geval van klaagster was er geen sprake van een uitzicht op een arbeidsverhouding. Pas na het met goed gevolg doorlopen van de intakeprocedure zou klaagster worden voorgedragen aan de inlener. Deze kan dan alsnog, om voor hem moverende redenen, besluiten geen gebruik te maken van de diensten van een door verweerder voorgedragen kandidaat.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 De voorliggende kwestie betreft de vraag of het stellen van vragen aan een sollicitant over het ziekteverzuim in het verleden door de werkgever in het kader van de sollicitatieprocedure een handelen betreft dat valt onder het regime van de WMK en, zo ja, of de werkgever aldus in strijd handelt met de WMK.

6.2 Artikel 1, onder a, van de WMK bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: 1e. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt.

6.3 Vaststaat dat de functie waarnaar klaagster solliciteerde een burgerrechtelijke arbeidsverhouding betreft in de zin van bovengenoemd artikel en dat de betreffende vragen over het ziekteverzuim in het verleden zijn gesteld tijdens de sollicitatieprocedure door een werkgever.

6.4 Het feit dat de bestreden vragen zijn gesteld door een uitzendbureau in het kader van een intakeprocedure doet aan voorgaande conclusie niet af; het niet met goed gevolg doorlopen van een intakeprocedure heeft immers tot gevolg dat er geen uitzendovereenkomst tot stand komt, waarmee deze procedure kan worden gelijkgesteld aan een sollicitatieprocedure.

6.5 De in geding zijnde vragen over het ziekteverzuim in het verleden betreffen impliciet vragen over de gezondheidstoestand van de sollicitant. Vragen over de gezondheidstoestand vallen ingevolge artikel 1, onder a, van de WMK onder het begrip keuring en worden ingevolge artikel 1, onder d, van de WMK, gesteld door de keurend arts.

6.6 In artikel 4, tweede lid, WMK wordt het stellen van vragen dan wel het anderszins inwinnen van inlichtingen over de gezondheidstoestand van de keurling en diens ziekteverzuim in het verleden bij andere beoordelingen dan de medische keuring verboden.

6.6 De Commissie concludeert op grond van vorenstaande overwegingen dat verweerder, in tegenstelling tot het, blijkens het betoog van verweerder, in zijn bedrijf geldende beleid, ten opzichte van klaagster heeft gehandeld in strijd met de WMK, nu het vragen naar de gezondheidstoestand van de sollicitant in het kader van de werving en selectie op grond van vorengenoemde wetgeving en bepalingen, is voorbehouden aan de bedrijfsarts van een gecertificeerde Arbo-dienst. Het stellen van dergelijke vragen door de werkgever zelf is ingevolge de wet nooit toegestaan.

6.7 Daaraan doet niet af het betoog van verweerder dat, op grond van de mededeling van de vorige werkgever van klaagster, klaagster met bedoelde vragen in de gelegenheid is gesteld om aan te geven of zij mogelijk in verband met lichamelijke beperkingen aanpassingen op het werk nodig zou hebben. Het is immers aan sollicitanten om het initiatief te nemen of zij voor hun eigen belang bedoelde informatie willen verstrekken tijdens de sollicitatieprocedure (1). In dit verband wijst de Commissie hier ook op de per 1 december 2003 in werking getreden Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGB, h/cz (2) ). De WGB h/cz gaat er, evenals de WMK, van uit dat het initiatief om de behoefte aan een doeltreffende aanpassing aan de orde te stellen bij de sollicitant ligt.

7 Oordeel

Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onderdelen a en d, en artikel 4, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen.


  1. Oordeel CKA 2002-05: de Commissie verwijst naar de Kamerstukken II 1999/2000, Aanhangsel, p.1675. 
  2. Stb. 2003, 206