Oordeel 2005-06

De sollicitatie naar de functie van callcenter medewerkster vindt in eerste instantie plaats via een telefonische intake aan de hand van vragen in een computerbestand. Sollicitante wordt niet aangenomen. Sollicitante geeft daarvoor als reden dat zij tijdens de intake op de desbetreffende vragen als antwoord heeft gegeven in het verleden RSI klachten te hebben gehad en thans een (gedeeltelijke) WAO-uitkering heeft.
Het bedrijf stelt dat er geen opnames van het sollicitatiegesprek zijn terug te vinden, die klaagsters klacht zouden kunnen bevestigen en dat medewerkers niet worden geïnstrueerd sollicitanten te vragen naar ziekteverzuim in het verleden of RSI klachten. Wel is het zo dat callcenter medewerkers veel repeterende bewegingen moeten maken en onder druk werken. Aanpassingen op het werk om dit tegen te gaan zijn niet mogelijk. Betreffende sollicitante is echter niet aangenomen omdat zij te weinig werkervaring had.
De Commissie overweegt, dat klaagster haar stelling niet schriftelijk heeft weten te onderbouwen. Door niet ter zitting te verschijnen heeft zij haar klacht niet kunnen motiveren. De klacht is ongegrond.


Oordeel 2005-06

14 maart 2005

1 De klacht
Op 22 november 2004 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of verweerster in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door tijdens een telefoongesprek naar aanleiding van klaagsters schriftelijke sollicitatie naar de functie van call center medewerker vragen te stellen over haar gezondheidstoestand en over haar ziekteverzuim in het verleden.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Daartoe heeft de Commissie allereerst aan klaagster nadere informatie gevraagd.

2.2 Verweerster is bij brief van 17 december 2004 op de hoogte gesteld van de klacht.

2.3 Verweerster heeft op 5 januari 2005 aan de Commissie telefonisch nadere informatie gevraagd over de omstandigheden rondom de klacht en heeft de Commissie uitleg gegeven over de sollicitatie procedure betreffende de functie van call center medewerker bij verweerster.

2.4 Bij e-mail van dezelfde datum heeft klaagster desgevraagd de gewenste informatie verstrekt.

2.5 Verweerster heeft op 26 januari 2005 schriftelijk gereageerd.

2.6 Hoewel tijdig en deugdelijk opgeroepen voor de hoorzitting op 28 januari 2005 zijn partijen niet verschenen.

2.7 Vanwege de kort voor de hoorzitting over en weer gewisselde stukken heeft de Commissie omwille van de zorgvuldigheid partijen alsnog in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.8 De Commissie heeft derhalve haar oordeel gevormd op grond van de stukken.

3 De feiten
Uit de overgelegde bescheiden, is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Verweerster verricht werkzaamheden op het gebied van klantcommunicatie.

3.2 Op 29 september 2004 staat in een plaatselijke krant een advertentie voor de functie van call center medewerkers m/v. De advertentie luidt – voorzover van belang – als volgt: “De uitdaging van flexibiliteit vindt u bij de (……!) Per direct zoeken wij voor ons dag- en avondteam enthousiaste: Call center medewerkers m/v.
Werkzaamheden: verkoop van abonnementen, enquêtes afnemen, service-gesprekken, afspraken maken voor vertegenwoordigers. (…..) Onze ideale kandidaat beschikt over: uitstekende beheersing Nederlands, computervaardigheden (….), klantgerichte instelling, minimaal 3 dagdelen per week beschikbaar (…) Bel om te solliciteren naar (…) of stuur een email naar (…)”.

3.3 Klaagster solliciteert, na telefonisch informatie te hebben ingewonnen, bij e-mail van 30 september 2004 naar de hierboven genoemde functie. De sollicitatiebrief luidt – voorzover van belang – als volgt: “naar aanleiding van uw advertentie in (…), wil ik graag solliciteren naar de functie van Call center medewerker. Bijgaand treft u mijn c.v. aan. Ik ben beschikbaar op (…).”

3.4 Bij verweerster vindt voor de functie van call center medewerker na ontvangst van een sollicitatie in eerste instantie een telefonische intake plaats aan de hand van voorgeprogrammeerde vragen in een computerbestand.

3.5 Op 7 oktober 2004 neemt verweerster telefonisch contact op met klaagster voor een intake gesprek.

3.6 Bij e-mail van 11 oktober 2004 ontvangt klaagster een schriftelijke afwijzing op haar sollicitatie van verweerster. De reactie luidt – voorzover van belang -: “(…..) naar aanleiding van de ontvangst van uw CV en het telefonisch onderhoud met mijn collega delen wij u het volgende mee. Voor de functie van Call center medewerker hebben wij meerdere kandidaten geselecteerd en de uiteindelijke keuze is niet op u gevallen. (……..)”

3.7 Klaagster vraagt verweerster bij e-mail van 12 oktober 2004 om de reden van afwijzing.

3.8 Bij e-mail van 14 oktober 2004 antwoordt verweerster – voorzover van belang -: “ (….) gezien de samenstelling van het huidige team, zoeken wij iemand met relevant werkervaring. (….)”

4 Standpunten van klaagster

4.1 Tijdens het telefoongesprek op 7 oktober 2004 zijn aan haar vragen gesteld omtrent haar gezondheid, met name de vraag of zij RSI-klachten heeft, en zijn vragen gesteld omtrent haar ziekteverzuim in het verleden.

4.2 Volgens klaagster is de reden van afwijzing dat zij tijdens het telefoongesprek, in antwoord op de vragen van verweerster, heeft verteld dat zij inderdaad RSI-klachten heeft gehad en nog steeds een WAO-uitkering heeft.

4.3 Klaagster heeft geen behoefte om alsnog met verweerster in gesprek te gaan dan wel alsnog voor verweerster te gaan werken.

5 Standpunten van verweerster

5.1 De HR Manager bij verweerster stelt dat er geen weergave van het gesprek met klaagster is terug te vinden in het bestand van verweerster, zodat de weergave die klaagster geeft niet kan worden bevestigd.

5.2 Aan de medewerkers wordt niet de instructie gegeven om vragen te stellen over ziekteverleden of RSI-klachten. Wel worden sollicitanten op de hoogte gebracht van de zwaarte van de functie, zodat sollicitanten goed inzicht krijgen in de functie.

5.3 Iemand met RSI-klachten zou ernstige belemmeringen ondervinden bij het uitvoeren van het werk als call center medewerker. De gezondheid van de medewerk(st)ers met RSI zou daardoor in gevaar kunnen komen, omdat aan het werk inherent is dat veel repeterende bewegingen worden gemaakt en onder bepaalde druk moet worden gewerkt. Dat is volgens verweerster niet weg te nemen door aanpassingen van de werkplek.

5.4 Klaagster is afgewezen, omdat zij onvoldoende ervaring had in het telemarketingwerk en niet vanwege haar gezondheid.

5.5 Verweerster biedt aan om met klaagster nog eens om de tafel te gaan zitten om te bezien of er aanleiding is de afwijzing te heroverwegen.

5.6 Eén dag vóór de geplande zittingsdatum schrijft de bedrijfsjurist van verweerster aan de Commissie dat de Commissie de beheersmaatschappij van verweerster heeft aangeschreven en niet de betrokken BV, zodat verweerster niet op de zitting zal verschijnen.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of de klacht valt onder het regiem van de WMK. Deze vraag moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 1, onderdeel a, van de WMK. Dit artikel bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1e een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt, 2e een aanstelling in openbare dienst; (……………………..)

6.2 De term keuring in de zin van de WMK wordt ruim uitgelegd en omvat, blijkens artikel 4 WMK, mede het vragen naar of het anderszins inwinnen van inlichtingen over de gezondheidstoestand en over ziekteverzuim in het verleden. (vgl. CKA 19 december 2002, oordeel 2002-05 en CKA 28 maart 2003, oordeel 2003-01).

6.3 Het betoog van klaagster in dit verband komt erop neer dat verweerster haar tijdens het telefonische sollicitatiegesprek vragen zou hebben gesteld over het hebben van RSI en over ziekteverzuim in het verleden. Klaagster stelt dat zij door bevestigend op deze vragen te antwoorden op die grond door verweerster is afgewezen voor de functie.

6.4 Klaagster heeft deze door verweerster betwiste stelling niet schriftelijk weten te onderbouwen en heeft niet voldaan aan de verplichting een mondelinge verklaring af te leggen tijdens de hoorzitting. De Commissie overweegt te dien aanzien dat het voor sollicitanten in het algemeen moeilijk te bewijzen is wat er is voorgevallen en dat het daarom van belang is ter zitting de klacht toe te lichten.

6.5 Nu klaagster ook naar aanleiding van de door de Commissie geboden mogelijkheid om alsnog op de uitwisseling van de schriftelijke stukken te reageren geen nieuwe gezichtspunten heeft aangedragen ter staving van het door haar gestelde moet worden geconcludeerd dat haar betoog geen doel treft.

6.6 Hieraan doet echter niet af dat verweerster stelt geen verslag te kunnen vinden van het gesprek met klaagster. Verweerster heeft ter onderbouwing van haar betwisting van de klacht slechts mededelingen gedaan over de gebruikelijke gang van zaken, maar de Commissie heeft niet kunnen vaststellen of het door klaagster gestelde in het gesprek met de betrokken medewerkster van verweerster op die wijze heeft plaats gevonden. Hetzelfde geldt met betrekking tot de informatie die verweerster telefonisch aan sollicitanten verstrekt over de zwaarte van de functie. Gelet hierop is de betwisting van de klacht door verweerster niet gemotiveerd.

6.7 Met betrekking tot de door verweerster gestelde onjuiste aanduiding van de wederpartij merkt de Commissie ten overvloede het volgende op. Ware hier sprake van een vergissing, dan heeft verweerster deze verwarring over zichzelf heen geroepen. Immers, de HR Manager van verweerster heeft in eerste instantie zowel telefonisch als schriftelijk gereageerd op de brieven van de Commissie. Voorts wijst de Commissie op hetgeen is weergegeven onder 3.2 ten aanzien van de naam genoemd in de advertentie en het onder 5.5 weergegeven aanbod van verweerster om met klaagster om de tafel te gaan zitten.

7 Oordeel
De klacht is ongegrond.

Aldus gegeven te Utrecht op 14 maart 2005 door Th.M.G. van Berkestijn, voorzitter, dr. C.T.J. Hulshof, bedrijfsarts, en prof. mr. A.C. Hendriks, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.