Oordeel 2004-09

Aspirant-cursist schrijft zich in voor de vakcursus scheepskok. Het Opleidingsinstituut voegt bij de inschrijvingsbevestiging een vragenformulier met vragen over de gezondheid, te beoordelen door de Arbo-dienst. Het niet invullen van dit formulier heeft consequenties voor het te behalen diploma en de beoogde baan van scheepskok. De Arbo-dienst deelt de uitslag schriftelijk mee aan de aspirant-cursist en het opleidingsinstituut.
Volgens aspirant-cursist is dit handelen in strijd met de WMK. De klacht is echter niet ontvankelijk, omdat het opleidingsinstituut geen arbeidsverhouding aangaat met de cursisten.
De Commissie doet onderzoek om te toetsen of de Arbo-dienst in strijd handelt met de WMK, omdat uit de stukken bij de klacht de indruk wordt gewekt dat bij cursisten dezelfde keuring wordt verricht als bij de aanstellingskeuring.
De commissie concludeert dat er sprake is van een keuring die zowel wat betreft vorm als mogelijke gevolgen voor de keurling gelijk te stellen is aan een aanstellingskeuring in de zin van de WMK. Door een aanstellingskeuring te gebruiken in een andere context dan voor het aangaan van een arbeidsverhouding handelt de Arbo-dienst in strijd met de WMK. Keurend artsen van een Arbo-dienst, die medewerking verlenen aan een dergelijke keuring handelen eveneens in strijd met de WMK en de voor hen geldende professionele standaard.


Oordeel 2004-09

Utrecht, 8 september 2004


1. Het signaal

1.1 Op 16 oktober 2003 heeft de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) een klacht ontvangen over de verstrekking van een vragenlijst door een opleidingsinstituut aan een aspirant cursist die zich had ingeschreven voor een vakcursus, ten behoeve van een door de Arbo-dienst te verrichten keuring. Volgens de aspirant cursist werd aldus gehandeld in strijd met de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK).

1.2 Uit de bij de klachtbehandeling overgelegde bescheiden bleek dat de aan de Commissie voorgelegde klacht een keuring betreft die niet valt onder de reikwijdte van de WMK, omdat het opleidingsinstituut geen burgerrechtelijke of ambtelijke arbeidsverhouding aangaat met de cursisten. De Commissie heeft om die reden de klacht jegens het opleidingsinstituut niet ontvankelijk verklaard (oordeel 2004-01 van 21 januari 2004).

1.3 De Commissie heeft evenwel op grond van de bij de klacht overgelegde bescheiden besloten een eigen onderzoek in te stellen om te bezien of door de Arbo-dienst wordt gehandeld in strijd met de WMK, nu op grond van de stukken bij de Commissie de indruk wordt gewekt dat bij cursisten dezelfde keuring wordt verricht als bij de aanstellingskeuring.

2. De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft op respectievelijk 12 februari 2004 en 20 februari 2004 nadere gegevens opgevraagd bij het opleidingsinstituut en de Arbo-dienst.

2.2 Vervolgens is de Arbo-dienst in de gelegenheid gesteld zijn standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 13 april 2004.

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en hetgeen ter hoorzitting naar voren is gekomen staat – voorzover van belang – het navolgende vast.

3.1 De door de Arbo-dienst verrichte keuring vindt plaats in het kader van de aanmelding van een aspirant-cursist voor de opleiding van scheepskok bij het opleidingsinstituut.

3.2 Bij de bevestiging van de inschrijving van aspirant-cursisten voegt het opleidingsinstituut een algemeen vragenformulier toe van de Arbo-dienst en wordt de aspirant-cursisten verzocht om dit formulier in te vullen, te ondertekenen en voor aanvang van de cursus te zenden aan de Arbo-dienst.

3.3 Voor de functie van scheepskok is geen specifieke functie-omschrijving voorhanden.

3.4 Noch het opleidingsinstituut, noch de Arbo-dienst verstrekken de aspirant cursist informatie over het doel van het onderzoek en over de criteria, op grond waarvan wordt gekeurd.

3.5 De consequentie van het niet invullen en opsturen van het vragenformulier aan de Arbo-dienst is, dat het opleidingsinstituut na het afronden van de cursus niet overgaat tot het uitreiken van het scheepskokdiploma, maar uitsluitend van het diploma kok.

3.6 Deze schriftelijke keuring bestaat al ongeveer 40 jaar. Het opleidingsinstituut betaalt de kosten van de keuring.

3.7 De Arbo-dienst beoordeelt de ingevulde vragenlijst en deelt de uitslag schriftelijk mee aan de aspirant-cursist. De uitslag van de keuring (geschikt of ongeschikt) wordt gezonden aan het opleidingsinstituut. 

3.8 Het door de aspirant-cursist ingevulde vragenformulier wordt bij de Arbo-dienst gedurende 10 jaar bewaard. De Arbo-dienst wijst aspirant-cursisten niet op deze praktijk en vraagt evenmin toestemming.

3.9 Wanneer de aspirant-cursist in het bezit is van een monsterboekje, wordt er niet gekeurd.

4. De standpunten van de arbo-dienst

4.1 De keuring wordt gedaan in verband met een mogelijke aanstelling na diplomering als scheepskok bij een Nederlandse rederij.

4.2 Het betreffende vragenformulier wordt in het algemeen gebruikt voor de aanstellingskeuring van diverse functies.

4.3 In het onderhavige geval is er sprake van een intrede-onderzoek. Het algemene vragenformulier wordt gebruikt voor een globaal onderzoek in het kader van dat intredeonderzoek. Uit de vragen wordt een selectie gemaakt, die specifiek is gericht op de functie van scheepskok. In de bedrijfsklapper staan een aantal functiecriteria vermeld.

4.4 De Arbo-dienst informeert de keurlingen niet over de criteria, omdat de Arbo-dienst ervan uitgaat dat zij door het opleidingsinstituut daarover worden geïnformeerd.

4.5 De keuring bestaat uit een beoordeling van de ingevulde vragenlijst. Indien er twijfels zijn, wordt aan de keurling telefonisch om een toelichting gevraagd. Indien die toelichting niet voldoende is, volgt een oproeping voor een lichamelijk onderzoek, maar dat is in de laatste vijf jaar slechts één keer voorgekomen.

5. Overwegingen van de Commissie

5.1 Alvorens in te gaan op de vraag of er sprake is van strijd met de voorschriften van de WMK overweegt de Commissie dat, gelet op de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996,(1) moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend arts. Gelet op de doelstelling van de WMK en de uitgangspunten van de wetgever bij de totstandkoming van de WMK, heeft de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling en in relatie tot de keuringvrager. Ook de desbetreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), alsmede het Protocol Aanstellingskeuringen gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid van de keurend arts. In dit licht bezien heeft de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid om te beoordelen of en zo ja welke keuring is aangewezen in een concrete situatie en te verifiëren of is voldaan aan de eisen van geïnformeerde toestemming.

5.2 Vaststaat dat er in de voorliggende kwestie sprake is van een keuring die voldoet aan het gestelde in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de WMK: er worden door de Arbo-dienst gezondheidsvragen gesteld en er wordt, zo nodig, medisch onderzoek verricht. Beide gebeuren door (een arts verbonden aan) de Arbo-dienst. Ook staat vast dat zowel het niet invullen van het vragenformulier betreffende de gezondheid als de op grond van het wèl ingevulde formulier gegeven keuringsuitslag directe gevolgen hebben voor de mogelijkheid voor de aspirant-cursist om ná de opleiding te hebben voltooid het certificaat van scheepskok te verkrijgen.

5.3 Gelet op het voorgaande is de onderhavige keuring, zowel wat betreft vorm als mogelijke gevolgen voor de keurling gelijk te stellen aan een aanstellingskeuring in de zin van de WMK. Dit wordt bevestigd door het feit dat kandidaten die in het bezit zijn van een monsterboekje niet gekeurd behoeven te worden, omdat die kandidaten al zijn gekeurd volgens het Keuringsreglement van de Zeevaart, welke keuring naar het oordeel van de Commissie een keuring is in de zin van de WMK. De Commissie verwijst hiervoor naar haar oordeel nummer 2004-06. Hieruit volgt dat het handelen van (keurend artsen verbonden aan) de Arbo-dienst kan worden getoetst aan de WMK.

5.4 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd. Alvorens over te gaan tot een keuring is het de verantwoordelijkheid van de keurend arts te verifiëren of aan deze voorwaarden is voldaan.

5.5 In het onderhavige geval staat vast dat er geen sprake is van het aangaan of wijzigen van een arbeidsverhouding in de zin van de WMK. Nu de Arbo-dienst voor de onderhavige keuring formulieren gebruikt, welke zijn bedoeld voor het aangaan van een arbeidsverhouding, handelt zij in strijd met de WMK. Een aanstellingskeuring mag immers niet voor een ander doel worden gebruikt dan het bepalen van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de bij een functie behorende taken. De eisen van medische geschiktheid conform de voorschriften van de WMK, ontbreken voor de functie van scheepskok, hetgeen in strijd is met de onder 5.4 genoemde artikelen. Keurend artsen van de Arbo-dienst die medewerking verlenen aan een dergelijke keuring handelen eveneens in strijd met de WMK en voor hen geldende professionele standaard.

5.6 Het betoog van de Arbo-dienst dat het in het onderhavige geval zou gaan om een intredeonderzoek kan de Commissie in dit verband niet volgen, nu een dergelijk onderzoek plaats vindt op vrijwillige basis en de opdrachtgever daarvan geen uitslag behoort te ontvangen. Anders dan in de voorliggende situatie is een intrede-onderzoek ook geen selectie instrument. Er is derhalve geen sprake van een intrede onderzoek, waarmee dit verweer faalt.

6 Oordeel van de Commissie

Door een aanstellingskeuring te gebruiken in een andere context dan in de situatie, waarop artikel 1, onderdeel a, ten eerste en ten tweede, en artikel 4, eerste lid, van de WMK en artikel 3, eerste lid van het Besluit aanstellingskeuringen, zien handelt de Arbo-dienst in strijd met de Wet op de medische keuringen en het Besluit aanstellingskeuringen. Hetzelfde geldt voor keurend artsen van de Arbodienst, die in deze een eigen verantwoordelijkheid hebben.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.