Oordeel 2005-08

Klager is monteur en solliciteert via een bemiddelingsbureau naar de functie van chefmonteur elektrotechniek. Tijdens het arbeidsvoorwaardengesprek wordt klager verzocht mee te werken aan een aanstellingskeuring, te verrichten door een bedrijfsarts, werkzaam bij een Arbo-dienst. Klager vult een algemene vragenlijst in en ondergaat laboratorium- en biometrisch onderzoek. De keurend arts twijfelt aan de rechtmatigheid van de keuring, maar verricht desondanks de keuring en constateert rugbeperkingen. Telefonisch vindt naderhand contact plaats met werkgever. Klager wordt vervolgens niet aangenomen in verband met zijn rug. 
De Commissie overweegt, dat de functie-eisen zoals verstrekt aan klager verschillen van de functie-eisen waarop is gekeurd. Onduidelijk zijn de keuringsinstrumenten voor de belastingen genoemd in het functieprofiel. De keurend arts heeft onzorgvuldig gehandeld door toch te keuren, terwijl hij twijfelde aan de rechtmatigheid van de keuring. Zonder toestemming van de keurling mag de keurend arts geen inlichtingen over de gezondheidstoestand van de sollicitant aan de werkgever of aan derden verstrekken. Informatie inwinnen en verstrekken op zodanige wijze dat daaruit door de werkgever conclusies kunnen worden getrokken is in strijd met geheimhoudingsplicht van keurend arts.


Oordeel 2005-08

28 april 2005

1 De klacht

1.1 Op 27 januari 2005 heeft klager de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de keurend arts (hierna: verweerder), werkzaam bij een Arbo-dienst heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (WMK) door in opdracht van de werkgever, bij wie klager had gesolliciteerd naar de functie van chefmonteur, bij hem een aanstellingskeuring te verrichten, terwijl er geen bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid zijn vastgelegd, en door medisch inhoudelijke vragen en/of mededelingen te verstrekken aan de werkgever, op grond waarvan de aanstelling geen doorgang heeft gevonden, en medisch inhoudelijke mededelingen te verstrekken aan een bemiddelingsbureau.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.

2.2 Verweerder heeft een verweerschrift overgelegd met bijlagen.

2.3 De Commissie heeft het bemiddelingsbureau, dat klager met verweerder in contact heeft gebracht, vragen gesteld. Het bemiddelingsbureau heeft de vragen bij e-mail van 25 februari 2005 beantwoord. Partijen hebben een kopie ontvangen van deze correspondentie.

2.4 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 8 maart 2005.

2.5 Tijdens de hoorzitting heeft de Commissie de vertegenwoordiger van de Arbo-dienst verzocht om nadere schriftelijke informatie. Bij brief van 10 maart 2005 heeft de vertegenwoordiger van de Arbo-dienst de informatie verstrekt.

2.6 De Commissie heeft tegen de werkgever een apart oordeel uitgebracht (oordeel 2005-07).

3 De feiten

Uit de overgelegde bescheiden en overige schriftelijke informatie, en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klager is monteur.

3.2 Verweerder is bedrijfsarts, werkzaam bij een Arbo-dienst.

3.3 Klager verneemt van een bemiddelingsbureau, dat bij de werkgever, een bedrijf dat technische installaties en het onderhoud van die installaties verzorgt de functie van chefmonteur bij de vestiging te T. vacant is. Het hoofdkantoor van de werkgever is gevestigd te H. Het bemiddelingsbureau maakt voor klager een afspraak voor een sollicitatiegesprek bij de vestiging te T. Klager ontvangt van het bemiddelingsbureau een functiebeschrijving van de functie van chefmonteur elektrotechniek.

3.4 De functiebeschrijving luidt – voor zover van belang -: “(….) het efficiënt en effectief doen organiseren, coördineren en uitvoeren van alle voorkomende elektrotechnische werkzaamheden op projectlocatie(s).” Er worden geen fysieke functie-eisen genoemd.

3.5 Het sollicitatiegesprek vindt plaats op 29 november 2004 met het Hoofd projecten van de werkgever bij de vestiging te T.

3.6 Op 20 december 2004 vindt een arbeidsvoorwaardengesprek plaats bij de werkgever in de hoofdvestiging te H. met het Hoofd personeelszaken, bij welk gesprek het Hoofd projecten eveneens aanwezig is.

3.7 Tijdens dit gesprek deelt het Hoofd personeelszaken klager mondeling mee, dat aan de functie een aantal fysieke eisen worden gesteld en dat het van belang is om te weten of klager aan deze eisen voldoet.

3.8 De fysieke functie-eisen zijn, blijkens de door de werkgever overgelegde bescheiden: “Werkt op projectlocatie in alle stadia van totstandkoming, van open bouw tot en met glasdicht. De omstandigheden kunnen sterk wisselen en lawaaierig en vuil zijn. Werkt in verschillende, soms ongemakkelijke houdingen. Tilt soms zware voorwerpen. Oefent soms zware trek- en duwkracht uit. Werkt regelmatig op hoogte, op steigers of in kruipruimte. Regelmatig traplopen. Draagt persoonlijke beschermingsmiddelen.”

3.9 Het Hoofd personeelszaken van de werkgever vraagt klager mee te werken aan een aanstellingskeuring bij de Arbo-dienst, waarmee klager instemt.

3.10 De werkgever verzoekt de Arbo-dienst een aanstellingskeuring te verrichten en de uitslag van de keuring aan hem mee te delen vóór 1 januari 2005 in verband met de opzegtermijn bij de huidige werkgever van klager.

3.11 Bij brief van 21 december 2004 nodigt de Arbo-dienst klager uit voor een aanstellingskeuring op 27 december 2004 onder bijvoeging van een algemene vragenlijst.

3.12 Bij de Arbo-dienst is een procedure vastgelegd voor de aanstellingskeuringen (Managementhandboek, hoofdstuk: processen, P-5.7 functiegerichte aanstellingskeuringen).

3.13 De keuring wordt verricht door verweerder. Tijdens de keuring moet klager de ingevulde algemene vragenlijst inleveren en wordt laboratorium en biometrisch onderzoek verricht door de doktersassistente.

3.14 Bij het onderzoek door verweerder zelf constateert laatstgenoemde, dat de mate van de fysieke belasting niet is vast te stellen aan de hand van de functiebeschrijving. Verweerder vraagt nadere informatie over de belasting van de functie aan klager zelf, welke informatie klager niet kan verstrekken. Tevens probeert verweerder tijdens de keuring in aanwezigheid van klager tevergeefs deze informatie te verkrijgen bij de bedrijfsarts van de werkgever.

3.15 Verweerder keurt vervolgens toch op de door de werkgever aangegeven belastingen. De belastingen zijn blijkens het door verweerder aan de keurend arts verstrekte functieprofiel:
op hoogte werken > 2,5 meter, klimaat – hoge lage temperatuur, temperatuurwisselingen, in de buitenlucht, in stof/damp/gassen, in droge/vochtige lucht -,
bij draaiende machines, geluid > 80dB incidenteel.

3.16 Verweerder constateert “rugbeperkingen” en zoekt diezelfde dag, 27 december 2004, contact met het Hoofd personeelszaken van de werkgever en spreekt hem later op die dag.

3.17 Eveneens op 27 december 2004 verneemt klager telefonisch van de werkgever, bij monde van het Hoofd personeelszaken, dat er belemmeringen zijn in verband met zijn rug en dat hij daarom niet wordt aangenomen.

4 Standpunten van klager

4.1 Verweerder heeft bij hem (klager) een algemeen medisch onderzoek verricht in het kader van een aanstelling, hetgeen in strijd is met de voorschriften van de WMK, nu hij (klager) heeft geconstateerd, dat er geen bijzondere eisen van medische geschiktheid voor de functie van chefmonteur zijn vastgelegd.

4.2 Hij (klager) heeft een chronische aandoening, welke goed onder controle is en in het geheel geen beperkingen oplevert voor zijn werk.

4.3 Verweerder heeft hem (klager) aangeraden zijn aandoening te melden bij de werkgever, hoewel verweerder tevens heeft gezegd dat de aandoening niet relevant is voor de functie van chefmonteur.

4.4 Verweerder heeft mededelingen gedaan omtrent zijn rugbeperking aan het bemiddelingsbureau en aan de werkgever.

4.5 De werkgever heeft uit de informatie van verweerder de conclusie getrokken dat hij (klager) op grond van zijn rugbeperking niet geschikt is voor de functie van chefmonteur.

5 Standpunten van verweerder

5.1 Gelet op de tijdsdruk heeft verweerder besloten te keuren op de door de werkgever aangegeven belastingen en nog geen uitslag te verstrekken tot hij nadere informatie zou hebben verkregen omtrent de specifieke eisen van medische geschiktheid en omtrent de rechtmatigheid van de aanstellingskeuring.

5.2 Aan klager is uitgelegd dat alleen de relevante vragen van de algemene vragenlijst gebruikt worden voor de aanstellingskeuring. De Arbo-dienst verklaart, dat het om technische redenen niet mogelijk is voor iedere aanstellingskeuring aparte vragenlijsten te ontwikkelen.

5.3 Tijdens het onderzoek stelde verweerder bij klager rugbeperkingen vast.

5.4 Omdat de uitslag van de keuring verstrekt moest worden vóór 1 januari 2005 heeft verweerder na afloop van het onderzoek contact opgenomen met de werkgever om te weten of er sprake was van bijzondere medische eisen voor de functie. Daartoe heeft verweerder bij het Hoofd personeelszaken in algemene zin informatie ingewonnen ten aanzien van de fysieke, rugbeperkende, belasting van de functie. Er is aan de werkgever geen medische informatie verstrekt.

5.5 De aanstellingskeuring is niet voltooid, aangezien verweerder de gevraagde informatie van de werkgever niet heeft ontvangen. Verweerder verwijst hier naar paragraaf 2.5.3 van het Protocol Aanstellingskeuringen.

5.6 Verweerder heeft de zorg van een goed hulpverlener in acht genomen.

5.7 De dag ná de keuring belde het bemiddelingsbureau verweerder op met de vraag wat er aan de hand was en waarom de aanstelling niet door zou gaan. Verweerder heeft geantwoord dat hij informatie had gevraagd bij de werkgever wat betreft de specifieke taken van de functie en dat hij in afwachting daarvan geen uitslag kon geven.

6. Verklaring van de werkgever (schriftelijk en ter zitting)

Het Hoofd personeelszaken verklaart:
De keurend arts heeft getracht mij op 27 december 2004 te pakken te krijgen. Dat lukte niet in eerste instantie. Vervolgens heeft de keurend arts het bemiddelingsbureau gebeld met de mededeling dat er problemen waren. Vervolgens heeft het bemiddelingsbureau met mij contact gezocht. Daarna belde ik de keurend arts terug. In dat gesprek heeft de keurend arts gemeld, dat er rugklachten in het verleden waren, dat bij zwaarder werk deze rugklachten zouden opspelen en dat de arbeidsovereenkomst gegeven de fysieke eisen een probleem zou gaan worden.

7. Schriftelijke verklaring van het bemiddelingsbureau

De consultant van het bemiddelingsbureau verklaart: Ik was op de hoogte van de aanstellingskeuring. Op 27 december 2004 heb ik telefonisch gesproken met de keurend arts. Hij had die ochtend klager gekeurd en gaf aan dat klager een rugbelasting heeft. Daarover heeft de keurend arts melding gemaakt bij het Hoofd Personeelszaken van de werkgever.

8. Schriftelijke verklaring van de Arbo-dienst

Bij brief van 10 maart 2005 heeft de Arbo-dienst de vraag van de Commissie aan de keurend arts omtrent de reden van het verrichten van het bloed-, urine- en longonderzoek, beantwoord. De Arbo-dienst verklaart dat per abuis een set formulieren is gebruikt, die betrekking heeft op een intredeonderzoek, zodat datgene is onderzocht dat bij een intredeonderzoek wordt onderzocht. Uiteraard zou het resultaat van deze onderzoeken geen invloed hebben gehad op de nog te verstrekken keuringsuitslag door de keurend arts.

9. Overwegingen van de Commissie

9.1 De voorliggende kwestie betreft de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met de WMK door gevolg te geven aan de opdracht van de werkgever tot het verrichten van een aanstellingskeuring voor de functie van chefmonteur en door vervolgens, omdat bleek dat er geen bijzondere eisen van medische geschiktheid waren vastgesteld, zodanige medisch inhoudelijke vragen te stellen en/of mededelingen te doen aan de werkgever, dat laatstgenoemde heeft besloten de toegezegde aanstelling niet door te laten gaan. De voorliggende kwestie betreft tevens de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met de WMK door medisch inhoudelijke mededelingen te doen aan het bemiddelingsbureau.

9.2 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keurend arts (verweerder) en de keuringvrager (werkgever). De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van verweerder (oordeel 2005-08) en van de werkgever (oordeel 2005-07).

9.3 Gelet op de uitgangspunten van de wetgever bij de totstandkoming van de WMK, heeft de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling (sollicitant), in relatie tot de keuringvrager, en, zonodig, de eigen Arbo-dienst. Ook artikelen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), alsmede het Protocol Aanstellingskeuringen gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid van de arts. In dit licht bezien heeft, naast de Arbodienst, de keurend arts een eigenstandige verantwoordelijkheid. Het is derhalve aan de keurend arts om, op basis van wettelijke normen en de professionele standaard, te bepalen of de vraag om de keuring uit te voeren kan worden gehonoreerd.

9.4 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan “vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: 1e een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt, (……………………..)”.

9.5 Vast is komen te staan, dat in opdracht van de werkgever door verweerder een aanstellingskeuring is verricht in de zin van artikel 1, onderdeel a, ten eerste, van de WMK.

9.6 De voorwaarden voor het verrichten van een aanstellingskeuring zijn nader uitgewerkt in de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

9.7 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de WMK, juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

9.8 Uit dit laatste volgt dat alleen de aanwezigheid van functie-eisen – belastingen die als functie eis aan de desbetreffende functie zijn gekoppeld – een rechtvaardiging kan vormen voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring, en dat de risico’s, die met de functie samenhangen, in  eerste instantie, zoveel als mogelijk is, door de werkgever door middel van preventieve maatregelen dienen te worden voorkomen.

9.9 Uit de hierboven genoemde artikelen van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen blijkt het nu juist de bedoeling te zijn van de WMK om het aantal aanstellingskeuringen te beperken tot die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat. Daarbij dienen dan per bijzondere functie-eis (medische) toetsingscriteria te worden ontwikkeld, waarbij bovendien moet worden nagegaan of er valide onderzoeksmethoden bestaan om die toetsing mogelijk te maken.

9.10 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WMK, en artikel 3, tweede lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, legt de keuringvrager (de werkgever) de functie-eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vast, nadat de keuringvrager daarover en over de rechtmatigheid van de keuring schriftelijk advies heeft gevraagd aan een gecertificeerde Arbo-dienst.

9.11 De functieomschrijving van de fysieke aspecten van de functie van chefmonteur, die aan klager zijn verstrekt, en de functie-eisen, die aan verweerder zijn verstrekt en waarop verweerder heeft gekeurd, verschillen van elkaar. De Commissie vindt derhalve de onder 9.9 genoemde systematiek niet terug. Ook heeft de Commissie geen inzicht gekregen in de keuringsinstrumenten voor de belastingen genoemd in het betreffende functieprofiel.

9.12 Gelet op vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel, dat verweerder heeft gehandeld in strijd met genoemde artikelen van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen, nu verweerder, die immers zelf twijfelde aan de rechtmatigheid van de keuring, desalniettemin een keuring heeft uitgevoerd. Immers, zoals hierboven overwogen heeft de keurend arts een eigenstandige verantwoordelijkheid om op basis van wettelijke normen en de professionele standaard te bepalen of de vraag om de keuring uit te voeren kan worden gehonoreerd.

9.13 Het betoog van verweerder in dit verband op aanhouden van de keuring met een beroep op artikel 2.5.3 van het Protocol Aanstellingskeuringen kan de Commissie niet volgen, nu die bepaling ziet op uitslagen van medische onderzoeken of opgevraagde medische gegevens over de keurling, die nog niet zijn ontvangen, dan wel tijdelijke omstandigheden de keurling betreffende. Ook kan de uitslag van het onderzoek worden aangehouden, omdat de keurend arts een andere arts om een second opinion (niet zijnde een herkeuring) vraagt. In al die gevallen is de keurend arts ook dan aan geheimhouding gebonden en verstrekt hij de werkgever geen informatie over de reden van het aanhouden van de keuringsuitslag. Het artikel ziet derhalve niet op het vragen van informatie aan de werkgever omtrent de geconstateerde afwezigheid van bijzondere eisen van medische geschiktheid.


9.14 De Commissie wijst hier ook op de procedure voorschriften van de Arbo-dienst, waaruit – conform bovenstaande - blijkt dat de bedrijfsarts, alvorens een keuring uit te voeren, op basis van de Algemene richtlijn aanstellingskeuringen (ARA) vaststelt of er bijzondere functie-eisen zijn (stappen 1 tot en met 3), waarbij de Commissie opmerkt dat de toetsing van de aanvraag door de doktersassistente valt onder de verantwoordelijkheid van de keurend arts. Onder stap 4 staat vermeld dat, indien nodig, aanvullende informatie kan worden gevraagd uit de curatieve sector. Pas wanneer de aanstellingskeuring is voltooid geeft de keurend arts, na schriftelijke toestemming van de keurling, de uitslag “geschikt of ongeschikt” door aan de werkgever (stap 5).

9.15 Ten aanzien van de communicatie tussen verweerder en de werkgever en tussen verweerder en het bemiddelingsbureau overweegt de Commissie als volgt.

9.16 De keurend arts mag zonder gerichte toestemming van de keurling geen inlichtingen aan de werkgever als keuringvrager over de keurling verstrekken. In artikel 10, tweede en derde lid, van de WMK staat dit met zoveel woorden vermeld. De keurend arts is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem over de keurling bekend is en deelt niet meer mee dan voor het doel van de keuring strikt noodzakelijk is. De keurend arts heeft op grond van artikel 10, tweede lid, van de WMK uiteraard eveneens een geheimhoudingsplicht jegens derden, zoals in casu het bemiddelingsbureau.

9.17 Uit de verklaringen van zowel de werkgever als het bemiddelingsbureau kan de Commissie niet anders concluderen dan dat verweerder met betrokkenen heeft gesproken over de rugklachten van klager in het verleden. Deze verklaringen worden tevens ondersteund door hetgeen klager zegt rechtstreeks van betrokkenen te hebben vernomen, alvorens klager besloot een klacht in te dienen. Ook de verklaring van verweerder zelf dat “in algemene zin informatie is ingewonnen ten aanzien van de fysieke, rugbeperkende, belasting van de functie” steunt de Commissie in deze conclusie voor zover deze betrekking heeft op de informatie die verweerder heeft verstrekt aan de werkgever.

9.18 Gelet op bovenstaande is de Commissie van oordeel, dat dit handelen van verweerder niet getuigt van het in acht nemen van de zorg van een goed hulpverlener, zoals verweerder stelt, maar dat verweerder heeft gehandeld in strijd met genoemde geheimhoudingsplicht.

9.19 Ten aanzien van de (per abuis) gebruikte standaard vragenlijsten overweegt de Commissie dat bij een goed formuleren van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid in het algemeen een (groot) aantal vragen overbodig is evenals het verrichten van bloed-, urine en longonderzoek, en derhalve ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WMK een dergelijk onderzoek niet verricht mag worden, ook al worden in geval van standaardvragenlijsten de antwoorden/uitslagen niet meegewogen bij de beoordeling van de uitslag van de keuring.

10. Oordeel van de Commissie
Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het oordeel dat de klacht gegrond is.
Verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen door bij klager een aanstellingskeuring te verrichten, welke niet voldoet aan de bepalingen van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen, en door aan de werkgever en een bemiddelingsbureau medisch inhoudelijke mededelingen te doen over de gezondheid van klager.

Om redenen ontleend aan het algemeen belang zal het oordeel geanonimiseerd worden gepubliceerd op de website van de Commissie en worden aangeboden aan de daarvoor in aanmerking komende juridische en medische tijdschriften.

Aldus gegeven te Utrecht op 28 april 2005 door Th.M.G. van Berkestijn, voorzitter, mr. E. Cremers– Hartman en prof. dr. J.H.B.M. Willems, bedrijfsarts, leden van de Commissie klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.
  2. Deze norm is ontleend aan de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en de “ Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens” (1992, KNMG)