Oordeel 2005-03

Klaagster werkt bij een scholengemeenschap en solliciteert intern naar de functie Coördinator Leerlingenzorg. Klaagster wordt afgewezen. Klaagster stelt, dat bij de afweging haar al dan niet te benoemen in die functie, gebruik is gemaakt van de kennis, die de scholengemeenschap heeft over haar gehoorbeperking, zodat er indirect sprake was van een keuring.
Scholengemeenschap stelt, dat andere redenen dan die van de gehoorbeperking, hebben geleid tot afwijzing.
De Commissie overweegt, dat klaagster niet heeft kunnen aannemelijk maken, dat zij is afgewezen op grond van haar gehoorbeperking. Tijdens het sollicitatiegesprek is niet gevraagd naar haar beperking, noch zijn daarover inlichtingen ingewonnen. Klacht is niet ontvankelijk.


Oordeel 2005-03

15 februari 2005

1 De klacht

Op 13 oktober 2004 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of verweerder in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door bij de overwegingen om haar al dan niet in aanmerking te laten komen voor de functie van Coördinator Leerlingenzorg haar gehoorbeperking te betrekken met als gevolg dat de sollicitatie niet heeft geleid tot benoeming in die functie.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft op 29 oktober 2004 besloten het verzoek in behandeling te nemen en heeft een onderzoek ingesteld.

2.2 De Commissie heeft aan klaagster nadere informatie gevraagd.

2.3 Na ontvangst van de informatie heeft de Commissie verweerder bij brief van 20 december 2004 op de hoogte gesteld van de klacht en verzocht om een reactie.

2.4 Verweerder heeft bij brief van 13 januari 2005 gereageerd.

2.9 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 1 februari 2005.

2.10 Klaagster heeft ter zitting nadere bescheiden overgelegd, welke bescheiden bekend zijn bij verweerder.

3 De feiten
Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klaagster is aangesteld als docent bij verweerder. Klaagster werkt in deeltijd.

3.2 Verweerder is een scholengemeenschap.

3.3 Vanwege gehoorbeperkingen zijn de taken van klaagster sinds 1997 verschoven van lesgeven aan klassen naar coördineren en werken met kleine groepen leerlingen.

3.4 Voor deze werkzaamheden heeft klaagster met medewerking van verweerder een tweejarige opleiding tot Remediaal Specialist gevolgd en in 1999 heeft klaagster deze opleiding met succes afgerond.

3.5 In het schooljaar 2003/2004 besluit verweerder in het kader van functiedifferentiatie de functie in te voeren van Coördinator Leerlingenzorg. Aan alle docenten, werkzaam bij verweerder, wordt kenbaar gemaakt dat de mogelijkheid bestaat op deze functie te solliciteren.

3.6 Klaagster solliciteert in april 2004 naar de functie van Coördinator Leerlingenzorg. Op 22 april 2004 vindt het sollicitatiegesprek plaats. Bij het sollicitatiegesprek zijn de centraal directeur en de plaatsvervangend centraal directeur aanwezig.

3.7 Op 26 april 2004 verneemt klaagster dat zij niet in aanmerking komt voor de functie.

3.8 Klaagster maakt bij verweerder op 27 mei 2004 mondeling bezwaar tegen de afwijzing en vraagt een schriftelijke bevestiging van haar afwijzing, welke zij vervolgens heeft ontvangen. De schriftelijke motivering komt erop neer dat alle sollicitaties door de directie zijn besproken en dat is besloten om een ander dan klaagster te benoemen in de betreffende functie.

3.9 Klaagster dient op 30 juni 2004 een beroepschrift in bij de Commissie van Beroep Voortgezet Onderwijs. Bij uitspraak van 5 november 2004 wordt het beroep niet ontvankelijk verklaard.

4 Standpunten van klaagster

4.1 Tijdens het sollicitatiegesprek werd klaagster gevraagd of zij teleurgesteld zou zijn als zij zou worden afgewezen. Desgevraagd werd als reden daarvoor gegeven, dat het een vereiste voor de onderhavige functie is, dat men vier dagen aanwezig is, hetgeen verweerder te riskant vindt in verband met haar gehoorbeperkingen, en dat er vanwege de gehoorbeperkingen problemen kunnen ontstaan bij het toespreken van groepen ouders.

4.2 klaagster heeft in een soortgelijke functie met dezelfde taken de afgelopen jaren goed gefunctioneerd.

4.3 Verweerder heeft bij de afweging voor het al dan niet benoemen in de betreffende functie gebruik gemaakt van zijn kennis over haar gehoorbeperkingen, zodat er indirect sprake is van een keuring.

4.4 Onlangs heeft zij opnieuw informatie ingewonnen bij de plaatsvervangend centraal directeur. Deze heeft gezegd dat de afweging is geweest dat men haar (klaagsters) uren niet kan uitbreiden, omdat zij naast de functie van Coördinator Leerlingenzorg wegens haar handicap geen uren als docent kan invullen.

5 Standpunten van verweerder

5.1 Bij de functie-eisen van Coördinator Leerlingenzorg zijn geen specifieke medische functieeisen geformuleerd.

5.2 De (interne) sollicitanten zijn bekend, zodat een sollicitatiegesprek met iedere sollicitant overbodig was. Slechts met een aantal kandidaten is een sollicitatiegesprek gevoerd, onder andere met klaagster.

5.3 Er is geen verslag gemaakt van de overwegingen die geleid hebben tot de selectie van de kandidaten. Er is wel een directieverslag, maar daarin staat alleen welke kandidaten in aanmerking komen voor de functie.

5.4 Het kan zijn dat er met klaagster tijdens dan wel naar aanleiding van het sollicitatiegesprek is gesproken over de gehoorbeperking van klaagster, maar in ieder geval niet in de zin dat de gehoorbeperking een overweging zou zijn om klaagster niet te benoemen in de functie van Coördinator Leerlingenzorg. Het zijn andere redenen geweest die hebben geleid tot het besluit om een ander in de betreffende functie te benoemen.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of de klacht valt onder het regiem van de WMK. Deze vraag moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 1, onderdeel a, van de WMK. Dit artikel bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: (………………………)
2e een aanstelling in openbare dienst (……………………..)

6.2 De term keuring in de zin van de WMK wordt ruim uitgelegd en omvat, blijkens artikel 4, mede het vragen naar of het anderszins inwinnen van inlichtingen over de gezondheidstoestand en over ziekteverzuim in het verleden. De Commissie wijst hier (ook) op hetgeen is bepaald in hoofdstuk 2, onder 2.2.1 van het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 19961, : “het doel van een aanstellingskeuring is de beoordeling van de huidige belastbaarheid van de keurling ten opzichte van de belasting door de betreffende functie”.

6.2 Het betoog van klaagster in dit verband komt erop neer dat verweerder haar tijdens het sollicitatiegesprek desgevraagd heeft medegedeeld dat zij voor de functie zou kunnen worden afgewezen op grond van haar gehoorbeperking, waaruit klaagster concludeert dat zij op die grond is afgewezen. Klaagster heeft deze door verweerder gemotiveerd betwiste stelling niet weten te onderbouwen. Wegens het ontbreken van enig bewijs voor deze stelling, kan dit betoog derhalve geen doel treffen.

6.3 Uit de verklaringen ter zitting is niet gebleken dat verweerder, ook al zou de gehoorbeperking van klaagster tijdens of na het sollicitatiegesprek aan de orde zijn geweest, zelf heeft gevraagd naar de toestand van de gehoorbeperking van klaagster dan wel anderszins inlichtingen daarover heeft ingewonnen. De Commissie merkt hierbij op dat verweerder al geruime tijd op de hoogte was van de gehoorbeperking van klaagster en dat dit, blijkens de verklaringen van beide partijen ter zitting, nooit tot problemen had geleid bij het functioneren.

6.4 Voorts zijn door klaagster geen bewijzen overgelegd en zijn de Commissie evenmin anderszins omstandigheden gebleken, waaruit zou kunnen worden geconcludeerd, dat verweerder bij de afweging van de geschiktheid van klaagster voor de betreffende functie (impliciet) een met de WMK strijdige beoordeling heeft gegeven omtrent de huidige belastbaarheid van klaagster ten opzichte van de belasting van de functie.

6.5 Op grond van vorenstaande overwegingen is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is, nu er geen sprake is van een keuring in de zin van de WMK en er door verweerder evenmin anderszins in strijd met deze wet is gehandeld.

7 Oordeel
De klacht is ongegrond.