Oordeel 2006-10

Klager heeft gesolliciteerd naar de functie van geestelijk verzorger bij Defensie. De functie gaat gepaard met een aanstelling in burgerlijke openbare dienst. Defensie heeft voor de functie een aanstellingskeuring verplicht gesteld op grond van de algemene functie-eisen voor militair.
Door Defensie is voldoende aannemelijk gemaakt dat, hoewel de geestelijk verzorger wordt aangesteld in burgerlijke openbare dienst, vanwege de bijzondere eis van het uitzendbaar zijn voor die functie dezelfde algemene eisen van medische geschiktheid gelden als die voor de functie van militair. Voor de functie is de aanstellingskeuring echter nog niet vastgesteld overeenkomstig de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.
Aldus is door Defensie in strijd met de voorschriften van de WMK opdracht gegeven tot het verrichten van de onderhavige aanstellingskeuring. Het is mede de taak van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat aan genoemde vereisten van wet en regelgeving is voldaan. De keurend arts heeft immers ten aanzien van het beginsel van "informed consent" een eigen professionele verantwoordelijkheid, zoals vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring. Door dit na te laten en de aanstellingskeuring uit te voeren heeft verweerder gehandeld in strijd met de WMK en overige genoemde regelgeving.
Wat betreft de zwaarte van het keuringsinstrument het onderzoek door de psychiater heeft De keurend arts/uitslaggevend arts heeft verklaard dat dit instrument, gelet op het gewicht van de beoordeling ten aanzien van de psychische belastbaarheid, naar zijn oordeel adequaat is. De keurend arts/uitslaggevend arts verklaarde in dit verband voorts dat voor militaire keuringen de richtlijnen van de Directie Medische Gezondheid van Defensie prevaleren boven de Leidraad Aanstellingskeuringen. Niet duidelijk is echter geworden waar deze twee richtlijnen van elkaar verschillen. De Commissie is van mening dat de Leidraad Aanstellingskeuringen richting gevend moet zijn. Wanneer er voor de functie van militair in specifieke situaties behoefte bestaat aan een eigen bijzondere regeling, moet die passen binnen de Leidraad Aanstellingskeuringen. Het is de Commissie niet gebleken dat dit hier het geval is.
Voorts overweegt de Commissie dat het haar niet duidelijk is geworden welke relatie er is tussen de bijzondere functie-eisen en de wijze waarop de psychische belastbaarheid is geformuleerd en onderzocht. Derhalve heeft de Commissie niet kunnen vaststellen of hetgeen bij deze keuring werd beoogd een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich brengt. Het betoog van verweerder, dat de aanstelling in burgerlijke openbare dienst op gespannen voet staat met het feit dat de geestelijk verzorger onder dezelfde omstandigheden verkeert als de militair en dat het daarom noodzakelijk is de keuring te verrichten als ware de geestelijk verzorger militair doet daaraan niet af.
De Commissie merkt ten aanzien van de inhoud van het advies van verweerder en de op grond daarvan geformuleerde negatieve uitslag van de uitslaggevend arts op dat zij ervan heeft kennis genomen dat verweerder in het vervolg in het advies exact zal aangeven op welke factoren de aangegeven psychische beperkingen zijn gegrond, zodat de uitslaggevend arts die kan meenemen bij de formulering van de uitslag aan de keurling.