Oordeel 2004-10

Klager werkt bij een beveiligingsbedrijf en is gedetacheerd bij verweerster. Verweerster is een gemeente. Klager solliciteert naar de functie Toezichthouder bij gemeente. Bij de sollicitatieprocedure hoort geen aanstellingskeuring. P.en O.-functionaris brengt overgewicht klager ter sprake. Hij vraagt zich af of dit overgewicht toekomstige fysieke problemen kan veroorzaken. Klager wordt voor advies verwezen naar Arbo-arts. Klager heeft hiertegen geen bezwaar. Bij klager wordt ziekelijk overgewicht (obesitas) geconstateerd. Zonder klagers toestemming rapporteert Arbo-arts hierover aan verweerster. Verweerster besluit van aanstelling klager af te zien. Volgens klager is de handelswijze verweerster in strijd met de Wmk. Hij is ernstig benadeeld, doordat hij niet is aangesteld en is ontslagen bij het beveiligingsbedrijf. Volgens verweerster is gevraagd advies voorafgaande aan een aanstelling niet gelijk aan een aanstellingskeuring. De Commissie overweegt, dat moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen keuringvragen en keurend arts. Vragen over gezondheidstoestand mogen alleen gesteld worden door keurend arts in het kader van een aanstellingskeuring. Omdat er geen bijzondere, medische eisen gelden voor de Toezichthoudersfunctie mogen, tijdens de sollicitatieprocedure, geen vragen gesteld worden over gezondheidstoestand. Het doen van medisch onderzoek tijdens de sollicitatieprocedure is niet geoorloofd. Het vragen van medisch advies aan Arbo-arts teneinde een risico-inschatting te maken van toekomstig verzuim, is een ongeoorloofd doel. Zeker, nu verweerster zich, op grond van uitlatingen van Arbo-arts, een oordeel heeft gevormd over de medische geschiktheid van klager voor de functie. Het instrument van klager met het ondergaan van medisch onderzoek, doet hier niet aan af, nu een sollicitant zich in een dergelijke situatie altijd in een onvrije positie bevindt.


Oordeel 2004-10

1 De klacht

1.1 Op 20 juli 2004 heeft klager de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of het bevoegd gezag bij wie hij had gesolliciteerd, de Gemeente (hierna: verweerder), in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door in het kader van het sollicitatiegesprek opmerkingen te maken omtrent de lichamelijke conditie van klager en vervolgens aan klager te vragen mee te werken aan een lichamelijk onderzoek door de bedrijfsarts van verweerder, welk onderzoek heeft geresulteerd in de beslissing van verweerder om de aanstelling geen doorgang te laten vinden.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.

2.2 Verweerder heeft schriftelijke informatie verstrekt en een verweerschrift overgelegd.

2.3 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 7 september 2004.

2.4 De Commissie heeft tegen de informant in de hoedanigheid van bedrijfsarts een apart oordeel uitgebracht (oordeel 2004-11).

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klager is in dienst van een beveiligingsbedrijf en gedetacheerd bij verweerder.

3.2 Verweerder is het bestuur van een gemeente.

3.3 De bedrijfsarts is in dienst bij een Arbo-dienst en is bedrijfsarts voor verweerder.

3.4 Bij verweerder komen een aantal functies van Toezichthouder vacant.

3.5 Klager solliciteert samen met vier collega’s naar deze functies.

3.6 Bij de sollicitatieprocedure behoort geen aanstellingskeuring.

3.7 Met de leidinggevende bij verweerder heeft klager een gesprek over mogelijke indiensttreding als Toezichthouder bij verweerder.

3.8 Op basis van dit gesprek doet de leidinggevende de directeur van de directie Stadsbedrijven het voorstel klager aan te stellen als Toezichthouder.

3.9 De directeur van de directie Stadsbedrijven vraagt om een aanvullende onderbouwing van dit voorstel, waartoe hij opdracht geeft voor een P&O-advies.

3.10 Er volgt een gesprek met de P&O-adviseur. De P&O-adviseur stelt de fysieke conditie van klager aan de orde, met name zijn gewicht. De P&O-adviseur zegt tegen klager dat hij zich afvraagt of klager wel veel zal kunnen lopen. Hij vraagt zich voorts af of klagers gewicht in de toekomst mogelijk fysieke problemen kan veroorzaken.

3.11 De P&O-adviseur vraagt klager of hij wil meewerken aan een beoordeling door de bedrijfsarts van verweerder vanwege zijn gewicht.

3.12 Klager geeft aan daartegen geen bezwaar te maken.

3.13 Tijdens het telefoongesprek, waarbij de P&O-adviseur een afspraak maakt voor klager met de bedrijfsarts, zegt de P&O-adviseur tegen de bedrijfsarts dat klager volgens hem ongezond is, omdat klager volgens hem ziekelijk dik is, en vraagt de bedrijfsarts of zij dat wil controleren en daarover wil adviseren.

3.14 De bedrijfsarts deelt na de beoordeling aan klager mee dat klager te dik is en dat dit zal worden gemeld aan de P&O-adviseur van verweerder. Aan de P&O-adviseur deelt de bedrijfsarts, zonder voorafgaande toestemming van klager, mee dat klager lijdt aan obesitas.

3.15 Verweerder besluit vervolgens om de aanstelling geen doorgang te laten vinden.

4 Standpunten van klager

4.1 Verweerder heeft gehandeld in strijd met de voorschriften van de WMK, nu de P&O-adviseur van verweerder opmerkingen heeft gemaakt over zijn gezondheid, waarbij met name zijn gewicht in verband met de belasting voor zijn gewrichten ter sprake kwam, en hem een medisch onderzoek heeft laten ondergaan tijdens de sollicitatieprocedure, terwijl er voor de betreffende functie geen aanstellingskeuring verplicht is.

4.2 Weigeren van het verlenen van medewerking aan het medisch onderzoek zou betekenen dat de aanstelling niet door zou gaan, omdat duidelijk was dat de beslissing voor het al dan niet doorgaan van de aanstelling afhing van het advies van de bedrijfsarts.

4.3 Voorts heeft verweerder gehandeld in strijd met de WMK door te besluiten de aanstelling geen doorgang te laten vinden op grond van de aan de P&O-adviseur door de bedrijfsarts meegedeelde feiten omtrent zijn gezondheidstoestand.

4.4 Klager is door de handelwijze van verweerder ernstig benadeeld. Niet alleen is hem ten onrechte een functie onthouden, waarvoor hij (ook medisch gezien) geschikt is gebleken en gemotiveerd is. Een en ander heeft ook geresulteerd in beëindiging van de arbeidsverhouding met het beveiligingsbedrijf.

5 Standpunten van verweerder

5.1 De kerntaak van de functie bestaat uit het houden van straattoezicht gedurende ongeveer 7 uur per dag. Daarom is fysieke fitheid voor deze functie noodzakelijk. Er worden geen bijzondere eisen van medische geschiktheid aan de functie gesteld.

5.2 Omdat het bij klager echter duidelijk zichtbaar is dat er bij hem door het uitoefenen van de bij de functie behorende taken, waarbij veel moet worden gelopen, in de toekomst wellicht fysieke problemen kunnen ontstaan, is er aan klager gezegd dat er advies moet worden gevraagd aan de bedrijfsarts alvorens een beslissing kan worden genomen omtrent het doorgaan van de aanstelling.

5.3 Aan klager is gevraagd of hij aan het advies van de bedrijfsarts wilde meewerken in de zin dat hij een bezoek zou brengen aan de bedrijfsarts. Verweerder acht dit, kennisgenomen hebbende van de folder van de Commissie over de WMK, niet in strijd met de wet.

5.4 Het advies aan de bedrijfsarts is gevraagd uit het oogpunt van zorgvuldigheid. Daarbij spelen twee belangen een rol, die van de toekomstig werknemer en die van het bevoegd gezag. De werknemer moet geschikt zijn voor de functie en geen gezondheidsrisico lopen en ook voor de organisatie is het van belang dat iemand goed functioneert.

5.5 Een advies voorafgaande aan aanstelling kan niet op een lijn worden gesteld met een aanstellingskeuring.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 De voorliggende kwestie betreft de vraag of het maken van opmerkingen over de gezondheid van de sollicitant door verweerder en het in opdracht van verweerder doen van een medische beoordeling in het kader van de sollicitatieprocedure een handelen betreft dat valt onder het regime van de WMK en, zo ja, of verweerder aldus handelt in strijd met de WMK.

6.2 Allereerst overweegt de Commissie dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager (bevoegd gezag) en de keurend arts (bedrijfsarts). De Commissie merkt om die reden verweerder en de bedrijfsarts aan als afzonderlijke verweerders in dit geding.

6.3 De vraag of de in geding zijnde kwestie valt onder het regime van de WMK moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 1, onderdeel a, van de WMK. Dit artikel bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
(………………………)
2e een aanstelling in openbare dienst
(……………………..)

6.4 Vaststaat dat de functie waarnaar klager solliciteerde een aanstelling betreft in de zin van bovengenoemd artikel en dat de betreffende opmerkingen over zijn gezondheidstoestand door verweerder zijn gemaakt tijdens de sollicitatieprocedure.

6.5 Vragen over de gezondheidstoestand, waaronder, naar het oordeel van de Commissie, wordt begrepen het maken van opmerkingen over de gezondheid van een sollicitant (mede) bedoeld om een reactie te ontlokken, vallen ingevolge artikel 1, onderdeel a, van de WMK onder het begrip keuring en mogen ingevolge artikel 1, onderdeel d, van de WMK alleen worden gesteld door de keurend arts in het kader van een aanstellingskeuring. Dat verweerder een en ander aanmerkt als advies doet hieraan niet af. 

6.6 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK, juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

6.7 Vaststaat dat voor de betreffende functie van Toezichthouder geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid worden gesteld. Het stellen van vragen over de gezondheidstoestand en het verrichten van medisch onderzoek tijdens de sollicitatieprocedure is daarom in het onderhavige geval niet geoorloofd.

6.8 Verweerder heeft, teneinde een risico-inschatting te kunnen maken van toekomstig ziekteverzuim, medisch advies gevraagd aan de bedrijfsarts, hetgeen een ongeoorloofd doel is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de WMK. Dit klemt temeer, nu verweerder zich op grond van de uitlatingen van de bedrijfsarts een oordeel heeft gevormd over de medische geschiktheid van klager voor de functie. Een dergelijke handelwijze verdraagt zich niet naar de geest en de letter van de WMK.

6.9 Aan het voorgaande doet niet af het betoog van verweerder dat het door verweerder gevraagde onderzoek door de bedrijfsarts met instemming van klager heeft plaatsgevonden, nu een sollicitant zich in een dergelijke situatie altijd in een onvrije positie bevindt.

7. Oordeel van de Commissie

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het oordeel dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen door opmerkingen te maken over de gezondheid van klager en advies in te winnen bij de bedrijfsarts over de gezondheidstoestand van klager teneinde een risico-inschatting te kunnen maken voor de toekomst.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.