Oordeel 2004-06

Klaagster, varend op binnenvaartschip, solliciteert naar functie op zeevarend schip. Afwijzing volgt, zonder verder onderzoek, als zij meldt aan één oog blind te zijn. Klaagster stelt, dat er tegenstrijdigheden staan in het keuringsreglement. Zij voldoet met haar ziende oog wel aan de criteria. Verweerster stelt, dat er sprake is van een bevoegdheidskeuring. Klaagster is afgewezen in verband met kwetsbaarheid van haar gezichtsvermogen. De Commissie overweegt, dat er sprake is van een aanstellingskeuring volgens de WMK. Het Keuringsreglement kan getoetst worden aan de WMK. Gebleken is, dat de keuringsrichtlijnen te algemeen zijn en niet functiegericht. Volgens de WMK moet het verrichten van keuringen beperkt blijven tot een op zichzelf gerechtvaardigd doel. Het maken van een risico-inschatting van toekomstig ziekteverzuim is niet toegestaan.


Oordeel 2004-06

Utrecht, 23 juni 2004

1. De klacht

Op 16 januari 2004 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna te noemen: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de keuring in het kader van haar sollicitatie naar de functie van bemanningslid op een zeevarend schip is geschied volgens de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK). De keuring is uitgevoerd door de Inspectie Verkeer en Waterstaat, Divisie Scheepvaart (hierna te noemen: verweerder).

2 De procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Daartoe heeft de Commissie informatie ingewonnen bij verweerder en de keurend arts.

2.2 Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en daarbij bescheiden gevoegd.

2.3 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 2 april 2004, van welke gelegenheid door partijen geen gebruik is gemaakt.

3 De feiten

Blijkens de overgelegde bescheiden staat – voorzover hier van belang – het navolgende vast.

3.1 Klaagster vaart beroepsmatig op de binnenvaart. In november 2003 solliciteert zij naar de functie van bemanningslid (matroos) op een schip dat onder andere op de Oostzee vaart.

3.2 Klaagster wordt aangenomen, op voorwaarde dat zij goedgekeurd wordt ingevolge de eisen van medische geschiktheid, geregeld in het Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002,(1) (hierna te noemen: Keuringsreglement 2002).

3.3 Het Keuringsreglement 2002 is gebaseerd op het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart van 23 augustus 2001(hierna te noemen: het Besluit). Het Besluit is een algemene maatregel van bestuur ingevolge de Zeevaartbemanningswet (Zbw) (2) van 11 december 1997.

3.4 De keuring wordt uitgevoerd door een daartoe op de lijst van keuringsartsen aangewezen arts van het Medical Centre for Seamen.

3.5 Klaagster wordt op haar eigen melding dat zij aan één oog blind is zonder verder onderzoek afgekeurd.

3.6 Klaagster wint telefonisch informatie in bij de Medisch Adviseur van de Scheepvaartinspectie in Rotterdam. In dat telefoongesprek wordt haar meegedeeld dat het niet zinvol is haar door te verwijzen naar de door de Scheepvaartinspectie aangestelde oogarts, omdat zij volgens de telefonische informatie van de Medisch adviseur zonder twijfel zal worden afgekeurd.

De Zeevaartbemanningswet

3.7 Paragraaf 3 van de Zbw betreft voorschriften voor het vaarbevoegdheidsbewijs. De vaarbevoegdheden worden opgesomd in artikel 18, tweede lid, onder a tot en met f, van de Zbw. De Zbw bepaalt in artikel 19 – voor zover van belang - :
“1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
a. voor de verkrijging van de vaarbevoegdheden, genoemd in artikel 18, tweede lid, vastgesteld:
1e de beroepsvereisten;
2e de opgedane ervaring;
3e de eisen van medische geschiktheid, en (……………….). Ingevolge artikel 20, eerste lid, besluit het hoofd van de Scheepvaartinspectie tot afgifte van een vaarbewijs wanneer de aanvrager voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 19.

3.8 Hoofdstuk 4 van de Zbw geeft voorschriften ten aanzien van de monstering en medische keuring van de bemanning. Paragraaf 1 van dit hoofdstuk betreft de monstering en paragraaf 2 de medische keuring van de bemanning.

3.9 Artikel 40 van paragraaf 2 luidt – voor zover van belang -:
“1.Elk bemanningslid is in het bezit van een of meer van de in het tweede lid genoemde geldige geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, waaruit blijkt dat hij is gekeurd door een geneeskundige of medisch specialist die door Onze Minister (red.CKA: Minister van Verkeer en Waterstaat) daartoe is aangewezen, en dat hij voldoet aan de eisen van medische geschiktheid, vastgesteld krachtens artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, ten derde.
2.De in het eerste lid bedoelde geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart zijn de geneeskundige verklaringen:
a. betreffende de algemene lichamelijke geschiktheid;
b. betreffende het gezichtsorgaan, en
c. betreffende het gehoororgaan.”

Het Besluit

3.10 Hoofdstuk 6 (artikelen 104 tot en met 115) van het Besluit geeft nadere regels aangaande de medische geschiktheid van zeevarenden.

3.11 Artikel 105 luidt – voor zover van belang - :
“1. Ten behoeve van de afgifte van een (…………….) geneeskundige verklaring worden de bemanningsleden aan een daarop gericht medisch onderzoek onderworpen.
2. Een geneeskundige verklaring:
a. van algemene lichamelijk geschiktheid voor de zeevaart wordt afgegeven door een aangewezen geneeskundige;
b. betreffende het gezichtsorgaan wordt afgegeven door een aangewezen medisch specialist op het gebied van de oogheelkunde; en
c. (……………………….)
3. Indien de gekeurde gebruik wenst te maken van zijn recht om opnieuw te worden onderzocht, wordt hij onderzocht door een (………………) als scheidsrechter aangewezen geneeskundige dan wel specialist op het gebied van de oogheelkunde, (…………………..)
4. De in dit besluit bedoelde onderzoeken worden verricht door geneeskundigen of medisch specialisten die niet de behandelend arts of specialist van de onderzochte zijn.”

3.12 Artikel 108 luidt – voor zover van belang - :
“1. De geldigheid van de onderscheiden geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart vervalt na verloop van de volgende termijnen na datum van afgifte ervan:
a. de geneeskundige verklaring van algemene lichamelijke geschiktheid voor de zeevaart: één jaar;
b. de geneeskundige verklaring van geschiktheid betreffende het gezichtsorgaan: zes jaar, waarbij de geldigheid elke twee jaar wordt bevestigd;
c. (………………)

3.13 Artikel 109 luidt – voor zover van belang - :
“1. De geneeskundige kan de gekeurde tijdelijk, voorlopig of blijvend ongeschikt voor de zeevaart verklaren.
2.(………………)”

3.14 Artikel 115 luidt – voor zover van belang - :
“1. De kosten van een geneeskundig of specialistisch onderzoek of heronderzoek (………) komen voor rekening van de scheepsbeheerder of werkgever.
2. Voor zover er geen scheepsbeheerder of werkgever is aan te wijzen worden de kosten (……) gedragen door degene die opdracht heeft gegeven voor het onderzoek.
3. (…………………)
4. De kosten van een heronderzoek of een aanvullend specialistisch onderzoek (……..) worden gedragen door het Rijk, voor zover zij naar het oordeel van het hoofd van de Scheepvaartinspectie redelijkerwijs niet voor rekening van de gekeurde behoren te komen.”

Keuringsreglement 2002

3.15 Ingevolge artikel 4, Keuring van de algemene lichamelijke geschiktheid, vindt de keuring plaats met inachtneming van de keuringsaanwijzingen en overeenkomstig de medische maatstaven, opgenomen in de bij de regeling behorende Bijlage II en Bijlage III. De keuring omvat een onderzoek naar de voorheen doorgemaakte ziekten en overkomen ongevallen, de in de familie voorkomende erfelijke en chronische ziekten, een algemene beoordeling van de geestelijke gesteldheid van de keurling, alsmede een algemeen onderzoek van het lichaam.

3.16 Artikel 5, Keuring gezichts- en gehoororgaan, bepaalt – voor zover van belang -:
“ 1. De keuring (……) vindt plaats met inachtneming van de keuringsaanwijzingen en overeenkomstig de medische maatstaven XXII (…), opgenomen in de bij deze regeling behorende Bijlage II, onderscheidenlijk Bijlage III.
2.De keuring van het gezichtsorgaan omvat een anamnese en familie-anamnese, alsmede een onderzoek van het oog en gezichtsvermogen (……………….).”

3.17 Ingevolge de keuringsaanwijzingen van Bijlage II houdt het handhaven en bevorderen van de veiligheid op zee onder meer in een zorgvuldig geneeskundig onderzoek van zeevarenden op wie de Nederlandse zeevaartbemanningswetgeving van toepassing is. In het algemeen dient, volgens deze aanwijzingen, de betrokkene om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring vrij te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert en dient een zeevarende te allen tijde in staat te zijn om adequaat te handelen in geval van nood, waarbij hij niet alleen in staat moet zijn zichzelf in veiligheid te stellen, maar ook moet kunnen assisteren bij het bestrijden van brand, het lanceren van reddingmiddelen en het assisteren van medebemanningsleden en passagiers. Daarnaast mag zijn (haar) aanwezigheid aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden. De keuringsaanwijzingen besluiten met punt 10: “De geneeskundige of medisch specialist laat zich bij een beslissing tot afkeuring leiden door de navolgende algemene richtlijnen: Medisch ongeschikt voor de zeevaart is de persoon, die lijdt aan een ziekte, afwijking of verwonding:
a. waardoor een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmerd kan worden;
b. waardoor de zeevarende niet te allen tijde in staat is om adequaat te handelen in geval van nood;
c. die tijdens de functie-uitoefening aan boord kan verergeren, in die zin dat daardoor een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of veiligheid van hemzelf of de overige opvarenden ontstaat, of ernstige hinder voor andere personen aan boord, of
d. die een behandeling behoeft, waarbij voortdurend medisch toezicht is vereist of waarbij acuut ingrijpen door een medicus noodzakelijk kan worden.

3.18 Bijlage III, Medische maatstaven, XXII, Oog en gezichtsvermogen, luidt – voor zover van belang - : “A. Alle zeevarenden zonder uitkijk- of wachtfunctie. De keuring van het gezichtsvermogen is een onderdeel van de algemene lichamelijke keuring. (……………..) De visus dient zonder optische correctiemiddelen met elk oog afzonderlijk niet minder dan 0,1 te bedragen. (…..)”

4. Standpunten van klaagster 

4.1 Volgens klaagster staan er tegenstrijdigheden in het Keuringsreglement 2002. De tegenstrijdigheid schuilt in de eis van niet minder visus dan 0,1 voor elk oog afzonderlijk, terwijl aan dieptezien geen eisen worden gesteld.

4.2 Klaagster voldoet met haar ziende oog aan alle criteria voor het gezichtsvermogen in gevolge het Keuringsreglement 2002, te weten voldoende gezichtscherpte voor het lezen van computer- en radarschermen, kleurenonderscheidingsvermogen en afwezigheid van nachtblindheid.

5. Standpunten van verweerder

5.1 Een ieder die aan boord van een zeeschip een functie vervult waarvoor krachtens de Zbw eisen zijn gesteld, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de betreffende functie.

5.2 Voor de verkrijging van een vaarbevoegdheidsbewijs dient men onder meer aan te tonen dat men medisch geschikt is.

5.3 Het gaat derhalve om een keuring voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs op basis van de Zbw. Een vaarbevoegdheidsbewijs is een document op naam van een persoon dat noodzakelijk is voor de vaart ter zee, vergelijkbaar met een rijbewijs. Van een aanstellingskeuring in de zin van de WMK is hier geen sprake, het gaat immers om een bevoegdheidskeuring. Nederland voldoet met het Keuringsreglement 2002 aan de internationale verdragsverplichtingen.

5.4 Het inschakelen van arbo-diensten bij het ontwikkelen van de keuringssystematiek is geen vereiste voor de zeevaart. Wel nemen vertegenwoordigers van deze diensten deel aan periodiek overleg over de praktische uitvoering van de keuringen.

5.5 De aanwijzing van keuringsartsen door de minister van Verkeer en Waterstaat is geregeld in het Besluit zeevaartbemanning handelsvaart en zeilvaart. In de voorwaarden is geen verplichting tot aansluiting bij een gecertificeerde arbo-dienst opgenomen.

5.6 Volgens de keurend arts bij verweerder is klaagster afgewezen in verband met de kwetsbaarheid van het gezichtsvermogen aan boord (zeewater, splinters, enzovoorts).

6 Overwegingen van de Commissie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht:

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of de klacht valt onder het regime van de WMK, hetgeen door verweerder wordt betwist.

6.2 Artikel 1, onder a, van de WMK bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling (……………………..) in verband met het aangaan (……….) van: 1e . een burgerrechtelijke arbeidsverhouding (……………………………).

6.3 Vaststaat dat klaagster een keuring heeft ondergaan in het kader van haar sollicitatie naar de functie van matroos, welke functie valt onder het begrip zeevaartbemanning en op welke functie een burgerrechtelijke arbeidsverhouding van toepassing is. Er is derhalve sprake van een keuring in de zin van artikel 1, onderdeel a, ten eerste, van de WMK, zodat de klacht ontvankelijk is.

Ten aanzien van de vraag of er door verweerder is gehandeld in strijd met de WMK gelden de volgende overwegingen.

6.4 Het betoog van verweerder komt erop neer dat de keuring plaats vindt in het kader van het verkrijgen van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de betreffende functie ingevolge de bepalingen van de Zbw en dat de keuring, zoals die is geregeld in het Keuringsreglement 2002, voldoet aan de internationale verdragsverplichtingen.

6.5 Voorzover verweerder met dit betoog bedoelt dat de wet- en regelgeving, waarop verweerder zich beroept, prevaleert boven de WMK, is de Commissie van oordeel dat dit, wat betreft de Zbw niet het geval is, nu de WMK van meer recente datum is dan de Zbw. Ook is niet gebleken dat de voorschriften van de WMK in conflict zijn met de internationale richtlijnen, waar deze “geen bepalingen bevatten omtrent de inhoud van de medische eisen of de gang van zaken bij de keuring” (citaat ontleend aan de toelichting op het Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002).

6.6 Wèl is gebleken dat de uitvoeringsregels van de Zbw, vastgelegd in het Besluit en het Keuringsreglement 2002, in conflict zijn met de WMK, maar deze regelgeving is van een lagere orde dan de WMK. Derhalve zal de Commissie de onderhavige regelgeving toetsen aan de voorschriften van de WMK.

6.7 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

6.8 Op grond van de wet- en regelgeving met betrekking tot de medische keuring voor de zeevaartbemanning is de Commissie van oordeel dat er weliswaar in artikel 18, tweede lid, van de Zbw een aantal vaarbevoegdheden worden genoemd (functies a tot en met f), maar dat er geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid aan de bij die functies behorende taken worden gesteld. Verder volgt uit artikel 4, eerste lid, van de WMK, juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, dat alleen de aanwezigheid van functie eisen – belastingen die als functie eis aan de desbetreffende functie zijn gekoppeld – geen rechtvaardiging kan vormen voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring, maar dat eerst de risico’s, die met de functie samenhangen, door middel van preventieve maatregelen dienen te worden voorkomen. Het is de Commissie niet gebleken of en zo ja op welke wijze dit is gebeurd. In het Keuringsreglement voor de Zeevaart 2002 wordt in Bijlage II gerefereerd aan een aantal, in algemene termen gestelde functie eisen. De keuringsrichtlijnen in het Keuringsreglement zijn echter, naar het oordeel van de Commissie, te algemeen en niet functiegericht, hetgeen in strijd is met bovengenoemde artikelen en met artikel 2, eerste lid, van de WMK.

6.9 Het doel van artikel 2, eerste lid, van de WMK is volgens de Toelichting, dat het verrichten van keuringen beperkt moet blijven tot een op zichzelf gerechtvaardigd doel, hetgeen betekent dat het tijdens deze keuring (trachten te) maken van een risico inschatting van het toekomstig ziekteverzuim niet geoorloofd is. Volgens de Toelichting kan het doelvereiste worden gezien als een primaire voorwaarde voor de toelaatbaarheid van een medische keuring.

6.10 Blijkens het Keuringsreglement 2002 (Bijlage III Medische Maatstaven, onder meer VII 4, migraine) is toekomstig verzuim echter een aspect dat bij de keuring dient te worden meegewogen, hetgeen naar het oordeel van de Commissie, gelet op vorenstaande, in strijd is met de doelstelling van de WMK.

6.11 Daarnaast mogen ingevolge artikel 3 van de WMK bij een aanstellingskeuring geen vragen worden gesteld of onderzoeken worden verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de keuring. 

6.12 Gelet op de algemeenheid en uitgebreidheid van de onderhavige keuring als genoemd in het Keuringsreglement 2002, is deze naar het oordeel van de Commissie dan ook in strijd met de WMK, temeer nu de keuring mede omvat een onderzoek naar in de familie voorkomende erfelijke en chronische ziekten en onderzoek naar voorheen doorgemaakte ziekten, waaronder – eventueel - een psychiatrisch verleden kan vallen, nu tevens een beoordeling plaats vindt van de geestelijke gesteldheid van de keurling.

6.14 De keuring wordt ingevolge artikel 1, onder d, van de WMK, verricht door de keurend arts. De keurend arts is blijkens de Memorie van Toelichting bij de WMK en de Nota van Toelichting bij het Besluit aanstellingskeuringen, conform het bepaalde in artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, een bedrijfsarts werkend voor een gecertificeerde Arbodienst. Het is de Commissie niet gebleken dat de keuring is uitgevoerd door een arts, die is aangesloten bij een gecertificeerde arbo-dienst. De keuring is daarom ook op die grond in strijd met de voorschriften van de WMK.

6.15 Niet weersproken is dat klaagster op voorhand, zonder verder te zijn gekeurd, is afgewezen op grond van de medische maatstaven, genoemd in Bijlage III, XXII, Oog en gezichtsvermogen. Nog afgezien van vorenstaande overwegingen met betrekking tot de keuringsvoorschriften, welke naar het oordeel van de Commissie in strijd zijn met de WMK, moet ingevolge artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen bij het bepalen van de bijzondere eisen van medische geschiktheid gekeken worden of de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd. De Commissie is van oordeel dat de door de keurend arts aangevoerde kwetsbaarheid van het gezichtsvermogen met één oog, gelet op vorenstaande, onvoldoende beargumenteerd is voor afkeuren voor de zeevaart.

7 Oordeel

Gelet op vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het oordeel dat de keuring heeft plaatsgevonden in strijd met de voorschriften van de WMK. Verweerder handelt in strijd met de artikel 1, onder d, artikel 2, eerste lid, artikel 3 en artikel 4, eerste lid van de WMK en artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen.


  1. Stcr. 18 februari 2002, nr. 34/pag.8
  2. Stbl.757, 29 december 1997