Oordeel 2006-02

Het is mede de taak van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat aan de vereisten van de WMK is voldaan. De keurend arts heeft ten aanzien van het informed consent principe een eigen professionele verantwoordelijkheid. Dat hij bij zijn manager van de Arbo-dienst informatie heeft ingewonnen over de rechtmatigheid van de keuring en over het al dan niet bestaan van een dienstverband, waarbij hij afging op diens deskundigheid, doet daaraan niet af.


Oordeel 2006-02

1 Het signaal

1.1 Op 23 september 2005 heeft klaagster, werkzaam bij de Arbo-dienst, de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of het bevoegd gezag heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (WMK) door opdracht te geven voor het verrichten van een aanstellingskeuring voor de functie van keuringsdierenarts, terwijl de keurling al in dienst was bij het bevoegd gezag en de keurling door het bevoegd gezag niet was geïnformeerd over de medische functie-eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht.

1.2 Op grond van aan de Commissie tijdens de klachtprocedure verstrekte informatie over de gevolgde keuringsprocedure en de wijze waarop de keuring uiteindelijk is uitgevoerd heeft de Commissie besloten ook een oordeel uit te brengen over het handelen van de keurend arts.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft klaagster nadere vragen gesteld, waaronder de vraag of haar klacht intern al bij de Arbo-dienst was behandeld, welke vragen door klaagster bij brief van 13 oktober 2005 zijn beantwoord. Vervolgens heeft de Commissie het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.

2.2 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk toe te lichten, waarvan door partijen geen gebruik is gemaakt.

2.3 Inzake de klacht is tegen het bevoegd gezag een apart oordeel uitgebracht (oordeel 2006-01).

3. De feiten

Uit de overgelegde bescheiden, en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is - voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klaagster is bedrijfsarts i.o. en werkzaam bij de Arbo-dienst.

3.2 Het bevoegd gezag is een rijksdienst, vallend onder het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), en onder meer belast met de werkzaamheden voor de keuring van vee en vlees.

3.3 Per 1 mei 2005 gaat het bevoegd gezag een tijdelijk dienstverband aan met de dierenarts in de functie van keuringsdierenarts en vraagt op 4 mei 2005 voor de dierenarts een aanstellingskeuring aan bij de Arbo-dienst met het verzoek de keuring op heel korte termijn te doen verrichten.

3.4 De (administratie van de) Arbo-dienst plant het verrichten van de betreffende aanstellingskeuring in de elektronische agenda van klaagster in op 9 mei 2005.

3.5 Bij de Arbo-dienst is het gebruikelijk dat de keuring aanvangt met medische onderzoeken die worden verricht door de teamassistent en dat daarna het onderzoek wordt voortgezet door de keurend arts.

Ten aanzien van de keuring op 9 mei 2005

3.6 De dierenarts, hierna: keurling, weigert mee te gaan met de teamassistent naar de onderzoeksruimte, omdat hij geen informatie heeft ontvangen over het doel van de keuring en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht. De teamassistent neemt contact op met klaagster.

3.7 Vervolgens heeft klaagster een gesprek met de keurling.

3.8 Klaagster besluit om de aanstellingskeuring af te breken, omdat zij op grond van de voorhanden informatie van mening is dat de keuring in strijd is met de WMK. Klaagster neemt dit besluit nadat zij nadere informatie over het moment van aanstelling van de keurling heeft ingewonnen bij het Hoofd van de afdeling Personeel en Organisatie (P&O) van het bevoegd gezag. Klaagster deelt haar besluit vervolgens gemotiveerd mee aan de afdeling P&O en meldt de gang van zaken bij de Manager Verzuim en Reïntegratie (hierna: MVR) bij de Arbodienst.

3.9 De kwestie wordt bij de Arbo-dienst intern besproken en klaagster wordt in haar opvatting gesteund door andere deskundigen van de Arbo-dienst. Klaagster heeft een aantal keren contact met het bevoegd gezag. In een e-mail van 13 mei 2005 licht een medewerker van de afdeling P&O van het bevoegd gezag het standpunt over de toelaatbaarheid van de aanstellingskeuring toe. Op 3 juni 2005 heeft klaagster een gesprek over de gronden van het besluit om de aanstellingskeuring af te breken met de Kringdirecteur en het Hoofd van de afdeling P&O van het bevoegd gezag. Het verschil van mening over de toelaatbaarheid van de keuring wordt tijdens dat gesprek niet opgelost.

3.10 Bij e-mail van 13 mei 2005, gericht aan klaagster, en vervolgens bij brief van 3 juni 2005, gericht aan de MVR bij de Arbo-dienst, laat het bevoegd gezag weten dat zij het niet eens is met het standpunt van klaagster en verwijst naar artikel 9 van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR). De brief van 3 juni 2005 luidt – voor zover van belang -: “(…..) Artikel 9 van het ARAR schrijft namelijk voor dat een aanstelling voor de tijd van langer dan drie maanden slechts kan plaats vinden, indien het bevoegd gezag op grond van de gegevens waarover het beschikt van oordeel is dat de betrokkene voldoende geschikt en bekwaam is voor de desbetreffende functie. Teneinde vast te stellen of de betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is, wordt deze aan een onderzoek onderworpen, waaronder begrepen het verifiëren en zonodig aanvullen van gegevens die zonodig door de betrokkene desgevraagd zijn verstrekt. Het onderzoek zoals hierboven staat beschreven omvat tevens een geneeskundig onderzoek, indien dit op grond van een wettelijk voorschrift verplicht is gesteld dan wel indien op grond van de functie-eisen een onderzoek naar de medische geschiktheid van betrokkene noodzakelijk is, zoals in het geval van een keuringsdierenarts. Op basis van het bovenstaand artikel uit het ARAR en het feit dat zowel in de WMK als in de Regeling van de aanstellingskeuringen geen tekst wordt gewijd aan het moment waarop een aanstellingskeuring dient plaats te vinden, (is het bevoegd gezag) van mening dat (klaagster) in deze onjuist heeft gehandeld (……..)”

3.11 De MVR bij de Arbo-dienst antwoordt bij brief van 30 juni 2005 dat klaagster juist heeft gehandeld, met verwijzing naar de WMK en het Protocol Aanstellingskeuringen.

3.12 Naar aanleiding van deze laatste brief wordt door een jurist werkzaam bij de afdeling P&O van het hoofdkantoor van het bevoegd gezag op 11 juli 2005 telefonisch contact opgenomen met de MVR bij de Arbo-dienst, waarbij wordt ingegaan op de vraag of een aanstellingskeuring juridisch wel of niet mogelijk is nadat de keurling al aan het werk is gegaan.

3.13 Dit gesprek wordt bevestigd bij e-mail van diezelfde datum. De tekst van de e-mail luidt – voor zover van belang - als volgt: “(…..) onverlet blijft dat het verzoek tot het verrichten van de aanstellingskeuring het voornemen van de dienst gold om betrokkene per 1 augustus 2005 aan te stellen in vaste dienst als keuringsdierenarts. Het feit dat betrokkene, in afwachting van de uitkomst van de aanstellingskeuring, reeds op basis van een tijdelijke aanstelling voor de duur van 3 maanden alvast aan de slag is gegaan, doet hieraan niets af. De verzochte aanstellingskeuring is ten dienste van de voorgenomen vaste aanstelling die in de toekomst ligt en uitdrukkelijk niet van de reeds ingegane tijdelijke aanstelling. (…..) U stelt dat in artikel 9 lid 1 ARAR wordt bepaald dat een aanstelling pas kan plaatsvinden indien het bevoegde gezag op grond van de beschikbare gegevens van oordeel is dat betrokkene in voldoende mate geschikt en bekwaam is voor de betreffende functie. Dat is niet helemaal wat er staat. Cruciaal is hier natuurlijk de door u weggelaten zinsnede “….aanstelling voor de tijd langer dan drie maanden…” Met deze bepaling geeft het ARAR een praktische oplossing voor de situatie die kan ontstaan, wanneer enerzijds het voorgenomen moment van het begin van de aanstelling daar is en, anderzijds de verplicht gestelde aanstellingskeuring nog niet heeft plaatsgevonden (bijv. door een wachtlijst, ziekte of vakantie bij de keuringsinstelling). Artikel 9 ARAR biedt een ruimte van 3 maanden om alsnog de voor de voorgenomen aanstelling vereiste aanstellingskeuring gedaan te krijgen. (…..)” Tenslotte vraagt het bevoegd gezag spoed te zetten achter de gevraagde aanstellingskeuring.

3.14 Bij e-mail van 12 juli 2005 deelt de MVR bij de Arbo-dienst aan het bevoegd gezag – voor zover van belang – het volgende mee: “(….) Duidelijk is dat het geschil berust op een misverstand daar wij aannamen dat de (keurling) reeds bij u in dienst was getreden omdat hij op het tijdstip van de oorspronkelijke keuring reeds aan het werk was. Naar nu duidelijk is geworden bent u voornemens de (keurling) pas per 1 augustus 2005 een vaste aanstelling te geven. Een aanstellingskeuring is dan inderdaad conform de regelgeving toegestaan. (….)

Ten aanzien van de keuring op 28 juli 2005

3.15 De aanstellingskeuring wordt tenslotte op 28 juli 2005 uitgevoerd door een collega van klaagster, eveneens werkzaam bij de Arbo-dienst.

3.16 Voorafgaand aan de keuring ontvangt de keurling van de Arbo-dienst een “Vragenlijst Aanstellingskeuring volgens de Leidraad aanstellingskeuringen” , die hij moet invullen, en de omschrijving van de functie-eisen. Dit laatste is als volgt geformuleerd: “ SPECIFIEKE TOELICHTING VOOR DE SOLLICITANT, Aanstellingskeuring vastgesteld volgens de Leidraad Aanstellingskeuringen. FUNCTIE: Keuringsdierenarts, WERKGEVER: RVV. De volgende bijzondere functie-eisen zijn bij uw aanstelling van belang: Lopen, hurken, knielen, kruipen, energetische belasting, buigen, draaien, scherp zien op afstand, scherp zien dichtbij, kleuren zien, horen, waakzaamheid, oordeelsvermogen, blootstelling huid, stof, dampen, huidcontact, besmettingsgevaar derden. In verband met bovengenoemde functie-eisen bestaat de inhoud van uw aanstelling uit: 1.een vragenlijst met gezondheidsvragen die behoren bij deze functie-eisen, 2. biometrie (vooronderzoek), 3. lichamelijk onderzoek.”

3.17 Na de keuring verklaart de keurend arts de keurling geschikt voor de functie van keuringsdierenarts. De keurling geeft door het zetten van zijn handtekening op de “toestemmingsverklaring uitslag aanstellingskeuring” schriftelijk gerichte toestemming de uitslag van de keuring kenbaar te maken aan het bevoegd gezag. Ook ondertekent de keurling in aanwezigheid van de keurend arts “Gezondheidsverklaring deel I voor personen die bij bedrijven in de voedingsmiddelensector werken/in dienst treden” betreffende het hebben geleden dan wel lijden aan een aantal (besmettelijke) ziektes, en, evenals de keurend arts, “Gezondheidsverklaring deel II voor personen die bij bedrijven in de voedingsmiddelensector werken/ in dienst treden”. Deze laatste verklaring luidt – voor zover van belang -:
“Ondergetekende (arts) (…) verklaart heden (…) te hebben onderzocht en van mening te zijn dat op grond van deel I vermelde gegevens en van de resultaten van het door hem nodig geoordeelde onderzoek geen bezwaar bestaat tegen werken, indiensttreding of hervatting van werkzaamheden in een functie waarbij betrokkene belast is met:
- be- en verwerking van vers vlees, vis, eieren en eiproducten Of - hanteren van voedingsmiddelen in de levensmiddelenbereiding (….) Ondergetekende (keurling) verklaart dat hij gedurende zijn dienstverband onmiddellijk melding zal maken (………..) indien hij lijdt of denkt te lijden aan een besmettelijke ziekte. (….)”

3.18 De keurend arts ondertekent op 28 juli 2006 ook nog de volgende verklaring: “(vers vlees, verse vis of kip) Verklaring in verband met de Wet op de medische keuringen. Het onderzoek voor bovengenoemde medewerker bestond uit de volgende onderdelen:

* gezondheidsverklaring van de RVV;
* gerichte anamnese met aandacht voor huidziekten, darminfecties en diarree, andere besmettelijke ziekten en algemene weerstand tegen infecties;
* onderzoek van de huid, vooral van handen en onderarmen;
* overig lichamelijk onderzoek alleen op gerichte indicatie;
* betrokkene in aanwezigheid van arts gezondheidsverklaring RVV deel I laten invullen en ondertekenen;
* invullen en ondertekening van de gezondheidsverklaring RVV deel II door de arbo-arts, onderste verklaring van deel II mede laten ondertekenen door betrokkene; (…..)”


3.19 Voorts ondertekent de keurend arts de “WMK-VERKLARING in verband met de Wet Medische Keuringen-Aanstellingskeuring vastgesteld volgens de Leidraad Aanstellingskeuringen. FUNCTIE: Keuringsdierenarts, WERKGEVER: RVV”  Daarin staat – voorzover relevant -: “(…..) Ondergetekende verklaart alleen de onderstaande onderzoeksonderdelen uitgevoerd te hebben bij (….) vragenlijst: gezondheidsvragen behorend bij de volgende van toepassing zijnde bijzondere functie-eisen: lopen, hurken, knielen, kruipen, energetische belasting, buigen, draaien, scherp zien op afstand, scherp zien dichtbij, kleuren zien, horen, waakzaamheid, oordeelsvermogen, blootstelling huid, stof, dampen, huidcontact, besmettingsgevaar derden; biometrie: lengte, gewicht, bloeddruk/pols, audiogram, visusonderzoek (….), visus nabij/ beeldscherm, gezichtsveldonderzoek (confrontatiemethode), kleuronderscheidingsvermogen (KOV), ECG in rust, longfunctie-onderzoek (spirometrie) (……………) CONCLUSIE: betrokkene is voor de functie geschikt (…..)” 

4 Standpunten van klaagster

De onderhavige aanstellingskeuring is om meerdere redenen in strijd met de WMK. De keurling was al in dienst bij verweerster terwijl een aanstellingskeuring alleen voorafgaand aan de aanstelling mag plaatsvinden. De werkgever heeft tevoren geen bijzondere risico’s beschreven op basis waarvan bijzondere functie-eisen hadden kunnen worden opgesteld; deze functie-eisen waren dan ook niet beschikbaar, zodat evenmin een specifiek op de risico’s afgestemd keuringsregime beschikbaar was. Uit het gesprek dat klaagster met keurling had, bleek ook dat hij geen informatie had gekregen over het doel en de inhoud van de keuring. Er was een geschil tussen de keurling en verweerster, dat eerst in onderling overleg had moeten worden opgelost. Ten aanzien van de keuring op 28 juli 2005, verricht door haar collega, verklaart klaagster dat zij haar collega erop heeft gewezen dat hij volgens haar zou handelen in strijd met de WMK, indien hij de keuring toch zou uitvoeren. 

5 Standpunten van het bevoegd gezag

Het bevoegd gezag blijft bij haar standpunt verwoord in de brief van 3 juni 2005, genoemd onder 3.10 en in de e-mail van 11 juli 2005, genoemd onder 3.13. Voorts stelt het bevoegd gezag dat de functie-eisen bij de keurling bekend waren, omdat hij eerder in die functie bij het bevoegd gezag heeft gewerkt, en dat er bij de afdeling P&O van het ministerie een keuringsbeleid geldt voor de onderhavige functie.

6 Verklaring van de getuige/keurling

Ik heb mij op 20 maart 2005 aangemeld voor de functie van keuringsdierenarts en ben per 1 mei 2005 in dienst getreden. Toen ben ik de werkzaamheden gaan verrichten die bij de functie horen. Ik had een tijdelijk dienstverband voor drie maanden en heb per 1 augustus 2005 een vast dienstverband gekregen. Omdat ik was opgeroepen voor een keuring, ben ik naar de Arbo-dienst gegaan. Ik heb geweigerd mee te werken aan de keuring op 9 mei 2005, omdat ik geen informatie had gekregen over het doel en de inhoud van de keuring en omdat ik al in dienst was.

7 Verklaring van de Arbo-dienst

Ten tijde van de opdracht tot het doen van de aanstellingskeuring op 9 mei 2005 waren er geen medische functie-eisen voorhanden voor de onderhavige functie. Desgevraagd verklaart de MVR van de Arbo-dienst, dat dit niet is meegedeeld in de brief van 30 juni 2005 aan het bevoegd gezag, omdat de kwestie toen was toegespitst op het aanwezig zijn van een dienstverband. Desgevraagd verklaart de MVR van de Arbo-dienst dat met name de standpuntbepaling van het bevoegd gezag in het e-mailbericht van 11 juni 2005 omtrent de mogelijkheid van het doen van een aanstellingskeuring volgens het ARAR, intern bij de Arbo-dienst de zienswijze heeft gewijzigd. In de ogen van de Arbo-dienst is een tijdelijk dienstverband ook een dienstverband. Het e-mailbericht van 11 juni 2005 heeft hem ervan overtuigd dat het verrichten van de aanstellingskeuring wel was toegestaan vanwege de bepalingen in het ARAR. Desgevraagd verklaart de MVR dat hij intern bij de Arbo-dienst deskundigen heeft geraadpleegd maar in hoofdzaak is afgegaan op de deskundigheid van het bevoegd gezag. Alvorens de aanstellingskeuring opnieuw uit te voeren heeft de Arbo-dienst van het bevoegd gezag een functieomschrijving gekregen. Omdat dit niet genoeg was voor het verrichten van een aanstellingskeuring is door de Arbo-dienst telefonisch overleg gevoerd over de medische functie-eisen. Desgevraagd verklaart de MVR van de Arbo-dienst dat de dienst wel beleid heeft ontwikkeld inzake het verrichten van aanstellingskeuringen maar dat het uiteindelijk de arts is die de verantwoordelijkheid heeft voor de keuring.

8 Verklaring van de keurend arts

Voorafgaande aan de keuring heb ik een gesprek gehad met mijn manager (red.: MVR bij de Arbo-dienst), omdat ik zelf een aantal vragen had over de keuring. Mijn manager verzekerde mij dat er uitvoerig overleg was geweest over de aanwezigheid van een dienstverband en de legitimiteit van een aanstellingskeuring. Dit overleg had zowel intern, met deskundigen op het gebied van keuringen, als met het bevoegd gezag plaatsgevonden. De conclusie was dat deze keuring wel mocht plaatsvinden. Ik heb mij aan die conclusie geconfirmeerd. Verder vertelde mijn manager mij dat er aanvankelijk alleen een functiebeschrijving aanwezig was en dat dit manco onderwerp van gesprek was geweest met het hoofd van de afdeling P&O van het bevoegd gezag. Mijn manager heeft, omdat de tijd drong, telefonisch met het hoofd personeelszaken besproken wat de geëigende procedure was en dat er specifieke eisen geformuleerd moesten worden alvorens een keuring conform de WMK te kunnen laten plaatsvinden. Samen hebben zij het formulier inventarisatie functie-eisen voor aanstellingskeuring ingevuld. Aan de hand hiervan zijn de bijzondere functie-eisen vastgesteld. Op basis daarvan zijn, op geautomatiseerde wijze, volgens de Leidraad Aanstellingskeuringen de vragenlijst en noodzakelijke onderzoeken om tot een gefundeerde uitspraak te kunnen komen, gegenereerd. Tegen deze achtergrond heb ik mij voldoende geïnformeerd geacht om in redelijkheid de keuring te kunnen uitvoeren. De keurling heeft een uitnodigingsbrief thuisgestuurd gekregen met daarbij een opsomming van de bijzondere functie-eisen, waarop werd gekeurd en de vragenlijst. Desgevraagd verklaart de keurend arts dat hij voorafgaande aan de keuring door klaagster is geïnformeerd over de gang van zaken tijdens en de periode na de door haar afgebroken keuring en dat hij door klaagster is gewaarschuwd.

9 Overwegingen van de Commissie

9.1 Zowel wat betreft de klachtprocedure als het onderzoek op grond van signalen ontvangen uit de klachtprocedure staat tussen partijen vast dat de aan de Commissie ter beoordeling voorgelegde keuring een aanstellingskeuring betreft, zodat beoordeeld moet worden of deze keuring voldoet aan de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

9.2 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager (het bevoegd gezag) en de keurend arts. De Commissie heeft daarom mede onderzoek gedaan naar het handelen van de keurend arts en een afzonderlijk oordeel daarover gegeven.

Voorschriften WMK en Besluit aanstellingskeuringen

9.3 Uitgangspunt van de WMK is dat aanstellingskeuringen beperkt toelaatbaar zijn teneinde uitsluiting van de arbeidsmarkt te voorkomen en de privacy van werknemers te beschermen. De aanstellingskeuring mag daarom niet worden gebruikt als instrument van risicoselectie van werknemers voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de toekomst. Als het verrichten van een aanstellingskeuring wettelijk is toegestaan, vormt deze keuring om die reden het sluitstuk van de selectieprocedure.

9.4 Volgens artikel 1, onder a, ten tweede, van de WMK wordt onder een keuring verstaan: “vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van een aanstelling in openbare dienst”.

9.5 In artikel 4, eerste lid, van de WMK, juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen wordt bepaald dat een aanstellingskeuring alleen mag plaats vinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.

9.6 Onder bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid wordt verstaan:
- de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; en
- de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, die niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

De risico’s die met de functie samenhangen moeten dus in eerste instantie zoveel mogelijk door de werkgever worden voorkomen door preventieve maatregelen te treffen.

9.7 Een aanstellingskeuring mag derhalve alleen worden verricht in die situaties, waarbij functieeisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat.

9.8 Bij de uitvoering van de aanstellingskeuring dient aan de volgende voorwaarden te worden voldaan:

- per bijzondere functie-eis zijn (medische) toetsingscriteria ontwikkeld;
- de gebruikte onderzoeksmethoden moeten valide zijn;
- er mogen geen vragen worden gesteld en geen medische onderzoeken worden verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de keurling.

9.9 Bij het verrichten van een aanstellingskeuring moeten ingevolge artikel 4, tweede lid, en artikel 8 van de WMK, artikel 3, tweede lid, artikel 4 en artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen en overige relevante wetgeving de volgende procedurevoorschriften worden gevolgd:

- de werkgever vraagt eerst schriftelijk advies aan de Arbo-dienst over de rechtmatigheid van de keuring voor bepaalde functies (artikel 3, tweede lid, Besluit aanstellingskeuringen);
- na een positief advies van de Arbo-dienst legt de werkgever vervolgens schriftelijk vast: de functie-eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht (artikel 8, eerste lid, WMK en artikel 3, tweede lid Besluit aanstellingskeuringen);
- de werkgever vraagt de instemming van de OR (of de personeelsvertegenwoordiging) over het voorgenomen keuringsbeleid (artikel 27, eerste lid, Wet op de ondernemingsraden);
- in de advertentietekst of andere wijze van werving voor de functie wordt vermeld dat een aanstellingskeuring zal plaatsvinden (artikel 4 Besluit aanstellingskeuringen);
- de werkgever informeert de keurling over het doel en de inhoud van de keuring en over zijn/haar rechten (recht op herkeuring en de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de CKA) (artikel 8, tweede lid, WMK en artikel 3, tweede lid, en artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen);
- een aanstellingskeuring wordt pas verricht nadat alle overige beoordelingen van de sollicitant hebben plaatsgevonden; de aanstellingskeuring is het sluitstuk van de selectieprocedure (artikel 4, tweede lid, WMK).

Beoordeling

9.10 Bovenstaande overwegingen betrekt de Commissie bij de beoordeling van de vraag of de in geding zijnde aanstellingskeuring mocht worden verricht.

9.11 Vaststaat dat de keurling per 1 mei 2005 door het bevoegd gezag is aangesteld in de functie van dierenkeuringsarts en de bij die functie behorende taken uitvoert. Vaststaat voorts dat deze taken dezelfde zijn als die welke worden verricht vanaf 1 augustus 2005, het tijdstip waarop verweerster met de keurling voor dezelfde functie een vast dienstverband is aangegaan. Ter zitting is gebleken dat de onderhavige aanstellingskeuring is verricht in verband met het per 1 augustus 2005 voortzetten van dezelfde functie en de daarbij behorende taken en werkzaamheden. De in geding zijnde aanstellingskeuring is derhalve niet verricht voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden.

9.12 Omdat de aanstellingskeuring de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van die werkzaamheden moet dienen, heeft de WMK als uitgangspunt dat deze keuring plaats vindt op een tijdstip voorafgaande aan het verrichten van werkzaamheden, waaraan bijzondere eisen van medische geschiktheid moeten worden gesteld. Daarbij is de vorm van dienstbetrekking (tijdelijk/vast dienstverband, proefperiode, uitzendkracht en dergelijke), waarin deze werkzaamheden worden verricht, niet van belang.

9.13 De aanstellingskeuring maakt om die reden onderdeel uit van de selectieprocedure. De werknemer in spe wordt pas definitief aangesteld en kan dus pas definitief beginnen met zijn werkzaamheden, wanneer hij/zij gekeurd is en de uitslag van de keuring “geschikt voor de functie” luidt.

9.14 Het betoog van het bevoegd gezag dat de keurling tijdens het tijdelijk dienstverband nog gekeurd mocht worden op grond van artikel 9 van het ARAR, is derhalve in strijd met de doelstelling en de geest van de WMK. Daarbij zij opgemerkt dat het betoog van het bevoegd gezag berust op een foutieve lezing van het ARAR en ook al zou het de bedoeling zijn om met het ARAR een regime te creëren voor aanstellingskeuringen dat afwijkt van de WMK, dan nog geldt dat de voorschriften van de WMK, als wet in formele zin, van hogere orde zijn dan de regelgeving vastgelegd in het ARAR. Dit betekent dat voorzover bepalingen uit het ARAR in strijd zouden zijn met de WMK, deze moeten wijken voor de WMK.

9.15 Tijdens het onderzoek door de Commissie is tevens aan de orde gesteld de vraag of aan de vervulling van de functie van keuringsdierenarts en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.

9.16 Het bevoegd gezag heeft in dit verband ter zitting mondeling verwezen naar haar beleid in dezen. Het bevoegd gezag heeft echter geen argumenten aangedragen die het laten uitvoeren van een aanstellingskeuring onderbouwen. Hieruit en uit de verklaringen van de keurend arts en de Arbo-dienst moet worden geconcludeerd dat er ten tijde van de keuring op 9 mei 2005 door het bevoegd gezag geen bijzondere eisen van medische geschiktheid waren vastgelegd voor de onderhavige functie, althans niet in de zin van de WMK.

9.17 Uit de verklaringen van de keurend arts en de Arbo-dienst blijkt dat de Arbo-dienst, nadat de kwestie door klaagster bij de Arbo-dienst aan de orde was gesteld en vervolgens intern met deskundigen was overlegd, telefonisch met het bevoegd gezag heeft gesproken over de bijzondere eisen van medische geschiktheid. De Commissie constateert echter, aan de hand van de door de keurend arts overgelegde stukken, dat er weliswaar een aantal eisen ( zie onder 3.15) zijn vastgelegd, maar dat, (mede bij gebrek aan een functieomschrijving) er geen inzicht is in de koppeling tussen de bij de functie behorende taken, de daaraan gestelde bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid en de valide onderzoeksmethoden. Uit de overgelegde stukken is ook niet op te maken dat bij het tot stand komen van de eisen gebruik is gemaakt van een risico-inventarisatie en – evaluatie. Hierbij zij opgemerkt dat hetgeen door de keurend arts als “eisen”wordt aangeduid in feite niet meer is dan een ongemotiveerd overzicht van activiteiten (lopen, kruipen, enzovoorts), zonder normering, zodat een keuring op die “eisen” om die reden al niet mogelijk is geweest.

9.18 Voorts is uit de samenhang van het betoog en de verklaringen van respectievelijk het bevoegd gezag, de keurend arts en de Arbo-dienst gebleken dat niet is gehandeld volgens de procedurevoorschriften genoemd onder 9.9. Er is immers geen schriftelijk advies gevraagd aan de Arbo-dienst over de rechtmatigheid van de keuring en het is, bij gebrek aan een duidelijke koppeling tussen de functietaken en de daaraan gestelde bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid, niet mogelijk geweest adequate schriftelijke informatie te verstrekken aan de keurling.

9.19 Het is mede de taak van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat aan deze vereisten is voldaan. De keurend arts heeft immers ten aanzien van het “informed consent principe” een eigen professionele verantwoordelijkheid. De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring. Het betoog van de keurend arts dat hij bij zijn manager informatie heeft ingewonnen over de rechtmatigheid van de keuring en over het al dan niet bestaan van een dienstverband, waarbij hij afging op diens deskundigheid doet daaraan niet af.

9.20 Bovenstaande overwegingen leiden tot de conclusie dat de aanstellingskeuring niet had mogen plaats vinden, omdat de keurling ten tijde van de keuring reeds in dienst was bij het bevoegd gezag. Bovendien zijn voor de vervulling van de functie van keuringsdierenarts en de daarbij behorende taken geen bijzondere risico’s beschreven, geen daarmee verband houdende functie-eisen opgesteld, en geen eisen op het punt van medische geschiktheid vastgelegd conform de voorschriften van de WMK. Vanzelfsprekend kon aan de keurling derhalve geen adequate informatie verstrekt kon worden. Nu de keurend arts desondanks een aanstellingskeuring heeft verricht, heeft hij er blijk van gegeven niet op de hoogte te zijn van de essentialia van de WMK, althans deze in zeer belangrijke mate te hebben genegeerd. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met de voor zijn beroepsgroep geldende professionele standaard en dus ook met de zorgvuldigheidsplicht ingevolge artikel 7:453 BW. Het is de keurend arts in het bijzonder aan te rekenen dat hij in zijn besluitvorming om toch te keuren voorbij is gegaan aan door klaagster en andere collega’s gegeven gemotiveerde waarschuwingen, en gemeend heeft uitsluitend te kunnen afgaan op het oordeel van het bevoegd gezag en de MVR inzake de rechtmatigheid van de keuring.

10. Oordeel van de Commissie

De keurend arts heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onder a, ten tweede, artikel 4, eerste lid, en artikel 8, eerste lid, van de WMK, en artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen. Om redenen ontleend aan het algemeen belang wordt het oordeel in geanonimiseerde vorm gepubliceerd op de website van de Commissie, www.aanstellingskeuringen.nl, en in de daarvoor in aanmerking komende juridische en medische tijdschriften.

Aldus gegeven te Utrecht op 7 februari 2006 door Th.M.G. van Berkestijn, arts, voorzitter, mr. E. Cremers - Hartman en Prof. dr. J.H.B.M. Willems, bedrijfsarts, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de
    aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling
    aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.