Oordeel 2005-02

Keurend arts voert aanstellingskeuring uit voor gemeentelijke brandweer.
Arbo-dienst, waarvoor keurend arts werkt, stelt dat geen schriftelijk advies is gegeven over de bijzondere eisen van medische geschiktheid, doel en rechtmatigheid van de keuring. De gegevens van alle keurlingen, ook van degenen, die zijn afgekeurd, worden bewaard.
De Commissie overweegt, dat de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid heeft in relatie tot keurling, keuringvrager en de eigen Arbo-dienst. Het is aan de keurend arts om te bepalen of de vraag om te keuren kan worden uitgevoerd. Door mee te werken aan een aanstellingskeuring, waarvoor de schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen van medische geschiktheid en de functiegerichte keuringsrichtlijnen ontbreken, handelt de keurend arts in strijd met de WMK. Indien niet tot aanstelling wordt overgegaan moeten gegevens van de sollicitant verkregen uit de aanstellingskeuring worden vernietigd. Het niet termijn gebonden bewaren van gegevens is strijdig met regelgeving in de Wet bescherming persoonsgegevens en de WGBO.


Oordeel 2005-02

9 februari 2005

1. Het signaal

1.1 Op 27 mei 2004 heeft de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) een verzoek om advies ontvangen over de vraag of het in opdracht van Brandweer S. (hierna: het bevoegd gezag) verrichten van een aanstellingskeuring voor de functie van vrijwillig brandweerfunctionaris door de keurend arts, werkzaam bij (…) (hierna: Arbo-dienst), in strijd is met de voorschriften van de Wet op de medische keuringen (WMK).

1.2 Op 26 juli 2004 heeft verzoeker om hem moverende redenen zijn verzoek ingetrokken.

1.3 De Commissie heeft evenwel op grond van signalen naar aanleiding van dit verzoek, ingevolge artikel 6, derde lid, van het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen, besloten een eigen onderzoek in te stellen om te bezien of door de keurend arts en het bevoegd gezag wordt gehandeld in strijd met de voorschriften van de WMK.

2. De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft in het kader van haar onderzoek schriftelijke informatie gevraagd bij de Arbo-dienst, het bevoegd gezag, en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Directie Rampenbeheersing en Brandweer.

2.2 De keurend arts, de Arbo-dienst en het bevoegd gezag, zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de mondelinge behandeling op 31 augustus 2004. De keurend arts is niet verschenen.

2.3 Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken nadere informatie te laten verstrekken door de keurend arts op het kantoor van de Arbo-dienst.

2.4 Ondanks verscheidene pogingen door de Commissie is het maken van een afspraak met de keurend arts op redelijke termijn evenwel onmogelijk gebleken.

2.5 De Commissie heeft daarom, in het belang van de zaak, besloten op grond van de voorhanden zijnde informatie, haar oordeel te formuleren.

2.6 In verband met het handelen van het bevoegd gezag is een separaat oordeel uitgebracht (oordeel 2005-01).

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden, de informatie van het Ministerie van BZK, en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is – voor zover van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 De keurend arts is werkzaam bij de Arbo-dienst. In die hoedanigheid voert de keurend arts aanstellingskeuringen uit in opdracht van het bevoegd gezag.

3.2 Het bevoegd gezag is een gemeentelijke Brandweer. 

3.3 Op de aanstelling van het personeel van het bevoegd gezag is van toepassing het Besluit van 3 mei 1991, houdende regels betreffende de aanstelling en bevordering, de rangen en de keuring en de controle op lichamelijke en geestelijke geschiktheid van het brandweerpersoneel (hierna: Besluit brandweerpersoneel).

3.4 Onder personeel wordt ingevolge artikel 1, onderdeel a, van het Besluit brandweerpersoneel verstaan: “degenen die in één van de rangen, bedoeld in artikel 2, eerste en derde lid, zijn aangesteld (………………)”.

3.5 Artikel 4 van het Besluit brandweerpersoneel betreft de voorwaarden voor het aanstellen in of bevorderen tot één van de rangen, en luidt – voorzover van belang – als volgt: “Het bevoegd gezag kan een persoon slechts aanstellen in of bevorderen tot één van de rangen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indien deze in ieder geval:
a. in het bezit is van het diploma van de aan de desbetreffende rang gekoppelde opleiding, bedoeld in het Besluit rijksexamen brandweeropleidingen (………………); en
b. voldoet aan artikel 6, eerste lid.”

3.6 Artikel 6 van het Besluit brandweerpersoneel betreft het geneeskundig onderzoek en luidt:
“1. Het personeel dient blijkens een geneeskundig onderzoek in staat te worden geacht de op
te dragen werkzaamheden naar behoren te verrichten.
2. Het geneeskundig onderzoek (…………) bevat in ieder geval:
a. een algemeen lichamelijk onderzoek;
b. een onderzoek naar de fysieke en psychische gesteldheid van het personeel, in relatie tot de op te dragen werkzaamheden.
3. Het geneeskundig onderzoek (……….) geschiedt door of onder verantwoordelijkheid van een door het bevoegd gezag aangewezen bedrijfsarts die is ingeschreven in het register dat  bijgehouden wordt door de Sociaal Geneeskundige Registratiecommissie.”


3.7 Artikel 9 van het Besluit brandweerpersoneel betreft de uitslag van het geneeskundig onderzoek en luidt: “de uitslag van het geneeskundig onderzoek wordt binnen de termijn van twee weken na vaststelling medegedeeld aan het bevoegd gezag en degene die gekeurd is.”

3.8 Artikel 10 van het Besluit brandweerpersoneel betreft de herkeuring: “Degene die gekeurd is, kan binnen een termijn van twee weken na ontvangst van de mededeling van de uitslag van het geneeskundig onderzoek (………) een verzoek om herkeuring indienen bij het bevoegd gezag.”

3.9 De informatie van het Ministerie van BZK luidt – voor zover van belang – als volgt. De verantwoordelijkheid voor de werving en selectie van brandweerpersoneel ligt bij de werkgevers (gemeentebesturen en in sommige gevallen de besturen van regionale brandweren). Voor de aanstelling in functies bij de vrijwillige brandweer gelden dezelfde eisen van vakbekwaamheid. De aanstellingskeuring, welke verplicht is gesteld op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit brandweerpersoneel, geldt derhalve ook voor de functies bij de vrijwillige brandweer. In het rapport “In goede banen” (1) zijn de selectiecriteria voor repressief brandweerpersoneel vastgelegd. Dit rapport is verspreid onder de brandweerkorpsen. Of en zo ja, in hoeverre deze in de praktijk worden toegepast behoort tot de verantwoordelijkheid van de werkgever. In 2004 is binnen het Ministerie overeenstemming bereikt om te komen tot een fundamentele wijziging van het systeem van de kwaliteit van het brandweerpersoneel. Dit heeft geresulteerd in een aantal concrete beleidsvoornemens. In dat verband zal ook de wijze waarop door de verschillende partijen invulling zal worden gegeven aan de aanstellingskeuring aan de orde komen.

4. De standpunten van de Arbo-dienst

4.1 De Arbo-dienst is ISO gecertificeerd. Er wordt gewerkt volgens protocollen. De protocollen zijn niet openbaar.

4.2 Indertijd is een offerte opgesteld voor het bevoegd gezag. Er is, voorzover bekend, geen schriftelijk advies gegeven met betrekking tot de bijzondere eisen van medische geschiktheid, het doel van de keuring en de rechtmatigheid van de keuring.

4.4 Op verzoek van de keurling wordt schriftelijke informatie over de keuring gegeven.

4.5 De uitslag van de keuring wordt eerst meegedeeld aan de keurling en, met toestemming van de keurling, vijf minuten later meegedeeld aan het bevoegd gezag.

4.6 De gegevens van alle keurlingen, ook van degenen die worden afgekeurd, worden bewaard, omdat de wet dit voorschrijft.

4.7 Het rapport “In goede banen” is niet bekend bij de Arbo-dienst.

5 Overwegingen van de Commissie

5.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of het signaal, op grond waarvan onderzoek is gedaan, valt onder het regime van de WMK. Daartoe overweegt de Commissie als volgt.

5.2 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voorzover hier relevant – dat onder een keuring wordt verstaan: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: 1e (……………….) 2e een aanstelling in openbare dienst.

5.3 Uit de informatie van het Ministerie van BZK blijkt dat de vrijwillig brandweerfunctionaris als zodanig wordt aangesteld. Hieruit moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een aanstelling in openbare dienst in de zin van de WMK.

5.4 Uit die informatie blijkt voorts dat de aanstellingskeuring voor de vrijwillig brandweerfunctionaris, evenals die voor de beroeps brandweerfunctionarissen, verplicht is op grond van het Besluit brandweerpersoneel.

5.5 Gelet op vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat het onderzoek valt binnen de reikwijdte van de WMK.

5.6 Thans zal de Commissie beoordelen of de onderhavige aanstellingskeuring voldoet aan de voorwaarden, die de WMK daaraan stelt.

5.7 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (2), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keurend arts en de keuringvrager. De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van de keurend arts (oordeel 2005-02) en de keuringvrager (oordeel 2005-01).

5.8 Gelet op de uitgangspunten van de wetgever bij de totstandkoming van de WMK, heeft de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling (sollicitant), in relatie tot de keuringvrager, en, zonodig, de eigen Arbo-dienst. Ook artikelen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), alsmede het Protocol Aanstellingskeuringen gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid van de keurend arts. In dit licht bezien heeft, naast de Arbo-dienst, de keurend arts een eigenstandige verantwoordelijkheid. Het is derhalve aan de keurend arts om, op basis van wettelijke normen en de professionele standaard, te bepalen of de vraag om de keuring uit te voeren kan worden gehonoreerd.

5.9 De Commissie overweegt hier allereerst dat zij tot haar oordeel is gekomen op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard door de directeur van de Arbo-dienst, waarbij de keurend arts werkzaam is, nu de keurend arts niet is verschenen op de hoorzitting en het ook overigens niet mogelijk is gebleken op redelijke termijn de keurend arts alsnog te horen.

5.10 Vaststaat dat in het onderhavige geval in opdracht van het bevoegd gezag door de keurend arts een aanstellingskeuring wordt verricht in de zin van artikel 1, onderdeel a, onder een, van de WMK, terwijl niet is gebleken van schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de betreffende functie. Evenmin is gebleken van duidelijke keuringsrichtlijnen. Het betoog van de directeur van de Arbo-dienst in dezen, dat de Arbo-dienst ISO-gecertificeerd is, kan de Commissie niet volgen, nu deze certificatie ziet op standaard normen op het gebied van kwaliteitszorg, maar niet op richtlijnen voor de aanstellingskeuring. De vereisten, waaraan een Arbo-dienst moet voldoen bij het verrichten van aanstellingskeuringen staan vermeld in het Reglement Certificatie Arbo-diensten van de Stichting Beheer en Certificatie Arbodiensten (SBCA).

5.11 In dat verband overweegt de Commissie als volgt.

5.12 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling (sollicitant) en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

5.13 Uit dit laatste volgt dat alleen de aanwezigheid van functie eisen – belastingen die als functie eis aan de desbetreffende functie zijn gekoppeld – een rechtvaardiging kan vormen voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring, en dat de risico’s, die met de functie samenhangen, in eerste instantie, zoveel als mogelijk is, door de werkgever door middel van preventieve maatregelen dienen te worden beperkt, waarbij de werkgever zich kan laten adviseren door zijn Arbo-dienst.

5.14 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WMK, en artikel 3, tweede lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, legt de keuringvrager de functie eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vast, nadat de keuringvrager daarover en over de rechtmatigheid van de keuring schriftelijk advies heeft gevraagd aan een gecertificeerde Arbo-dienst.

5.15 Gebleken is dat een dergelijk advies niet is gevraagd door het bevoegd gezag. Het is de verantwoordelijkheid van de keurend arts om te beoordelen of hij desondanks zijn medewerking zal verlenen aan het verrichten van een aanstellingskeuring. De keurend arts handelt in strijd met de voor zijn beroepsgroep geldende professionele standaard en daarmee met de zorgvuldigheidsplicht ex artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek, indien de aanstellingskeuring niet in overeenstemming is met de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen. Overtredingen van deze zorgvuldigheidsnorm kan leiden tot tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. Door mee te werken aan een aanstellingskeuring, waarvoor de schriftelijke vastlegging van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid voor de betreffende functie en van functiegerichte keuringsrichtlijnen ontbreken, heeft de keurend arts gehandeld in strijd met bovengenoemde artikelen van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen, hetgeen hem derhalve kan worden aangerekend.

5.16 Ten aanzien van het bewaren van de gegevens van de sollicitant verkregen uit de aanstellingskeuring overweegt de Commissie dat artikel 2.5.5 van het Protocol Aanstellingskeuringen bepaalt dat, nadat de totale sollicitatieprocedure is afgerond, het medisch dossier betreffende de aanstellingskeuring dient te worden vernietigd, indien niet tot aanstelling wordt overgegaan. Deze bepaling is overeenkomstig de artikelen 9, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, en artikel 7:464, tweede lid, WGBO. Indien het zo is, zoals de Arbo-dienst stelt, dat gegevens altijd worden bewaard, handelt de keurend arts door het verlenen van medewerking aan de Arbo-dienst in strijd met de regelgeving voornoemd.

6 Oordeel

Op grond van vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de aanstellingskeuring voor de repressieve brandweerfuncties in strijd is met artikel 4, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de Wet op de medische keuringen, alsmede artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen, en dat de keurend arts, door daaraan medewerking te verlenen, genoemde normen schendt.


  1. "In goede banen” – Competenties voor repressieve brandweerfuncties – Eindrapportage, oktober 2002, PLATO, Universiteit
    Leiden/BZK “In goede banen”/eindrapportage/ IB,JvL, AZ/okt 02.
  2. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.