Oordeel 2004-16

Uitzendkrachten bij havenbedrijf solliciteren op vacatures. Advertentie zegt niets over aanstellingskeuring. Sollicitatieformulier zegt niets over aanstellingskeuring. Sollicitatieformulier stelt vraag over gezondheid. Sollicitanten krijgen voor keuring geen infromtatie over doel, welke vragen en onderzoeken en hun rechten. Werkgever heeft geen medische functie-eisen op schrift gesteld, geen advies gevraagd aan Arbo-arts, geen overleg gehad met OR. Keurend arts keurt sollicitanten goed maar voorziet veiligheidsrisico′s in de toekomst. Uitslag gaat met toestemming sollicitanten naar werkgever. Deze stopt sollicitatieprocedure. Keurend arts stelt dat, keuring inhoudelijk plaatsvindt volgens regels WMK, alleen zijn functie-eisen niet op schrift gesteld. Zij zou niet anders adviseren, nu zij toekomstige risico′s voorziet, die onvermijdbaar zijn, ook al zijn er geen adequate keuringsnormen voorhanden. De Commissie overweegt, dat keurend arts door mee te werken aan aanstellingskeuring, zouden schriftelijke vastleggin medische functie-eisen, keuringsrichtlijnen en procedure, in strijd handelt met WMK. Het geven van dubbelzinnig advies, door werkgever opgevat als negatief advies, maakt het voor sollicitante onmogelijk herkeuring aan te vragen. Keurend arts heeft ongeoorloofd gebruik van keuringsgegevens gemaakt en geheimhoudingsplicht geschonden.


Oordeel 2004-16

20 december 2004

1 Het signaal

1.1 Op 9 juni 2004 heeft de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) een klacht ontvangen van de Ondernemingsraad (hierna: OR) over het stellen van een vraag op het sollicitatieformulier omtrent de gezondheidstoestand door de werkgever, en over het door de werkgever doen verrichten van een aanstellingskeuring voor de functies van havenarbeider, vorkheftruckchauffeur en controleur, in strijd met de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK).

1.2 De aan de Commissie voorgelegde klacht is niet ontvankelijk, omdat noch in de Wet op de ondernemingsraden noch in het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen is voorzien in de bevoegdheid van een OR om een procedure als de onderhavige te initiëren.

1.3 De Commissie heeft evenwel naar aanleiding van dit signaal ingevolge artikel 6, derde lid, van het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen, op grond van de bij de klacht overgelegde bescheiden besloten een eigen onderzoek in te stellen om te bezien of door de werkgever en de keurend arts wordt gehandeld in strijd met de voorschriften van de WMK.

2 De loop van de procedure
2.1 De keurend arts en de werkgever zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten tijdens de hoorzitting op 1 december 2004. Bij deze hoorzitting waren aanwezig:

2.2 In verband met het handelen van de werkgever is een separaat oordeel uitgebracht (oordeel 2004-15).

3 De feiten
Uit de overgelegde bescheiden en hetgeen ter zitting is verklaard, is – voor zover van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 De werkgever is een havenbedrijf.

3.2 Bij de werkgever werken ongeveer 500 medewerkers in vast dienstverband en voorts medewerkers die zijn ingeleend van een uitzendbureau.

3.3 In november 2003 zijn er vacatures opengesteld voor de functies van havenarbeider, vorkheftruckchauffeur en controleur.

3.4 In de betreffende advertenties wordt geen melding gemaakt van een aanstellingskeuring.

3.5 Een aantal van de medewerkers, dat is ingeleend via het uitzendbureau, solliciteert op de betreffende functies.

3.6 Op het sollicitatieformulier staat onder meer de vraag “hoe is uw gezondheidstoestand”.

3.7 Tijdens de sollicitatieprocedure vindt een aanstellingskeuringkeuring plaats.

3.8 Aan de sollicitanten is vóór de aanvang van de keuring geen schriftelijke informatie gegeven over doel, vragen en onderzoeken en evenmin over hun rechten in verband met de keuring.

3.9 De werkgever heeft geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de functie schriftelijk vastgelegd, heeft terzake geen schriftelijk advies gevraagd aan een gecertificeerde Arbo-dienst en heeft evenmin terzake overleg gehad met de OR.

3.10 Na de keuring deelt de keurend arts de sollicitanten mee, dat zij op dit moment zijn goedgekeurd, maar dat er in de toekomst risico’s zijn te voorzien voor hun eigen veiligheid en die van derden.

3.11 De keurend arts deelt de uitslag van de keuring, met toestemming van de sollicitanten, in dezelfde bewoordingen als genoemd onder 3.10 mee aan de werkgever.

3.12 Op grond van de opmerkingen van de keurend arts bij de uitslag van de keuring wordt de sollicitatieprocedure door de werkgever afgebroken.

4. Standpunten van de keurend arts

4.1 De aanstellingskeuring vindt inhoudelijk plaats volgens de voorschriften van de WMK en de ARA-richtlijn, alleen zijn de functie eisen niet op schrift gesteld. Thans zijn de werkgever en zijzelf bezig deze eisen te formuleren en op schrift te stellen.

4.2 De Arbo-dienst, waarbij zij werkzaam is, houdt geen toezicht op het handelen van de keurend artsen, althans bij haar is door de Arbo-dienst niet toegezien dan wel aangedrongen op het opschrift stellen van functie-eisen en keuringsrichtlijnen in de zin van de WMK.

4.3 De manier waarop zij advies heeft gegeven aan de werkgever, zou zij ook nu niet anders doen, omdat zij risico’s voorzag in de toekomst die niet te vermijden zijn. Er zijn voor dit specifieke geval (gehoorbeschadiging) geen adequate normen voorhanden, waaraan getoetst kan worden.

5 Overwegingen van de Commissie

5.1 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keurend arts en de keuringvrager (werkgever). De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van de keurend arts en de keuringvrager.

5.2 Gelet op de uitgangspunten van de wetgever bij de totstandkoming van de WMK, heeft de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling (sollicitant) en in relatie tot de keuringvrager (werkgever). Ook artikelen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), alsmede het Protocol Aanstellingskeuringen gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid van de keurend arts. In dit licht bezien heeft, naast de keuringvrager (werkgever), de keurend arts een eigenstandige verantwoordelijkheid. Het is derhalve aan de keurend arts om, op basis van wettelijke normen en de professionele standaard, te bepalen of de door de werkgever gevraagde uit te voeren keuring kan worden gehonoreerd.

5.3 Vaststaat dat in het onderhavige geval in opdracht van de werkgever door de keurend arts aanstellingskeuringen zijn verricht in de zin van artikel 1, onderdeel a ten eerste, van de WMK, terwijl er geen sprake is van schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de betreffende functie en van keuringsrichtlijnen.

5.4 In dat verband overweegt de Commissie als volgt.

5.5 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling (sollicitant) en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

5.6 Uit dit laatste volgt dat alleen de aanwezigheid van functie eisen – belastingen die als functie eis aan de desbetreffende functie zijn gekoppeld – een rechtvaardiging kan vormen voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring, en dat de risico’s, die met de functie samenhangen, in eerste instantie, zoveel als mogelijk is, door de werkgever door middel van preventieve maatregelen dienen te worden beperkt. Bedrijfsgeneeskundige begeleiding na aanstelling kan bijdragen aan het evalueren en bijstellen van risicobeperkende maatregelen.

5.7 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WMK, en artikel 3, tweede lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, legt de keuringvrager (werkgever) de functie eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vast, nadat de keuringvrager (werkgever) daarover en over de rechtmatigheid van de keuring schriftelijk advies heeft gevraagd aan een gecertificeerde Arbo-dienst.

5.8 Door mee te werken aan een aanstellingskeuring, waarvoor de schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de betreffende functie, van functiegerichte keuringsrichtlijnen en een adequate procedure ontbreken, heeft de keurend arts gehandeld in strijd met bovengenoemde artikelen van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen, hetgeen haar kan worden aangerekend. 

5.9 Dit klemt temeer, nu de keurend arts een dubbelzinnige uitslag van de keuring heeft gegeven aan de werkgever op grond waarvan betrokken sollicitanten, hoewel goedgekeurd, alsnog zijn afgewezen. De gevolgtrekking van een aanstellingskeuring richting werkgever kan blijkens artikel 12, eerste lid, van de WMK en artikel 2.5.2 van het Protocol aanstellingskeuringen, slechts inhouden “een positieve uitslag”, “een positieve uitslag onder bepaalde beperkingen” ( hieronder wordt verstaan dat er geen medische bezwaren zijn tegen aanstelling mits bepaalde maatregelen worden getroffen) “een negatieve uitslag”. Het doel van de aanstellingskeuring is immers dat een oordeel wordt gegeven over de belastbaarheid op het moment van de keuring.

5.10 De keurend arts betoogt in dit verband dat er geen adequate keuringsnormen voorhanden waren. Gelet op de doelstelling van de WMK mag bij het ontbreken van die normen niet worden gekeurd.

5.11 Indien er wel sprake is van normen, maar in het specifieke geval twijfels bestaan bij de keurend arts, kan, volgens artikel 2.5.3 van het Protocol Aanstellingskeuringen, de uitslag voor een periode van vier weken worden aangehouden, teneinde nader onderzoek te doen of aanvullende gegevens te ontvangen. De keurend arts is ook dan aan geheimhouding gebonden en verstrekt de werkgever geen informatie over de reden van het aanhouden van de keuringsuitslag. Indien blijkt dat geen adequate informatie voorhanden is, zal de keurend arts op grond van eigen deskundigheid aan de werkgever een ondubbelzinnige uitslag, zoals hierboven onder 5.9 is overwogen, moeten geven.

5.12 Hoe dit verder ook zij, door te rapporteren aan de werkgever, zoals de keurend arts heeft gedaan heeft zij niet alleen gehandeld in strijd met artikel 2, tweede lid, (ongeoorloofd gebruik van de keuringsgegevens) en 10, tweede en derde lid (geheimhoudingsplicht) van de WMK, maar heeft zij ook aan betrokkenen de mogelijkheid onthouden om een herkeuring aan te vragen ingevolge artikel 12, eerste lid, van de WMK.

5.13 De Commissie heeft kennis genomen van het feit dat de werkgever thans activiteiten heeft ondernomen ten aanzien van de schriftelijke vastlegging van de medische functie eisen, van keuringsrichtlijnen en van procedure voorschriften. Het is de taak van de Arbo-dienst de werkgever te ondersteunen bij het opstellen van een risico-inventarisatie en –evaluatie en te adviseren (schriftelijk) of de aanwezigheid van functie eisen reden vormt voor het uitvoeren van de aanstellingskeuring. Dat hangt onder meer af van de vraag of de bijzondere eisen van medische geschiktheid in gezondheidscriteria kunnen worden vertaald en of er valide medische onderzoeksmethoden beschikbaar zijn om daarmee de geschiktheid vast te stellen.

5.14 De Commissie constateert ten slotte, dat de keurend arts ter zitting heeft aangegeven bij volgende aanstellingskeuringen op dezelfde wijze, met name het doen van uitspraken over de risico’s voor de toekomst, te zullen handelen. De Commissie wijst op de mogelijk tuchtrechtelijke gevolgen van een dergelijke handelwijze.

6 Oordeel
Op grond van vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de keurend arts heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onderdeel a, artikel 2, tweede lid, artikel 4, eerste lid, artikel 8, eerste lid, artikel 10, tweede en derde lid, en artikel 12, eerste lid, van de Wet op de medische keuringen, alsmede artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen.

Aldus gegeven te Utrecht op 20 december 2004 door Th.M.G. van Berkestijn, arts, voorzitter, prof. mr. I.P. Asscher-Vonk en prof. dr. J.H.B.M. Willems, bedrijfsarts, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.