Oordeel 2004-12

Politie Haaglanden mag geen vragen stellen omtrent gezichtsvermogen sollicitant door middel van sollicitatieformulier en ogenbriefje. Keurend arts mag geen ongevraagde adviezen geven.


Oordeel 2004-12

 Utrecht, 12 november 2004

1 De klacht

Op 30 april 2004 heeft klager de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of het bevoegd gezag, de Politie (hierna: verweerder) waar klager wilde solliciteren naar de functie van vrijwillig politie-ambtenaar, in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door op het sollicitatieformulier vragen te stellen omtrent het gezichtsvermogen en bij het sollicitatieformulier een zogenaamd “ogenbriefje” te voegen dat door sollicitanten moet worden ingevuld.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft zich beraad over de ontvankelijkheid van de klacht.

2.2 Bij brief van 6 juli 2004 heeft de Commissie klager medegedeeld dat zijn klacht nietontvankelijk is op grond van de WMK.

2.3 Klager heeft de Commissie vervolgens nadere schriftelijke informatie gestuurd.

2.4 Op grond van de door klager overgelegde bescheiden heeft de Commissie besloten alsnog onderzoek in te stellen, zowel jegens verweerder als jegens de keurend arts van de Arbodienst van verweerder (hierna: verweerder 2).

2.5 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten tijdens de hoorzitting op 9 september 2004. Klager is niet verschenen.

2.6 Tijdens de hoorzitting heeft verweerder bescheiden overgelegd.

2.7 De Commissie heeft tegen verweerder 2 een apart oordeel uitgebracht (oordeel 2004-13).

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is verklaard is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Verweerder is een politiekorps.

3.2 Klager bezoekt op 20 april 2004 een informatiebijeenkomst bij verweerder voor de functie van vrijwillig ambtenaar van politie.

3.3 De rechtspositie van de vrijwillig ambtenaar van politie is vastgelegd in het Besluit algemene rechtspositie politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie (1), gewijzigd in verband met onder meer de invoering van de Wet op de medische keuringen bij Besluiten van 23 februari 1998 en 7 september 1998 (2).

3.4 Artikel 4 van het Besluit van 7 september 1998 luidt – voorzover hier van belang – als volgt:
“1. Voor aanstelling als vrijwillig ambtenaar van politie komt uitsluitend in aanmerking degene die:
a. (…………………..)
b. (…………………..)
2
c. voldoet aan bij regeling van Onze Minister te stellen eisen met betrekking tot het opleidingsniveau, de psychologische keuring en een geneeskundige keuring als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de medische keuringen.
d. (……………………)”

3.5 De functie-omschrijving en de daarbij behorende taken zijn vastgelegd in het Besluit taken vrijwillige ambtenaren van politie (hierna: takenbesluit) en zijn uitgewerkt in het Beleidskader vrijwillige politie, inzet & mogelijkheden.

3.6 Artikel 1 van het takenbesluit luidt – voor zover van belang - :
“1. De vrijwillig ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, wordt belast met een of meer van de volgende werkzaamheden:
a. het surveilleren, het treffen van maatregelen ter handhaving van de openbare orde en het verlenen van hulp op openbare plaatsen,
b. het opsporen van overtredingen en misdrijven waarop als hoofdstraf maximaal een
gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vierde categorie is gesteld,
c. het vaststellen van gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke
handhaving verkeersvoorschriften,
d. het houden van toezicht op en het verzorgen van ingeslotenen, en e. het verrichten van werkzaamheden op de meldkamer en de receptie van het politiebureau en van administratieve werkzaamheden.
2. De vrijwillig ambtenaar kan tevens, met instemming van het bevoegd gezag, worden ingezet bij specialistische werkzaamheden die niet behoren tot de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, voor zover hij beschikt over de daarvoor vereiste opleiding en ervaring. Tot specialistische werkzaamheden wordt in ieder geval gerekend assistentie bij opsporingsonderzoeken naar andere misdrijven dan die bedoeld in het eerste lid, onder b.
3. Onder ingeslotene wordt verstaan (………………………………………………………………………)”.
Artikel 2 van het takenbesluit luidt: “Onverminderd artikel 1, kan de vrijwillig ambtenaar, na instemming van de plaatsvervangend korpschef, zelfstandig dan wel in voorkomende gevallen onder begeleiding van een medewerker basispolitiezorg, de werkzaamheden uitoefenen die verband houden met de volledige politietaak, voor zover hij beschikt over de daarvoor vereiste opleiding en ervaring.”

3.7 Blijkens het onder punt 3.5 genoemde beleidskader verloopt de aanstelling vrijwilliger als volgt.
- De aanstelling van de vrijwilliger in opleiding is in tijdelijke dienst voor de tijd dat de opleiding tot vrijwillig ambtenaar van politie wordt gevolgd. Het beleidskader verwijst hier naar de aanstellingsvoorwaarden van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie.
- Na het voltooien van de opleiding tot vrijwilliger vindt een aanstelling in tijdelijke dienst
plaats voor een proeftijd van één jaar en kan in bijzondere gevallen op verzoek van de ambtenaar worden verlengd.
- De vrijwilliger die de opleiding tot vrijwillig ambtenaar van politie en de daarop volgende proeftijd heeft voltooid, wordt in vaste dienst aangesteld.

3.8 Het loopbaanpad vrijwilliger gebeurt volgens genoemd beleidskader volgens drie niveau’s: niveau 1. surveillant (algemeen ondersteunende werkzaamheden), niveau 2. surveillant (inzetbaar bij specialistische werkzaamheden) en niveau 3. agent (inzet voor de algemene politietaak). De vrijwilliger die op niveau 3 functioneert, heeft de rang van agent en wordt uitgerust met de bij deze rang behorende bewapening.

3.9 Op grond van artikel 20 van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie dient de vrijwilliger die op kosten van het korps opleidingen volgt om op niveau 1, 2 of 3 ingezet te kunnen worden, indien hij of zij die opleidingen dan wel binnen drie jaar na het beëindigen daarvan op eigen verzoek de dienst verlaat, deze kosten geheel of gedeeltelijk aan het korps terug te betalen.

3.10 De vrijwillig ambtenaar van politie ontvangt een onkostenvergoeding. 

3.11 Tijdens de informatiebijeenkomst, genoemd onder punt 3.2, wordt verteld dat er zich bij het sollicitatieformulier een zogenaamd ogenbriefje bevindt dat moet worden ingevuld en dat aan de gestelde eisen voor de gezichtsscherpte moet worden voldaan wil de sollicitatieaanvraag in behandeling worden genomen.

3.12 Aan het eind van de informatiebijeenkomst ontvangt klager een brochure, een sollicitatieformulier en het daarbij behorende ogenbriefje.

3.13 Op het sollicitatieformulier zelf staan wat betreft het gezichtsvermogen de volgende vragen vermeld: “Heeft u een lui oog”, “Bent u kleurenblind”, “Draagt u een bril of contactlenzen” en voorts: “n.b. Heeft u de vorige vraag met ja beantwoord, raadpleeg dan voor het invullen van het bijgevoegde formulier een (oog) arts, opticien of optometrist.”

3.14 Op het ogenbriefje staat onder meer vermeld:
“Wat te doen als u wilt solliciteren en u draagt een bril of contactlenzen. In principe is het dragen van een bril of contactlenzen geen belemmering voor een aanstelling bij de politie. Het gezichtsvermogen moet aan de volgende eisen voldoen: Visus OD (zonder correctie), minimaal 0,25 Visus OD (met correctie), minimaal 1,0 of 0,5 Visus OS (zonder correctie), minimaal 0,25 Visus OS (met correctie), minimaal 0,5 of 1,0 Indien u een bril of contactlenzen draagt, verzoek ik u onderstaande door uw opticiën of oogarts in te vullen en mee te zenden met uw sollicitatieformulier. Dit om een snelle afhandeling van uw sollicitatie mogelijk te maken.”

3.15 Klager vraagt nadere informatie omtrent deze procedure bij het Bureau Werving & Selectie van verweerder. Omtrent de eisen gesteld aan het gezichtsvermogen vraagt klager informatie bij de keurend arts bij de bedrijfsarts van verweerder.

3.16 De medewerker van het Bureau Werving & Selectie bevestigt de voren omschreven procedure.

3.17 De keurend arts bevestigt de onder 3.14 genoemde eisen en adviseert klager, ongevraagd, omtrent mogelijkheden voor behandeling – een laserbehandeling in België -, indien klager een slechter gezichtsvermogen heeft dan waaraan hij volgens de gestelde eisen moet voldoen.

3.18 De bedrijfsarts van verweerder deelt klager omtrent de vraag over het gebruik van optische hulpmiddelen mee, dat het bij de keuring niet gaat om het wel of niet gebruiken van optische hulpmiddelen, maar dat de keurling zonder optische hulpmiddelen moet voldoen aan een minimum gezichtsvermogen.

4. Standpunten van klager

4.1 De WMK is van toepassing op de aanstellingskeuring voor de functie van vrijwillig ambtenaar van politie, gelet op de onder punt 3.3. genoemde besluiten.

4.2 Het inwinnen van informatie over het gezichtsvermogen op het sollicitatieformulier is gelijk te stellen aan het vragen naar de gezondheidstoestand van de sollicitant en derhalve in strijd met de WMK.

4.3 Door verweerder worden de op het ogenbriefje ingevulde gegevens gebruikt als selectiemiddel, hetgeen in strijd is met de WMK.

4.4 Het stellen van gelijke eisen aan de gezichtsscherpte voor alle politiefuncties is in strijd met de WMK, omdat er per functie verschil is in de aard van de werkzaamheden. Vrijwilligers worden bijvoorbeeld niet ingezet voor het verrichten van noodhulp en de hogere politiefuncties zijn managementfuncties, waarbij de ambtenaren vrijwel niet op straat hoeven te komen.

5. Standpunten van verweerder

5.1 Op grond van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie is er sprake van een aanstelling.

5.2 De taken van de vrijwilligers vormen een aanvulling op en zijn ter ondersteuning van de reguliere vervulling van de politietaak. Het uitgangspunt is dat de vrijwilliger taken uitvoert onder de directe verantwoordelijkheid van een ander. Vanuit de praktijk is de wens ontstaan om individuele vrijwillige politiefunctionarissen ook voor gespecialiseerde taken in te zetten of in te zetten op het niveau van agent. Het takenbesluit maakt een vergroting van de inzet van vrijwilligers mogelijk. Het beleidskader vrijwillige politie geeft het regionaal beleid weer waarin de mogelijkheden en voorwaarden zijn opgenomen voor de wijze van inzet van de vrijwilliger.

5.3 Aan de functie en de daarbij behorende taken worden bijzondere eisen gesteld op het punt van medische geschiktheid, waarvoor een aanstellingskeuring gelijk aan die van agent van politie noodzakelijk is. Weliswaar is het uitgangspunt dat een vrijwilliger als surveillant geen noodhulp verleent, maar men kan wel in een risicovolle situatie terecht komen.

5.4 Over de eisen van medische geschiktheid is schriftelijk advies gevraagd aan de Arbo-dienst en de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid zijn schriftelijk vastgelegd.

5.5 Tijdens de selectieprocedure wordt voor aanvang van de keuring door de wervingsambtenaar aan de sollicitant de keuringsprocedure en de inhoud daarvan meegedeeld.

5.6 De mogelijkheid van herkeuring wordt door de keurend arts aan de sollicitant meegedeeld.

5.7 Het betreffende sollicitatieformulier met de vragen over het gezichtsvermogen en het daarbij behorende ogenbriefje worden niet bewaard in het personeelsdossier, maar worden door de ambtenaar van het Bureau Werving en Selectie in het keuringsdossier gedaan, bestemd voor de keurend arts.

6. Oordeel van de Commissie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of de klacht valt onder het regime van de WMK. Daartoe overweegt de Commissie als volgt.

6.2 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voorzover hier relevant – dat onder een keuring wordt verstaan: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1e (……………….)
2e een aanstelling in openbare dienst.

6.3 Uit de regelgeving geciteerd onder punt 3.3 tot en met 3.10 blijkt dat de vrijwilliger wordt aangemerkt als ambtenaar en wordt aangesteld voor de uitvoering van de politietaak. Hieruit moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanstelling in openbare dienst in de zin van de WMK.

6.4 Vaststaat dat er op het sollicitatieformulier vragen worden gesteld over het gezichtsvermogen, terwijl in voorkomende gevallen voorts een zogenaamd ogenbriefje moet worden ingevuld. Deze vragen en het ogenbriefje vormen vragen over de gezondheidstoestand van de sollicitant in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de WMK.

6.5 Gelet op vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de klacht ontvankelijk is.

Ten aanzien van de vraag of er door verweerder is gehandeld in strijd met de WMK gelden de volgende overwegingen.

6.6 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (3), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager (verweerder) en de keurend arts. De Commissie merkt om die reden verweerder en verweerder 2, in zijn hoedanigheid van keurend arts, aan als afzonderlijke verweerders in dit geding.

6.7 Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de Commissie van oordeel dat de door verweerder gevolgde procedure betreffende de aanstellingskeuring in zijn algemeenheid in overeenstemming is met de eisen, zoals geformuleerd in de WMK en het daarop gebaseerde besluit aanstellingskeuringen.

6.8 Wat betreft de vragen omtrent het gezichtsvermogen overweegt de Commissie dat deze ingevolge artikel 1, onderdeel d, alleen kunnen worden gesteld door de keurend arts in het kader van een aanstellingskeuring.

6.9 Een keuring in verband met het aangaan van een aanstelling als politie-ambtenaar wordt ingevolge artikel 4, tweede lid, eerst verricht nadat alle overige beoordelingen van de geschiktheid van de aspirant-ambtenaar hebben plaats gevonden en het bevoegd gezag (verweerder) op grond daarvan voornemens is de keurling aan te stellen, behoudens aan een met betrekking tot hem in te stellen antecedentenonderzoek of veiligheidsonderzoek.

6.10 Het stellen van gezondheidsvragen op het sollicitatieformulier is derhalve in strijd met genoemde artikelen van de WMK. Dit geldt ook ten aanzien van het bijgevoegde ogenbriefje dat in eerste instantie moet worden ingeleverd bij verweerder. Daaraan doet niet af het betoog van verweerder dat het al dan niet originele sollicitatieformulier met het ogenbriefje niet terechtkomt in het personeelsdossier, maar bestemd is voor het dossier dat door het Bureau Werving en Selectie wordt samengesteld voor de keurend arts.

7. Oordeel

Op grond van vorenstaande en kennisgenomen hebbende van de overgelegde bescheiden is de Commissie van oordeel dat het keuringsbeleid van verweerder in dezen in overeenstemming is met de voorschriften van de Wet op de medische keuringen, met uitzondering van het stellen van vragen over het gezichtsvermogen op het sollicitatieformulier, waarbij verweerder handelt in strijd met artikel 1, onderdeel d, en artikel 4, tweede lid, van de WMK.

8. Aanbeveling

De Commissie doet verweerder de aanbeveling om aspirant sollicitanten voorafgaande
sollicitatie te informeren over de vereisten omtrent het gezichtsvermogen.


  1. Stb. 1995, 236
  2. Stb. 1998, 144 en 586
  3. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.