Oordeel 2006-07

Klager heeft gesolliciteerd naar de functie van geestelijk verzorger bij Defensie. De functie gaat gepaard met een aanstelling in burgerlijke openbare dienst. Defensie heeft voor de functie een aanstellingskeuring verplicht gesteld op grond van de algemene functie-eisen voor militair.
Door Defensie is voldoende aannemelijk gemaakt dat, hoewel de geestelijk verzorger wordt aangesteld in burgerlijke openbare dienst, vanwege de bijzondere eis van het uitzendbaar zijn voor die functie dezelfde algemene eisen van medische geschiktheid gelden als die voor de functie van militair. Voor de functie is de aanstellingskeuring echter nog niet vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.
Aldus is door Defensie in strijd met de voorschriften van de WMK opdracht gegeven tot het verrichten van de onderhavige aanstellingskeuring. Het is mede de taak van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat aan genoemde vereisten van wet en regelgeving is voldaan. De keurend arts heeft immers ten aanzien van het beginsel van informed consent een eigen professionele verantwoordelijkheid, zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring. Door dit na te laten en de aanstellingskeuring uit te voeren heeft verweerster gehandeld in strijd met de WMK en overige genoemde regelgeving.
Wat betreft de zwaarte van het keuringsinstrument het onderzoek door de psychiater is door de uitslaggevend arts verklaard dat dit instrument, gelet op het gewicht van de beoordeling ten aanzien van de psychische belastbaarheid, naar zijn oordeel adequaat is. De uitslaggevend arts verklaarde in dit verband voorts dat voor militaire keuringen de richtlijnen van de Directie Medische Gezondheid van Defensie prevaleren boven de Leidraad Aanstellingskeuringen. Niet duidelijk is echter geworden waar deze twee richtlijnen van elkaar verschillen. De Commissie is van mening dat de Leidraad Aanstellingskeuringen richting gevend moet zijn. Wanneer er voor de functie van militair in specifieke situaties behoefte bestaat aan een eigen bijzondere regeling, moet die passen binnen de Leidraad Aanstellingskeuringen. Het is de Commissie niet gebleken dat dit hier het geval is.
Voorts overweegt de Commissie dat het haar niet duidelijk is geworden welke relatie er is tussen de bijzondere functie-eisen en de wijze waarop de psychische belastbaarheid is geformuleerd en onderzocht. Derhalve heeft de Commissie niet kunnen vaststellen of hetgeen bij deze keuring werd beoogd een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt.
Ten aanzien van de informatieverstrekking overweegt de Commissie dat voldoende aannemelijk is geworden dat klager zowel van de kant van Defensie als van de kant van de keurend artsen geen dan wel onvoldoende informatie heeft gekregen over het doel en de inhoud van de te ondergane keuring, met name wat betreft het gewicht dat wordt gehecht aan de psychische belastbaarheid in relatie tot het uitzendbaar zijn. Ook is niet duidelijk geworden of de bijzondere eis van het uitzendbaar zijn met zoveel woorden staat vermeld in de folder van Defensie. Het betoog van verweerster dat zij ervan uitgaat dat de informatieverstrekking aan de keurling door Defensie goed is geregeld houdt geen stand, nu verweerster, zoals hierboven overwogen, vanuit het beginsel van informed consent een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft.



Oordeel 2006-07

4 juli 2006

1 De klacht

1.1 Op 17 februari 2006 heeft klager de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of (….), bedrijfsarts (hierna: verweerster), werkzaam bij (….) heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (WMK) door bij hem/klager in opdracht van het ministerie van Defensie (hierna: het bevoegd gezag) een militaire aanstellingskeuring te verrichten voor de functie van geestelijk verzorger. Voorts heeft klager de Commissie verzocht haar oordeel uit te spreken over het feit dat hij geen informatie heeft gekregen over doel en uitvoering van de keuring, en over zijn rechten.

2 De loop van de procedure

2.1 Op 28 februari 2006 heeft de Commissie het bevoegd gezag in kennis gesteld van de klacht en vragen gesteld onder toevoeging van stukken betreffende een onderzoek van de Commissie in 2004 aangaande de aanstellingskeuring voor de functie van militair.

2.2 Het bevoegd gezag heeft geantwoord bij brief van 21 maart 2006 met bijlagen.

2.3 Daarop heeft de Commissie besloten het verzoek in behandeling te nemen. Verweerster en de overige keurend artsen zijn bij brief van 3 april 2006 op de hoogte gesteld van de klacht, de gewisselde correspondentie en de overgelegde stukken.

2.4 Verweerster en de overige keurend artsen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk toe te lichten, waarvan geen gebruik is gemaakt.

2.5 Tijdens de hoorzitting op 19 mei 2006, heeft de Commissie nadere informatie ingewonnen.

2.6 Over het handelen van het bevoegd gezag en de overige artsen die bij de keuring betrokken waren zijn aparte oordelen uitgebracht (oordeel 2006-06oordeel 2006-08oordeel 2006-09 en oordeel 2006-10).

3 De feiten

Uit de door partijen overgelegde bescheiden, en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klager is theoloog en solliciteert bij het bevoegd gezag naar de functie van geestelijk verzorger. Bij indiensttreding volgt aanstelling in burgerlijke openbare dienst.

3.2 Op de functie van geestelijk verzorger zijn delen van de militaire rechtspositie van toepassing, het Inkomsten Besluit Militairen, de Uitkeringswet Gewezen Militairen, de Kaderwet militaire pensioenen en de hoofdstukken in het Algemeen Militair Ambtenarenreglement die betrekking hebben op schorsing, werk- en rusttijden, verlof, aanspraken en verplichtingen in verband met de gezondheidszorg en andere voorzieningen van materiële aard.

3.3 Bij de sollicitatieprocedure behoort een aanstellingskeuring. Voor de keuring geldt dat de functie-eisen voor de functie van geestelijk verzorger tenminste gelijk zijn aan die van de algemene functie-eisen voor de militair.

3.4 De algemene functie-eisen voor de militair zijn – voor zover voor de onderhavige kwestie van belang - :
1. De militair beschikt over voldoende fysieke, zintuiglijke en geestelijke vermogens en kan onder psychische druk presteren om algemeen te kunnen worden ingezet, onder alle omstandigheden, zonder dat dit tot een risico leidt voor de militair of de eenheid waartoe de militair behoort.
(2………..8)
9. De militair heeft geen psychische of psychiatrische stoornissen of verslavingsziekten die zijn inzetbaarheid zouden kunnen beïnvloeden.
10. De militair is in staat tenminste zes maanden in teamverband onder operationele omstandigheden over de gehele wereld te worden ingezet, zonder dat dit waarschijnlijk leidt tot een verhoogde kans op (blijvend) psychische of somatische schade en/of disfunctioneren uitsluitend op grond van het feit dat de militair als zodanig is ingezet.

3.5 De aanstellingskeuring wordt in opdracht van het bevoegd gezag verricht door verweerster, werkzaam bij het toenmalige (….), thans geheten (….).

3.6 De aanstellingskeuring wordt uitgevoerd aan de hand van het keuringsprotocol voor artsen belast met de uitvoering van militair geneeskundige aanstellingskeuringen.

3.7 De gegevens van de keuring worden doorgegeven aan de uitslaggevend arts, werkzaam bij de Arbo-dienst. Na een gesprek van klager met laatstgenoemde wordt op het punt van de psychische belastbaarheid een nader onderzoek aangevraagd bij de(….) betreffende de psychische belastbaarheid van klager.

3.8 Als uitgangspunt voor de beoordeling van de psychische belasting wordt, volgens beoordelingspunt 30 van bijlage C behorende bij genoemd keuringsprotocol voor artsen, aan de belastbaarheidkant het copinggedrag in één of meerdere aandachtspunten vastgelegd. Aan de kant van de belasting worden in de militaire situatie 17 factoren beoordeeld, die als bron van psychische belasting kunnen fungeren. Aspecten die samenhangen met de kwaliteit van interpersoonlijke relaties, evenals belastende factoren buiten de werksituatie, worden aan de kant van de belasting buiten beschouwing gelaten.
De 17 factoren zijn:
- werken onder tijdsdruk normaal mogelijk
- dwingend werktempo normaal mogelijk
- gedwongen niets doen normaal mogelijk
- conflicterende functie-eisen normaal mogelijk
- conflicthantering normaal mogelijk
- normaal in staat tot het verrichten van monotoon werk
- contact/omgang met anderen normaal mogelijk
- verantwoordelijkheid normaal mogelijk
- omgeving en lawaai normaal verdraagbaar
- incidenteel geen mogelijkheid tot contact met collega’s en direct leiding
- emotionele belasting normaal mogelijk
- vertoont geen psychiatrische stoornissen
- is in staat om operationeel te worden ingezet
- geen verslaving aanwezig
- engtevrees niet aanwezig
- watervrees niet aanwezig
- hoogtevrees niet aanwezig

3.9 (….) stuurt klager bij de uitnodiging voor het te verrichten onderzoek een toelichting. In die toelichting staat onder meer: “(….) Op verzoek van de keuringsarts van (….) nodigen wij u middels bijgaande brief uit om mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek op onze afdeling (…) Deze toelichting is bedoeld om u te informeren over doel, gang van zaken en inhoud van het onderzoek. (…..)Voor (….) wordt uw psychische belastbaarheid met het oog op een toekomstige functie als beroepsmilitair met een BBT-contract, of als deelnemer aan het oriëntatiejaar KL, nader onderzocht, in aanvulling op de eerdere bevindingen van (….). Inhoudelijk bestaat het onderzoek uit een gesprek met een psychiatrisch geschoolde arts (….). Gespreksonderwerpen zijn onder andere uw huidige situatie, uw eventuele psychische en/of lichamelijke klachten, uw achtergrond en levensloop, hobby’s, sociaal leven en zo meer. (…) Op basis van de onderzoeksresultaten wordt een schriftelijk verslag en advies voor de keuringsarts opgesteld; via de keuringsarts kunt u het verslag inzien of een kopie ervan verkrijgen (…)”

3.10 Het onderzoek bij de (….) vindt plaats op 6 september 2005. Het onderzoek wordt verricht door een arts, werkzaam bij (….) en wordt besproken met de psychiater, Hoofd van de (…..). De psychiater brengt vervolgens advies uit aan de uitslaggevend arts, werkzaam bij de Arbo-dienst.

3.11 Bij brief van 2 november 2005 schrijft de uitslaggevend arts van de Arbo-dienst aan klager dat klager niet geschikt is bevonden voor een aanstelling als geestelijk verzorger bij Defensie en dat de reden tot ongeschiktheid is een negatief advies inzake klagers dienstgeschiktheid van de psychiater van (….).

3.12 Bij brief van 14 november 2005 stuurt het hoofd van (….) aan klager op zijn verzoek het
rapport.

Klacht bij (….)

3.13 Klager richt zich vervolgens bij brief van 22 november 2005 tot het Hoofd van (…..), in welke brief klager zijn kritiek uit op de wijze waarop het onderzoek is verricht. Klager beëindigt zijn brief met de mededeling dat hij het resultaat van de keuring wil proberen aan te vechten door middel van een second opinion en/of een formele klacht, maar dat hij daarvan afziet indien het Hoofd bereid is naar mogelijkheden te zoeken voor een bevredigende oplossing.

3.14 Het Hoofd van (…..) nodigt klager daarop uit voor een gesprek op 19 december 2005. Klager heeft van deze uitnodiging gebruik gemaakt. Op 23 december 2005 deelt het Hoofd
van (…..)zijn bevindingen telefonisch mee aan klager en bevestigt dit gesprek bij brief van 23 december 2005. Voorts schrijft het Hoofd van(…..) – voor zover van belang -: (…) Voor eventuele ergernis over het feit dat de arts tijdens het onderzoek de kamer heeft verlaten voor kennelijk dringende zaken bied ik u onze verontschuldigingen aan. De integriteit van de arts en zijn toewijding en gemeende interesse in de te onderzoeken cliënten staan voor
mij niet ter discussie. Dat de manier van onderzoeken en gespreksvoering door sommige
cliënten anders worden beoordeeld dan door de onderzoeker gewenst en bedoeld is een onlosmakelijk neveneffect van het werken met mensen. Naar aanleiding van het gesprek dat wij op 19 december 2005 hadden zie ik geen reden om de conclusie van de arts te veranderen. Door het genoemde gesprek en mijn indrukken ondersteund door het testpsychologisch onderzoek zie ik alleen maar meer argumenten om te adviseren u niet aan te nemen bij (…..). (…..) Ik begrijp dat u teleurgesteld zult zijn naar aanleiding hiervan en u kunt, als u dat wilt, tegen de afwijzing door (…..) in beroep gaan. (…)”

3.15 Bij brief van 17 februari 2006 deelt klager aan het hoofd van (…..) onder meer mee dat hij een klacht zal indienen bij de CKA.

4 Standpunten van klager


4.1 De aanstelling in de functie van geestelijk verzorger is een aanstelling in burgerlijke openbare dienst. Klager vraagt zich derhalve af of het juist is dat hij is gekeurd op basis van de algemene functie-eisen voor militair.

4.2 Klager heeft geen folder ontvangen betreffende informatie over doel en inhoud van de keuring. Hij wist daarom niet dat de beoordeling van de resultaten van de aanstellingskeuring voor de functie van geestelijk verzorger qua strengheid gelijk zou zijn aan die van militair. Dit bevreemdt hem, omdat het een aanstelling in burgerlijke openbare dienst betreft, temeer nu hij immers ook geen sporttest hoefde te doen. Desgevraagd verklaart klager dat hij niet wist dat er specifiek op uitzendbaarheid werd gekeurd en dat daarbij de functie-eis betreffende de psychische belastbaarheid zeer zwaar weegt.

4.3 Klager is door verweerster alleen lichamelijk onderzocht. Het gesprek bij de uitslaggevend arts was zeer kort. Klager vraagt zich af hoe in zo’n korte tijd tot de conclusie kon worden gekomen dat nader psychiatrisch onderzoek noodzakelijk was.

4.4 Voorafgaand aan het psychiatrisch onderzoek is geen, althans onvoldoende informatie verstrekt over het kader, waarbinnen het gesprek zou plaatsvinden.

4.5 Klager was er niet van op de hoogte dat hij tegen de negatieve uitslag op grond van het advies van (…..) bezwaar kon maken bij de uitslaggevend arts dan wel bij laatstgenoemde een verzoek om herkeuring kon indienen. Mede om die reden heeft klager een brief geschreven aan het hoofd van (…..).

4.6 De mogelijkheid om een klacht over de aanstellingskeuring in te dienen bij de CKA heeft klager gevonden op internet.

5. Standpunten van verweerster


5.1 Desgevraagd verklaart verweerster dat zij er bij de aanstellingskeuring in het algemeen vanuit gaat dat de informatie aan de keurling wat betreft de keuringseisen, over doel en inhoud van de keuring, alsmede over de rechten van de keurling door het bevoegd gezag goed is geregeld. Daarom doet zij daarnaar geen navraag bij de keurling alvorens te starten met het onderzoek.

5.2 Volgens de keuringseisen voor militair is het aspect van de uitzendbaarheid één van de belangrijkste eisen. Verweerster verklaart dat zij er niet van op de hoogte was dat een geestelijk verzorger een burgerlijke functie bekleedt en geen militaire. Verweerster erkent dat zij zich vanuit haar eigen verantwoordelijkheid daarover beter had moeten overtuigen.

6 Verklaring van het bevoegd gezag

6.1 De geestelijk verzorger wordt weliswaar aangesteld in burgerlijke openbare dienst, waarop ten dele de militaire rechtspositie van toepassing is, maar vanwege de functie-eis “uitzendbaar zijn” wordt gekeurd volgens de algemene functie-eisen van militair.

6.2 Naar aanleiding van de onderhavige kwestie is het bevoegd gezag er achter gekomen dat de positie van geestelijk verzorger wat betreft de aanstellingskeuring nog niet is geregeld in overeenstemming met de voorschriften van de WMK.

6.2 Naar de mening van het bevoegd gezag mocht echter, hoewel de functie-eisen voor de functie van geestelijk verzorger nog niet zijn geformaliseerd, wel worden gekeurd volgens de algemene functie-eisen van militair vanwege de functie-eis “uitzendbaarheid”. Eén van de harde eisen die aan geestelijk verzorgers wordt gesteld betreft het deelnemen aan vredes- en humanitaire operaties en het derhalve frequent worden uitgezonden. Vanwege de inzet bij vredes- en humanitaire operaties heeft het bevoegd gezag ervoor gekozen de aanstellingskeuring te scharen onder de algemene functie-eisen voor de militair. Bij andere burgerlijke functies, waarbij soms wordt uitgezonden, is dit anders. Dan wordt op het moment van de voorgenomen uitzending gekeurd.

6.3 Regel bij het bevoegd gezag is dat iedereen die solliciteert naar een militaire functie een folder krijgt met uitgebreide informatie, ook over het doel en de inhoud van de aanstellingskeuring. In de folder staat tevens informatie over wat te doen indien men het niet eens is met de uitslag van de keuring. Ook de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de CKA staat in de folder. Het is mogelijk dat klager geen folder heeft ontvangen, omdat hij solliciteerde naar een aanstelling in burgerlijke openbare dienst.

6.4 Desgevraagd verklaren de vertegenwoordigers van het bevoegd gezag dat in de informatiefolder voor sollicitanten naar alle waarschijnlijkheid niet specifiek staat vermeld dat bij de aanstellingskeuring het onderdeel psychische belastbaarheid zwaar meetelt in het kader van uitzendbaarheid.

6.5 Ten aanzien van de gebruikte onderzoeksmethode, alsmede de relatie tussen de bijzondere eisen van medische geschiktheid en het verzoek nader onderzoek te doen verrichten door (…..) geldt dat de keurend arts doorgaans niet uitgebreid geschoold is in de psychiatrie.
Wanneer de keurend arts op basis van zijn waarneming veronderstelt of vermoedt dat relevante beperkingen bestaan met betrekking tot de psychische belastbaarheid, en met name bij vermoede psychopathologie, wordt psychiatrische expertise aangevraagd. Het schriftelijk verslag en het advies worden onder verantwoordelijkheid van een psychiater opgesteld. (…..) van het bevoegd gezag beschikt daartoe over de nodige specifieke deskundigheid. De uitslaggevend arts gebruikt het onderzoek en het advies als onderbouwing van zijn geschiktheidbeoordeling.

6.6 Desgevraagd verklaren de vertegenwoordigers van het bevoegd gezag dat zij geen zicht hebben op de gang van zaken rond de brieven met de uitslag van de keuring en dat zij daarom geen informatie kunnen geven over de informatieverstrekking aan de keurling wat betreft het blokkeringrecht.

7 Verklaring van de overige artsen betrokken bij de keuring

7.1 Uitslaggevend arts (Arbo-dienst)
Wat betreft de verantwoordelijkheid voor de keuring verklaart de uitslaggevend arts desgevraagd dat (…..) (voorheen…..) door de Arbo-dienst wordt ingehuurd voor het doen van aanstellingskeuringen. De keurend artsen vallen derhalve onder de verantwoordelijkheid van de bedrijfsarts (uitslaggevend arts) van de Arbo-dienst. De gegevens van de keuring worden gestuurd naar de uitslaggevend arts. De uitslaggevend arts bekijkt de gegevens en heeft vervolgens een gesprek met de keurling.

7.2 Desgevraagd verklaart de uitslaggevend arts dat hij bij het bekijken van de gegevens van de keurend arts en tijdens het gesprek rekening houdt met het feit dat het gaat om de functie van geestelijk verzorger. Psychische belastbaarheid is echter een belangrijk element bij uitzending. Omdat de functie-eis van het uitzendbaar zijn ook geldt voor de functie van geestelijk verzorger, stelt de uitslaggevend arts dat daarop mag worden gekeurd conform de regelgeving en de eisen die gelden voor militairen.

7.3 Desgevraagd verklaart de uitslaggevend arts dat hij klager niet voorafgaande aan de keuring heeft geïnformeerd over de bijzondere functie-eis van uitzendbaarheid en, in dat verband, over het feit dat bepaalde eisen, zoals de psychische belastbaarheid, zwaarder wegen.
Desgevraagd verklaart de uitslaggevend arts voorts dat hij heel veel keurlingen per dag ziet en dus geen tijd heeft om navraag te doen over de informatieverstrekking. Hij gaat ervan uit dat dit door het bevoegd gezag in voldoende mate is gedaan.

7.4 Wat betreft de zwaarte van het keuringsinstrument - het onderzoek door een psychiater – verklaart de uitslaggevend arts desgevraagd dat dit instrument, gelet op het gewicht van de beoordeling ten aanzien van de psychische geschiktheid voor uitzending, adequaat is. De uitslaggevend arts verklaart op de hoogte te zijn van de Leidraad Aanstellingskeuringen, maar tekent daarbij aan dat voor de militaire keuringen met name de richtlijnen van de Directie Medische Gezondheid van het bevoegd gezag worden gevolgd.

7.5 De besluitvorming op grond van de inhoud van het rapport met advies van de psychiater doet de uitslaggevend arts vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid. Uit het rapport kan de uitslaggevend arts zelf opmaken of er sprake is van een negatieve gevolgtrekking in relatie tot één van de 17 factoren. Desgevraagd verklaart de uitslaggevend arts dat de grond voor afwijzing, dat wil zeggen één of meerdere van die 17 factoren, niet met zoveel woorden in de afwijzingsbrief aan de keurling wordt genoemd.

7.6 Ten aanzien van het blokkeringsrecht verklaart de uitslaggevend arts desgevraagd dat hij daarover geen mededeling doet aan keurlingen. In het algemeen is het zo dat keurlingen die het niet eens zijn met de uitslag hem bellen om te vragen of ze in bezwaar kunnen gaan. Wanneer hij geen reactie krijgt na het verzenden van de uitslag aan de keurling werkt hij het dossier af en stuurt het dossier naar de administratie. Van daaruit wordt een brief met de uitslag “geschikt, ongeschikt of geschikt met beperking” naar verweerder gestuurd.
Nu klager niets van zich heeft laten horen, heeft hij gemeend dat klager zich kon vinden in de uitslag en derhalve het doorgeven daarvan aan het bevoegd gezag.

7.7 Psychiatrisch arts (…..)
Desgevraagd verklaart de arts dat hij het voor de keuring betreffende uitzendbaarheid niet van belang acht of de geestelijk verzorger in burgerlijke openbare dienst wordt aangesteld dan wel als militair wordt aangemerkt. Het gaat volgens hem bij de keuring betreffende de psychische belastbaarheid in het kader van de uitzendbaarheid om de bescherming van de keurling zelf en van derden. Om die reden heeft de arts naar zijn overtuiging de keuring in de geest van de WMK uitgevoerd.

7.8 Psychiater, Hoofd (…..)
Desgevraagd verklaart de psychiater dat de psychiatrisch arts met hem de keuring bespreekt. Als er zich tijdens de bespreking geen specifieke vragen voordoen is het voor hem, de psychiater, niet nodig zelf de keurling te zien. Voorts verklaart de psychiater dat hij er niet op bedacht was dat de geestelijk verzorger niet wordt aangesteld als militair.
Volgens de psychiater staat de aanstelling in burgerlijke openbare dienst op gespannen voet met wat volgens hem gewenst is. De geestelijk verzorger verkeert immers onder dezelfde omstandigheden als de militair. Het is volgens hem dan ook noodzakelijk om een keuring te verrichten als ware de geestelijk verzorger militair. Dit om te voorkomen dat iemand een functie gaat uitoefenen die hij niet aankan, hetgeen problemen voor betrokkene en voor anderen kan opleveren.

7.9 Volgens de psychiater is de informatieverstrekking aan de keurling ten behoeve van het psychiatrisch onderzoek voldoende. Ook heeft hij klager na afloop van het gesprek inzake zijn klacht gewezen op de mogelijkheid in beroep te gaan tegen de afwijzing van de uitslaggevend arts.

7.10 De psychiater geeft aan dat het beter is om in het vervolg in het advies exact aan te geven op welke factoren betreffende de beoordeling van de psychische belastbaarheid de aangegeven psychische beperkingen zijn gegrond. Dit is nu achterwege gebleven, terwijl wel 17 specifieke belastbaarheidseisen zijn gesteld onder de algemene functie-eis (“de psychische belastbaarheid is niet beperkt”). De keurling kan dan ook niet weten op welke specifieke functie-eis hij is afgewezen.

8 Overwegingen van de Commissie

8.1 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend artsen.
De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van het bevoegd gezag (oordeel 2006-06) en de overige artsen (oordelen 2006-082006-09 en 2006-10).

8.2 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies, nu een dergelijk oordeel toekomt aan keurend artsen. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van aanstellingskeuringen voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wetgeving.

8.3 De Commissie overweegt vervolgens als volgt.

8.4 Vaststaat dat klager heeft gesolliciteerd naar de functie van geestelijk verzorger bij het bevoegd gezag, dat de functie gepaard gaat met een aanstelling in burgerlijke openbare dienst en dat het bevoegd gezag voor de functie een aanstellingskeuring verplicht heeft gesteld op grond van de algemene functie-eisen voor militair.

8.5 Artikel 4, eerste lid, van de WMK bepaalt, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen bepaalt dat een aanstellingskeuring alleen mag plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.

8.6 Onder bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid wordt verstaan:
- de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; en
- de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, die niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.
De risico’s die met de functie samenhangen moeten dus in eerste instantie zoveel mogelijk door de werkgever worden voorkomen door het treffen van preventieve maatregelen.

8.7 Een aanstellingskeuring mag derhalve alleen worden verricht in die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat. In dit verband is door het bevoegd gezag voldoende aannemelijk gemaakt dat, hoewel de geestelijk verzorger wordt aangesteld in burgerlijke openbare dienst, vanwege de bijzondere eis van het uitzendbaar zijn voor die functie dezelfde algemene eisen van medische geschiktheid gelden als die voor de functie van militair.

8.8 Gelet echter op de van de militair afwijkende aanstelling van de geestelijk verzorger moet thans worden beoordeeld of bij de uitvoering van de aanstellingskeuring voor de onderhavige functie aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- ter preventie van gezondheids- en veiligheidsrisico’s zijn bijzondere functie-eisen geformuleerd waarop de selectie zich kan richten;
- per bijzondere functie-eis zijn (medische) toetsingscriteria ontwikkeld;
- de gebruikte onderzoeksmethoden zijn valide;
- er worden geen vragen gesteld en geen medische onderzoeken verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de keurling.

8.9 Uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat voor de onderhavige functie de aanstellingskeuring nog niet is vastgesteld overeenkomstig de hierna te noemen voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

8.10 Volgens artikel 4, tweede lid, en artikel 8 van de WMK, alsmede artikel 3, tweede lid, artikel 4 en artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen en overige relevante wetgeving moet, alvorens de aanstellingskeuring mag worden uitgevoerd, aan de volgende procedurevoorschriften zijn voldaan:
- door de werkgever is schriftelijk advies gevraagd aan de Arbo-dienst dan wel de bedrijfsarts, met wie een contract is gesloten, over de rechtmatigheid van de keuring voor een bepaalde functie (artikel 3, tweede lid, Besluit aanstellingskeuringen);
- na een positief advies van de Arbo-dienst dan wel de bedrijfsarts heeft de werkgever vervolgens schriftelijk vastgelegd: de functie-eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht (artikel 8, eerste lid, WMK en artikel 3, tweede lid Besluit aanstellingskeuringen);
- de werkgever heeft de instemming gevraagd van de ondernemingsraad (OR) over het voorgenomen keuringsbeleid (artikel 27, eerste lid, Wet op de ondernemingsraden);
- in de voorlichtende tekst betreffende de werving voor de functie staat vermeld dat een aanstellingskeuring zal plaatsvinden (artikel 4 Besluit aanstellingskeuringen);
- de werkgever informeert de keurling vooraf over het doel en de inhoud van de keuring en over zijn/haar rechten (recht op herkeuring en de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de CKA) (artikel 8, tweede lid, WMK en artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen).

8.11 Nu, zoals hierboven is overwogen, voor de onderhavige functie door het bevoegd gezag (nog) niet is voldaan aan bovengenoemde voorwaarden voor het mogen verrichten van een aanstellingskeuring – de onderhavige functie betreft een functie als burger en niet als militair -, had het voor militairen opgestelde keuringsregime niet zonder meer mogen worden toegepast. Aldus is door het bevoegd gezag in strijd met de voorschriften van de WMK opdracht gegeven tot het verrichten van de onderhavige aanstellingskeuring.

8.12 Het is mede de taak van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat aan genoemde vereisten van wet en regelgeving is voldaan. De keurend arts heeft immers ten aanzien van het beginsel van “informed consent” een eigen professionele verantwoordelijkheid, zoals
vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring. Door dit na te laten en de aanstellingskeuring uit te voeren heeft verweerster gehandeld in strijd met de WMK en overige genoemde regelgeving.

8.13 Wat betreft de zwaarte van het keuringsinstrument – het onderzoek door de psychiater – is ter zitting door de uitslaggevend arts verklaard dat dit instrument, gelet op het gewicht van de beoordeling ten aanzien van de psychische belastbaarheid, naar zijn oordeel adequaat is. De uitslaggevend arts verklaarde in dit verband voorts dat voor militaire keuringen de richtlijnen van de Directie Medische Gezondheid van het bevoegd gezag prevaleren boven de Leidraad Aanstellingskeuringen. Niet duidelijk is echter geworden waar deze twee richtlijnen van elkaar verschillen. De Commissie is van mening dat de Leidraad Aanstellingskeuringen richting gevend moet zijn. Wanneer er voor de functie van militair in specifieke situaties behoefte bestaat aan een eigen bijzondere regeling, moet die passen binnen de Leidraad Aanstellingskeuringen. Het is de Commissie niet gebleken dat dit hier het geval is.

8.14 Voorts overweegt de Commissie dat het haar niet duidelijk is geworden welke relatie er is tussen de bijzondere functie-eisen en de wijze waarop de psychische belastbaarheid is geformuleerd en onderzocht. Derhalve heeft de Commissie niet kunnen vaststellen of hetgeen bij deze keuring werd beoogd een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt. (2)

8.15 Ten aanzien van de informatieverstrekking overweegt de Commissie dat voldoende aannemelijk is geworden dat klager zowel van de kant van het bevoegd gezag als van de kant van de keurend artsen geen dan wel onvoldoende informatie heeft gekregen over het doel en de inhoud van de te ondergane keuring, met name wat betreft het gewicht dat wordt gehecht aan de psychische belastbaarheid in relatie tot het uitzendbaar zijn. Het bevoegd gezag heeft immers verklaard dat het mogelijk is dat klager niet de algemene folder heeft ontvangen, omdat hij niet heeft gesolliciteerd naar de functie van militair. Ook overigens is niet duidelijk geworden of de bijzondere eis van het uitzendbaar zijn met zoveel woorden staat vermeld in de folder. Het betoog van verweerster dat zij ervan uitgaat dat de informatieverstrekking aan de keurling door het bevoegd gezag goed is geregeld houdt geen stand, nu verweerster, zoals hierboven overwogen, vanuit het beginsel van “informed consent” een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft.

8.16 De stelling van klager dat hij ook ten aanzien van zijn rechten door verweerster onvoldoende was geïnformeerd wordt mede gestaafd door het feit dat klager zich naar aanleiding van de negatieve uitslag van de keuring heeft gewend tot de door de keurend arts ingeroepen deskundige, het Hoofd van (....), en niet tot de in de folder vermelde instanties van verweerder dan wel tot de uitslaggevend arts. In dit verband wordt opgemerkt dat ook de uitslaggevend arts in zijn brief aan klager, inhoudende de afwijzing, niet wijst op de mogelijkheid daartegen bedenkingen te maken en hem te verzoeken de uitslag vooralsnog niet door te sturen naar verweerder. Klager is eerst in het gesprek met het Hoofd van (....), inzake zijn klacht over de gang van zaken bij de keurend arts van (....), ervan op de hoogte gesteld dat hij tegen de negatieve uitslag in beroep kon gaan.

8.17 Het is de Commissie bekend dat er een klacht is ingediend bij het Hoofd van (....). De Commissie acht het niet tot haar competentie om over de afwikkeling van deze klacht een uitspraak te doen.

9 Oordeel van de Commissie
Verweerster heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid, artikel 8 en artikel 10, eerste lid, van de WMK, en artikel 3 van het Besluit aanstellingskeuringen


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001,598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.
  2. Zie Toelichting bij artikel 3 WMK