Oordeel 2006-05

Voldoende aannemelijk is geworden dat verweerster op eigen initiatief aan klaagster tijdens de sollicitatieprocedure heeft gevraagd uitleg te geven over haar met ziekte samenhangende verzuim in het verleden. Verweerster heeft immers verklaard dat, hoewel de algemeen directeur in het algemeen niet naar ziekteverzuim in het verleden vraagt, hij bij kandidaten voor de vestiging te A. extra alert was op uitval wegens ziekteverzuim en daarom nadere vragen heeft gesteld aan klaagster. Daarbij komt dat verweerster niet heeft weersproken dat, althans zich niet meer kan herinneren of zij tijdens het tweede sollicitatiegesprek heeft gevraagd naar de (huidige) gezondheidstoestand van klaagster. Dit komt voor het procesrisico van verweerster, te meer nu klaagster reeds een week na het tweede sollicitatiegesprek schriftelijk haar beklag heeft gedaan, waarbij zij expliciet heeft gewezen op het in haar ogen strijdig zijn met de voorschriften van de WMK. Dat een potentiële werkgever tijdens de sollicitatieprocedure een oordeel wil vormen over de arbeidsmotivatie van een sollicitant is te billijken, maar de WMK staat eraan in de weg een dergelijk oordeel te relateren aan het ziekteverzuim van een sollicitant in het verleden, in het bijzonder door daar direct of indirect vragen over te stellen.


Oordeel 2006-05

Commissie: Th.M.G. van Berkestijn, arts, voorzitter, prof. mr. A.C. Hendriks en mr. M.M. Kelder, bedrijfsarts.

1 De klacht

1.1 Op 28 maart 2006 heeft klaagster) de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of verweerster, in strijd heeft gehandeld met de Wet op de medische keuringen (WMK) door klaagster tijdens de sollicitatieprocedure vragen te stellen over haar gezondheidstoestand en over haar ziekteverzuim in het verleden.

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.

2.2 Verweerster is in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie te geven op de door klaagster overgelegde stukken, van welke gelegenheid zij geen gebruik heeft gemaakt.

2.3 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten tijdens de hoorzitting op 28 april 2006.

3 De feiten 

Uit de overgelegde bescheiden en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klaagster heeft in 1997 een MEAO-diploma behaald. Vervolgens heeft klaagster gewerkt als etaleur. Sinds eind 2004 heeft klaagster niet meer gewerkt. Klaagster ontving ten tijde van de zitting een uitkering en volgde een omscholingstraject voor Office Management.

3.2 Verweerster exploiteert een bedrijf dat zich bezig houdt met woningmakelaardij en financiële dienstverlening.

3.3 Klaagster solliciteerde in januari 2006 naar de functie van Assistent Office Manager bij de vestiging te A. van verweerster. Het ondergaan van een aanstellingskeuring maakte geen onderdeel uit van de sollicitatieprocedure.

3.4 Het eerste gesprek tussen partijen vond plaats bij de vestiging te A. Namens verweerster nam de directeur van die vestiging deel aan dit gesprek.

3.5 Het tweede gesprek tussen partijen vond plaats op 23 januari 2006. Namens verweerster nam haar algemeen directeur deel aan dit gesprek.

3.6 Op 31 januari 2006 deelde de directeur van de vestiging te A klaagster telefonisch mee dat klaagster niet in aanmerking komt voor de functie van Assistent Office Manager.

3.7 Bij brief van 8 februari 2006, gericht aan de directeur van de vestiging te A en aan de algemeen directeur van verweerster, heeft klaagster zich beklaagd over de gang van zaken met betrekking tot het tweede sollicitatiegesprek, onder meer betreffende het stellen van vragen over klaagsters ziekteverzuim in het verleden.

3.8 Verweerder heeft op de brief van klaagster gereageerd bij brief van 11 februari 2006. Daarin staat – voor zover van belang voor de onderhavige procedure - : “(…..) Het spijt me dat de met u gevoerde sollicitatieprocedure tot uw onvrede heeft geleid. Dat was zeker niet de bedoeling van ondergetekende (…..) Indien u de door ondergetekende aan u gestelde vragen als kwetsend hebt ervaren, zoals u stelt in uw brief, dan bied ik u daar mijn verontschuldigingen voor aan. (……) Ondergetekende maakt steeds een wezenlijk onderdeel uit van elke sollicitatieprocedure, omdat hij zich persoonlijk wil vergewissen van de capaciteiten en verdere geschiktheid van mogelijke toekomstige werknemers. (….)”

4 Standpunten van klager 

4.1 Volgens klaagster heeft verweerster, meer in het bijzonder haar algemeen directeur, gehandeld in strijd met de WMK door tijdens de sollicitatieprocedure vragen te stellen over haar gezondheidstoestand en ziekteverzuim in het verleden.

4.2 Klaagster was door de gang van zaken tijdens het tweede sollicitatiegesprek, waarvan zij de verwachting koesterde dat het een kennismakingsgesprek betrof, onaangenaam verrast en voelde zich uit angst voor het niet krijgen van de baan verplicht te antwoorden. Naar de mening van klaagster is zij uiteindelijk toch niet in aanmerking gekomen voor de onderhavige functie op grond van haar antwoorden op deze vragen.

4.3 Verweerster heeft bij de beantwoording van haar klachtbrief over de gang van zaken geen aandacht geschonken aan het door haar gestelde omtrent de schending van de WMK.

4.4 Desgevraagd verklaart klaagster dat zij na het behalen van haar MEAO-diploma geen ervaring in administratieve richting heeft opgedaan, omdat zij ging werken als etaleur en dat werk ook erg leuk vond. Dit werk ging gepaard met veel en wisselende blootstelling aan tocht, waardoor zij vaak ziek werd. Zij heeft er om die reden voor gekozen om werk te gaan doen in de richting van haar MEAO-opleiding. Wegens het gebrek aan ervaring doet zij – in het kader van reïntegratie - de huidige opleiding.

4.5 Klaagster verklaart dat zij tijdens het sollicitatiegesprek op de vragen van verweerster over haar ziekteverzuim heeft geantwoord dat haar ziekteverzuim in die periode specifiek gerelateerd was aan het werk van etaleur. Ook heeft klaagster toen gezegd last te hebben van de airco en van de wisseling van seizoenen. Desgevraagd verklaart klaagster dat zij ongeveer vijf keer per jaar ziek werd door deze omstandigheden, maar dat de vorige werkgever daar geen problemen mee had. Desgevraagd verklaart klaagster dat verweerder haar vervolgens heeft gevraagd of zij vaak hoofdpijn heeft, meer dan gemiddeld ziek is, naar de dokter gaat en dergelijke.

4.6 Desgevraagd verklaart klaagster dat zij, indien zij zou zijn aangenomen, meer zou verdienen dan het bedrag dat zij als uitkering ontvangt.

5 Standpunten van verweerder

5.1 Verweerster voert, in de persoon van haar algemeen directeur, altijd met sollicitanten de laatste gesprekken in de sollicitatieprocedure, opdat de algemeen directeur zich persoonlijk kan vergewissen van de geschiktheid van de kandidaten en om te beoordelen of ze passen in de organisatie. Daartoe stelt verweerder vragen aan de hand van het curriculum vitae en vraagt hij aan kandidaten onder meer waarin ze goed zijn en wat hun verbeterpunten zijn.

5.2 Desgevraagd verklaart de algemeen directeur van verweerster dat hij in het algemeen niet naar ziekteverzuim in het verleden vraagt. De vestiging te A. heeft evenwel te kampen gehad met veel ziekteverzuim en er was verweerster dan ook veel aangelegen voor die vestiging alleen mensen aan te nemen die consistent zijn in hun aanwezigheid. De algemeen directeur van verweerster is in het gesprek met klaagster daarom extra alert geweest op haar aanwezigheidspercentage, omdat hij het risico op uitval wilde vermijden.

5.3 Het curriculum vitae van klaagster vertoont een gat van ruim een jaar. Daarom heeft verweerster op dit punt navraag gedaan. Het verbaasde verweerster dat klaagster een opleiding volgt die eigenlijk niet nodig is, omdat klaagster de kennis die zij nodig heeft voor een dergelijke functie, zoals ook voor de onderhavige functie, al had verkregen door haar MEAO-opleiding. Omdat dit bij verweerster twijfels opriep, heeft de algemeen directeur klaagster voorgehouden dat de werkzaamheden in het bedrijf nogal hectisch zijn en heeft haar gevraagd of zij dat geestelijk en lichamelijk aan kan. In dat kader heeft verweerster, mede gelet op het gat in haar curriculum vitae, klaagster vragen gesteld over haar arbeidsverzuim in het verleden. Klaagster heeft toen verteld dat zij bij het werk als etaleur nogal last had van de wisseling van seizoenen.

5.4 Desgevraagd verklaart verweerster dat het mogelijk is dat de algemeen directeur aan klaagster de vraag heeft gesteld of zij nu nog vaak ziek is en andere vragen van die strekking. Verweerster kan zich dat niet meer herinneren en heeft hieromtrent ook geen aantekeningen gemaakt. Wel kan verweerster zich herinneren dat klaagster tegen haar zei dat indien zij nu zou gaan werken, zij minder zou gaan verdienen dan het bedrag dat zij als uitkering ontvangt.

5.5 De reden waarom verweerster klaagster heeft afgewezen voor de onderhavige functie berust op gevoelens van twijfel over de arbeidsmotivatie van klaagster.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 De voorliggende kwestie betreft de vraag of de handelwijze van verweerster, inhoudende het stellen van vragen tijdens de sollicitatieprocedure over arbeidsverzuim in het verleden,mede in relatie tot de gezondheid van klaagster, valt onder het regime van de Wet op de medische keuringen (WMK) en, zo ja, of verweerster aldus heeft gehandeld in strijd met de WMK.

6.2 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan het schriftelijk of mondeling stellen van ‘vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:

1e . een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt. (………………)’

6.3 Vaststaat dat de onderhavige functie een arbeidsverhouding betreft, zoals genoemd in artikel 1 van de WMK. Voorts is voldoende aannemelijk geworden dat verweerster op eigen initiatief aan klaagster tijdens de sollicitatieprocedure heeft gevraagd uitleg te geven over haar met ziekte samenhangende verzuim in het verleden. Verweerster heeft immers verklaard dat, hoewel de algemeen directeur in het algemeen niet naar ziekteverzuim in het verleden vraagt, hij bij kandidaten voor de vestiging te A. extra alert was op uitval wegens ziekteverzuim en daarom nadere vragen heeft gesteld aan klaagster.

6.4 In dit verband wijst de Commissie erop dat de term keuring in de zin van de WMK ruim wordt uitgelegd en, blijkens artikel 4, mede omvat het vragen naar of het anderszins inwinnen van inlichtingen over de gezondheidstoestand en over ziekteverzuim in het verleden.

6.5 Reeds op grond van vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat de handelwijze van verweerder valt onder de reikwijdte van de WMK en daaraan kan worden getoetst.

6.6 Daarbij komt dat verweerster niet heeft weersproken dat, althans zich niet meer kan herinneren of zij, althans de algemeen directeur, tijdens het tweede sollicitatiegesprek heeft gevraagd naar de (huidige) gezondheidstoestand van klaagster. Dit komt voor het procesrisico van verweerster, te meer nu klaagster reeds een week ná het tweede sollicitatiegesprek schriftelijk haar beklag heeft gedaan, waarbij zij expliciet heeft gewezen op het in haar ogen strijdig zijn met de voorschriften van de WMK. In de schriftelijke reactie van verweerster van 11 februari 2006 hierop wordt de klacht, dat er tijdens het gesprek vragen over de gezondheid en ziekteverzuim zijn gesteld, niet weerlegd. Ook bleek ter zitting dat de algemeen directeur van verweerster de niet ter discussie staande onderdelen van het sollicitatiegesprek gedetailleerd kon weergeven.

6.7 Thans moet worden beoordeeld of verweerster heeft gehandeld in strijd met de WMK.

6.8 Het stellen van vragen tijdens de sollicitatieprocedure over de gezondheidstoestand en over het ziekteverzuim in het verleden vallen, zoals hierboven is overwogen, onder het begrip keuring in de zin van de WMK. Deze vragen mogen ingevolge artikel 1, onderdeel d, van de WMK, juncto artikel 1, onderdeel a, van het Besluit aanstellingskeuringen, alleen worden gesteld door de keurend arts in het kader van een aanstellingskeuring. Bij andere beoordelingen dan de medische keuring mogen ingevolge artikel 4, tweede lid, van de WMK geen vragen worden gesteld en evenmin inlichtingen worden ingewonnen over de gezondheidstoestand van de sollicitant en over diens ziekteverzuim in het verleden. Dat een potentiële werkgever tijdens de sollicitatieprocedure een oordeel wil vormen over de arbeidsmotivatie van een sollicitant is te billijken, maar de WMK staat eraan in de weg een dergelijk oordeel te relateren aan het ziekteverzuim van een sollicitant in het verleden, in het bijzonder door daar direct of indirect vragen over te stellen.

6.9 Uit het voorgaande volgt dat verweerster door het stellen van vragen aan klaagster tijdens de sollicitatieprocedure over haar gezondheidstoestand en over haar met ziekte samenhangende verzuim in het verleden, heeft gehandeld in strijd met de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

6.10 Aan het voorgaande doet niet af dat klaagster heeft meegewerkt door het gevraagde te beantwoorden, nu de WMK regels van dwingend recht bevat waarvan niet ten nadele van de keurling mag worden afgeweken.

7 Oordeel van de Commissie

Gelet op vorenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat verweerster heeft gehandeld in strijd met artikel 1, onderdeel d, van de WMK, juncto artikel 1, onderdeel a, van het Besluit aanstellingskeuringen en artikel 4, tweede lid, van de Wet op de medische keuringen.