Oordeel 2006-14

Een roeivereniging verzorgt sinds ongeveer 26 jaar de beroepsopleiding voor het beroep van roeier. De opleiding leidt tot het behalen van het Bootmandiploma. Voor het doorlopen van de opleiding sluit de roeivereniging met de kandidaat-roeier een leer/werkcontract. Het met goed gevolg ondergaan van een medische keuring is een voorwaarde voor toelating tot de opleiding tot roeier bij de vereniging. Voor het uitvoeren van deze keuringen werkt de vereniging samen met verweerder. De keuring wordt uitgevoerd, terwijl de selectieprocedure nog niet is afgerond. Verweerder vraagt klager tijdens de keuring een vragenlijst in te vullen. Daarop staan 43 vragen over aandoeningen, verzekeringskeuring, alcohol, drugs, medische onderzoeken in het verleden en vragen over de gezondheidstoestand van familie en gezin. In aansluiting hierop verwijst verweerder klager voor het maken van een rugfoto naar het ziekenhuis, omdat de roeivereniging daarom vraagt. Nadat verweerder de uitslag van het radiologisch onderzoek heeft ontvangen, deelt hij zonder voorafgaand overleg met en zonder toestemming van klager - aan de vereniging de uitslag van de keuring mee. De uitslag luidt minder geschikt. Daarop laat de roeivereniging aan klager weten dat hij op grond van de uitslag van de medische keuring niet geschikt is om deel te nemen aan de opleiding tot roeier. De Commissie overweegt dat een keurend arts een eigenstandige verantwoordelijkheid heeft en derhalve op grond van de professionele standaard moet bepalen of de gevraagde keuring in overeenstemming is met vigerende regelgeving. De Commissie is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende heeft geïformeerd omtrent de opleidings-/arbeidsrelatie tussen de vereniging en de kandidaat leerling roeier en zich ook anderszins niet op een afdoende wijze een duidelijk beeld heeft gevormd over de te verrichten werkzaamheden. De Commissie overweegt voorts dat het de taak is van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat de keurling over de door de WMK voorgeschreven informatie beschikt en dat de keurend arts, zonodig, deze informatie zelf dient te verstrekken op grond van het beginsel van "informed consent". De Commissie is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij klager heeft gevraagd of klager voldoende op de hoogte was van doel, vragen en onderzoeken. De Commissie overweegt dat een keurend arts zonder gerichte toestemming van de keurling geen inlichtingen aan de werkgever mag verstrekken. Door toch te rapporteren aan de vereniging heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 2, tweede lid, (ongeoorloofd gebruik van keuringsgegevens) en artikel 10, tweede en derde lid (geheimhoudingsplicht) van de WMK. Wat betreft de gebruikte vragenlijst overweegt de Commissie dat bij goed formuleren van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid in het algemeen een groot aantal vragen overbodig is evenals onderdelen van het lichamelijk en biometrisch onderzoek. Tevens voldoet het standaard laten vervaardigen van een röntgenfoto van de lumbale wervelkolom als onderzoeksmethode noch aan de eisen van proportionaliteit noch aan de eisen van validiteit en betrouwbaarheid. Daarbij komt dat verweerder de foto niet heeft laten maken op grond van zijn eigen professionele oordeel, maar omdat de werkgever dat eist. Verder merkt de Commissie op dat de onderhavige keuring heeft plaats gevonden, terwijl de selectieprocedure nog niet was afgerond. Dit doet vermoeden dat de keuring is gebruikt als selectie-instrument ter bepaling van toekomstig ziekteverzuim, mede gelet op de verklaringen ter zitting dat ook wordt gekeurd met het oog op het in de toekomst verkrijgen van het Groot Vaarbewijs. De WMK heeft echter als uitgangspunt dat aanstellingskeuringen beperkt toelaatbaar zijn, omdat uitsluiting van de arbeidsmarkt moet worden voorkomen en de privacy van toekomstige werknemers moet worden beschermd. De aanstellingskeuring mag daarom niet worden gebruikt als instrument van risicoselectie van toekomstige werknemers voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de toekomst, nog los van de omstandigheid dat is gebleken dat dit een uiterst onbetrouwbaar middel daartoe vormt. Zo een aanstellingskeuring mag worden verricht, vormt deze keuring derhalve het sluitstuk van de selectieprocedure.


Oordeel 2006-14

Commissie: Th.M.G. van Berkestijn, arts, voorzitter, prof. mr. A.C. Hendriks en mevrouw mr. M.J.M. Kelder, bedrijfsarts, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.

1 De klacht

1.1 Op 1 augustus 2006 heeft klager de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (WMK) door in opdracht van een vereniging een aanstellingskeuring te verrichten voor de functie van “leerlingroeier”.

2 De loop van de procedure

2.1 Op 18 augustus 2006 heeft de Commissie verweerder schriftelijk in kennis gesteld van de klacht met bijlagen.

2.2 Eveneens op 18 augustus 2006 heeft de Commissie de vereniging schriftelijk in kennis gesteld van de klacht met bijlagen en enkele vragen gesteld.

2.3 De Commissie heeft verweerder bij brief van 28 augustus 2006 in kennis gesteld van het antwoord van de vereniging en de daarbij overgelegde stukken.

2.4 De Commissie heeft partijen opgeroepen voor de hoorzitting op 8 september 2006, alwaar partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten toe te lichten.

2.5 Over het handelen van de vereniging is een apart oordeel uitgebracht (oordeel 2006-13).

3 De feiten

Uit de door partijen overgelegde bescheiden, en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Verweerder is huisarts en fungeert tevens als havenarts. Verweerder is door de minister van Verkeer en Waterstaat bij besluit van 21 maart 2005 aangewezen als geneeskundige en is als zodanig bevoegd tot het afgeven van geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart. Verweerder staat niet geregistreerd als bedrijfsarts en is evenmin verbonden aan een gecertificeerde Arbo-dienst.

3.2 De vereniging verzorgt sinds ongeveer 26 jaar de beroepsopleiding voor het beroep van roeier. De opleiding is erkend door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) en valt onder de Wet educatie beroepsonderwijs. De opleiding duurt drie jaar. De opleiding leidt tot het behalen van het Bootmandiploma. Voor het doorlopen van de opleiding sluit de vereniging met de kandidaat-roeier een leer/werkcontract. Gewerkt wordt gedurende vier dagen per week, terwijl één dag per week lessen worden gevolgd op het Scheepvaart & Transport College te Rotterdam.

3.3 Het met goed gevolg ondergaan van een medische keuring is een voorwaarde voor toelating tot de opleiding tot roeier bij de vereniging.

3.4 Voor het uitvoeren van deze keuringen werkt de vereniging samen met verweerder.

3.5 De keuring wordt uitgevoerd op basis van de beroepstypering in de functiebeschrijving van roeier/bootman: “Het verlenen van diensten gerelateerd aan haven en scheepvaart in het algemeen en het assisteren bij het meren en ontmeren van schepen vanaf de kade, vanuit de boot of aan dek van het betreffende schip en het vervoer van personen en goederen in het bijzonder” en het in de functiebeschrijving genoemde “Risicoprofiel”: “Roeier werkt regelmatig onder spanning en moeilijke omstandigheden onder slechte weersgesteldheden wat risico’s meebrengt voor de gezondheid. (…..) Door het dikwijls geen gebruik kunnen maken van hulpmiddelen is de rugbelasting erg hoog. (….)” En onder het kopje “functie-eisen” : “(….) De interne praktische en theoretische opleiding, evenals de externe theoretische opleiding voor bootman met succes afgerond hebben, alsmede in het bezit zijn van het schippersdiploma, het groot vaarbewijs, het VCA certificaat en rijbewijs B. (….) Roeier moet in staat zijn regelmatig zonder nadelige gevolgen onder spanning te werken.
(….)”


3.6 Nadat klager door de vereniging tweemaal eerder was afgewezen voor de opleiding solliciteert klager in januari 2006 wederom naar de functie van leerling-roeier bij de vereniging.

3.7 Bij brief van 5 april 2006 laat de vereniging klager weten dat klager is geselecteerd voor de tweede ronde. De vereniging schrijft: “Zoals je reeds mondeling is verteld volgt nu een medische keuring. Voor jouw medische keuring is een afspraak gemaakt met onze bedrijfsartsen. Je wordt voor deze medische keuring verwacht op vrijdag 14 april a.s. (……..)”

3.8 Verweerder vraagt klager tijdens de keuring op 14 april 2006 een vragenlijst in te vullen. Daarop staan 43 vragen over aandoeningen, verzekeringskeuring, alcohol, drugs, medische onderzoeken in het verleden en vragen over de gezondheidstoestand van familie en gezin. In aansluiting hierop verwijst verweerder klager voor het maken van een rugfoto naar het ziekenhuis. Deze foto, die op 20 april 2006 op de radiologische afdeling van een ziekenhuis wordt gemaakt, maakt onderdeel uit van de keuring.

3.9 Nadat verweerder de uitslag van het radiologisch onderzoek heeft ontvangen, deelt hij - zonder voorafgaand overleg met en zonder toestemming van klager - aan de vereniging de uitslag van de keuring mee. De uitslag luidt “minder geschikt”.

3.10 Bij brief van 28 april 2006 schrijft de vereniging aan klager: “(…) Naar aanleiding van de medische keuring en het advies daarop volgend, moeten we je helaas mededelen dat je niet geschikt bent om deel te nemen aan de opleiding tot roeier. (…) Mocht je verdere informatie willen dan kun je het beste contact opnemen met de keuringsarts (….)”

3.11 Klager neemt vervolgens contact op met verweerder. Verweerder keurt klager op 12 mei 2006 opnieuw.

3.12 Op 19 mei 2006 deelt de vereniging klager schriftelijk mee dat de uitslag van de keuring positief is en dat klager zal worden uitgenodigd voor een tweede gesprek, zodra de uitslagen van de schoolexamens binnen zijn en de selectie kan worden afgerond. Bij brief van 30 juni 2006 deelt de vereniging klager mee dat de keus niet op hem is gevallen voor de opleiding 2006.

4 Standpunten van klager

4.1 De vereniging heeft de medische keuring niet als sluitstuk van de sollicitatieprocedure doen verrichten, zodat de uitslag van de medische keuring is gebruikt als selectiemiddel en niet voor het bepalen van de specifieke medische geschiktheid voor de onderhavige functie.

4.2 De informatie over de medische keuring tijdens het eerste sollicitatiegesprek ging over de zwaarte van de functie en de rugbelasting.

4.3 Desgevraagd verklaart klager dat hij toestemming heeft gegeven voor het verrichten van de keuring, omdat hij anders niet zou worden aangenomen voor de opleiding.

4.4 Klager is al eerder gekeurd voor het Groot Vaarbewijs en is toen goedgekeurd. De uitslag is geldig tot 2008.

5 Standpunt van verweerder

5.1 Verweerder heeft de opleidings-/arbeidsrelatie tussen de vereniging en de kandidaat leerling niet met de vereniging besproken. Verweerder ging ervan uit dat het een medische keuring voor een stage betrof. Vanuit dit gezichtspunt heeft hij telefonisch informatie ingewonnen bij de KNMG, die positief heeft geadviseerd over een keuring op vrijwillige basis bij een stage.

5.2 Verweerder geeft na de keuring aan de vereniging twee soorten uitslagen: “geschikt” en “minder geschikt”. Verweerder verklaart desgevraagd dat het in de lijn der verwachting ligt dat bij de uitslag “minder geschikt” de opleiding niet doorgaat.

5.3 Desgevraagd verklaart verweerder dat de door klager ingevulde vragenlijst is overgenomen van de huisartsenpraktijk, waar voorheen de keuringen plaats vonden. Verweerder verklaart zich te realiseren dat deze lijst niet geschikt is, want onvoldoende specifiek.

5.4 Verweerder verklaart desgevraagd zich niet meer te herinneren of hij klager gevraagd heeft naar de eerdere keuring voor het Groot Vaarbewijs. In ieder geval is volgens verweerder voor de onderhavige keuring van belang dat wordt gekeken naar de huidige situatie omtrent de gezondheid, met name die betreffende de rug.

6 Verklaring van de vereniging

6.1 Volgens de vereniging is er geen sprake van een aanstellingskeuring, maar van een beoordeling door verweerder of de kandidaat geschikt of minder geschikt is om het zware beroep van roeier uit te oefenen. De vereniging eist een rugfoto om te bepalen of de kandidaat geschikt is, gelet op de rugbelasting die deze functie meebrengt.

6.2 De keuring wordt door de vereniging mede uitgevoerd met het oog op de vervolgopleiding om het Groot Vaarbewijs te behalen. Voor het behalen van het Groot Vaarbewijs is een medische keuring vereist.

6.3 Tijdens het sollicitatiegesprek is door de vereniging niet alleen gewezen op de noodzaak van een medische keuring in verband met de zwaarte van de onderhavige functie voor de rug, maar ook met het oog op het in de toekomst behalen van het Groot Vaarbewijs.

6.6 De vereniging deelt ter zitting mee dat, naar aanleiding van de onderhavige klachtprocedure, in het belang van de leden en de toekomstige leden de procedure van de medische keuring zal worden aangepast aan de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

7 Overwegingen van de Commissie

7.1 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de arts die de keuring uitvoert. De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van verweerder (oordeel 2006-14) en de vereniging (oordeel 2006-13).

7.2 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van de aanstellingskeuring voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wetgeving.

7.3 De Commissie overweegt vervolgens als volgt.

7.4 De voorliggende kwestie betreft de vraag of de handelwijze van verweerder, inhoudende het tijdens de sollicitatieprocedure verrichten van een medisch onderzoek in opdracht van de vereniging, valt onder het regime van de WMK en, zo ja, of verweerder aldus heeft gehandeld in strijd met de WMK.

7.5 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan het schriftelijk of mondeling stellen van ‘vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1e . een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt. (………………)’

7.6 Het onderhavige leer/werkcontract betreft een arbeidsverhouding, zoals genoemd in artikel 1 van de WMK. Vaststaat dat klager heeft gesolliciteerd naar de onderhavige functie bij de vereniging en dat klager in het kader van de sollicitatieprocedure door de vereniging is verzocht een medische keuring te ondergaan. Deze keuring is uitgevoerd door verweerder, waarbij de vereniging als opdrachtgever optrad. Gelet op deze omstandigheden dient de onderhavige keuring als keuring in de zin van de WMK te worden aangemerkt en verweerder als keurend arts als bedoeld in deze wet.

7.7 Thans moet worden beoordeeld of verweerder bij het verrichten van de keuring heeft gehandeld in overeenstemming met de voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen. Daartoe overweegt de Commissie als volgt.

7.9 Artikel 4, eerste lid, van de WMK, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen bepaalt dat een aanstellingskeuring alleen mag plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.
Onder bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid wordt verstaan:
- de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; en
- de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, die niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.
De risico’s die met de functie samenhangen moeten dus in eerste instantie zoveel mogelijk door de werkgever worden voorkomen door het treffen van preventieve maatregelen.

7.10 Een aanstellingskeuring mag derhalve alleen worden verricht in die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat. In dit verband is door de vereniging voldoende aannemelijk gemaakt dat de functie van (leerling) roeier fysiek belastend is, met name voor de rug.

7.11 Voor het doen verrichten van een aanstellingskeuring voor een functie en voor de uitvoering daarvan is echter vereist dat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- ter preventie van gezondheids- en veiligheidsrisico’s zijn bijzondere functie-eisen geformuleerd waarop de selectie zich kan richten;
- per bijzondere functie-eis zijn (medische) toetsingscriteria ontwikkeld;
- de gebruikte onderzoeksmethoden zijn valide; en
- er worden geen vragen gesteld en geen medische onderzoeken verricht die een onevenredige inbreuk betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de keurling.

7.12 Uit de verklaringen ter zitting is gebleken dat de onderhavige aanstellingskeuring niet voldoet aan de hierboven genoemde voorwaarden. Voorts is gebleken dat de onderhavige aanstellingskeuring niet is vastgesteld overeenkomstig de hierna te noemen voorschriften van de WMK en het Besluit aanstellingskeuringen.

7.13 Volgens artikel 4, tweede lid, en artikel 8 van de WMK, alsmede artikel 3, tweede lid, artikel 4 en artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen en overige relevante wetgeving moet, alvorens de aanstellingskeuring mag worden uitgevoerd, aan de volgende procedurevoorschriften zijn voldaan:

- door de werkgever is schriftelijk advies gevraagd aan de Arbo-dienst dan wel de bedrijfsarts, met wie een contract is gesloten, over de rechtmatigheid van de keuring voor een bepaalde functie (artikel 3, tweede lid, Besluit aanstellingskeuringen);
- na een positief advies van de Arbo-dienst dan wel de bedrijfsarts heeft de werkgever vervolgens schriftelijk vastgelegd: de functie-eisen, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht (artikel 8, eerste lid, WMK en artikel 3, tweede lid Besluit aanstellingskeuringen); en
- in de voorlichtende tekst betreffende de werving voor de functie staat vermeld dat een aanstellingskeuring zal plaatsvinden (artikel 4 Besluit aanstellingskeuringen);
- de werkgever informeert de keurling vooraf over het doel en de inhoud van de keuring en over zijn/haar rechten (recht op herkeuring en de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de CKA) (artikel 8, tweede lid, WMK, en artikel 3, tweede lid, en artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen).

7.14 Gelet op de uitgangspunten van de wetgever bij de totstandkoming van de WMK, heeft de keurend arts een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling en in relatie tot de keuringvrager. Ook de artikelen van het Burgerlijk Wetboek betreffende de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO), de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG), alsmede het Protocol Aanstellingskeuringen gaan uit van de eigen verantwoordelijkheid van de keurend arts. In dit licht bezien heeft de keurend arts een eigenstandige verantwoordelijkheid. Het is derhalve aan de keurend arts om, op basis van wettelijke normen en de professionele standaard, te bepalen of de keuring in overeenstemming is met vigerende regelgeving.

7.15 De vraag of verweerder heeft gehandeld in overeenstemming met de WMK door gevolg te geven aan het verzoek van de vereniging tot het verrichten van een aanstellingskeuring voor de onderhavige functie moet, gelet op zijn eigenstandige verantwoordelijkheid in dezen, in samenhang met hetgeen hierboven is overwogen ontkennend worden beantwoord. Daaraan doet niet af dat verweerder heeft gesteld dat hij telefonisch informatie heeft ingewonnen bij de KNMG. Los van de omstandigheid dat hieromtrent niets op schrift staat of anderszins valt na te gaan, staat vast dat verweerder zich voorafgaande onvoldoende heeft geïnformeerd omtrent de opleidings-/arbeidsrelatie tussen de vereniging en de kandidaat leerling en zich ook anderszins niet op een afdoende wijze een duidelijk beeld had gevormd over de te verrichten werkzaamheden.

7.16 Voorts is het de taak van de keurend arts om zich ervan te vergewissen dat de keurling over de door de WMK voorgeschreven informatie beschikt (artikel 8, tweede lid, van de WMK) en, zonodig, deze informatie zelf te verstrekken. De keurend arts heeft immers ten aanzien van het “informed consent principe” een eigen professionele verantwoordelijkheid. De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het BW, Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring. Nu verweerder niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij klager heeft gevraagd of klager voldoende op de hoogte was van doel, vragen en onderzoeken, heeft verweerder gehandeld in strijd met bovengenoemde verplichting.

7.17 Ten aanzien van de door verweerder gegeven uitslag aan de vereniging geldt dat een keurend arts zonder gerichte toestemming van de keurling geen inlichtingen aan de werkgever als keuringvrager over de keurling mag verstrekken (1). Door te rapporteren aan de vereniging heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 2, tweede lid, (ongeoorloofd gebruik van keuringsgegevens) en artikel 10, tweede en derde lid (geheimhoudingsplicht)
van de WMK.

7.18 Wat betreft de gebruikte vragenlijst heeft verweerder verklaard zich te realiseren dat deze lijst niet geschikt is. De Commissie overweegt dat bij goed formuleren van de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid in het algemeen een groot aantal vragen overbodig is evenals onderdelen van het lichamelijk en biometrisch onderzoek. Tevens voldoet het standaard laten vervaardigen van een röntgenfoto van de lumbale wervelkolom als onderzoeksmethode noch aan de eisen van proportionaliteit noch aan de eisen van validiteit en betrouwbaarheid. Daarbij komt dat verweerder de foto niet heeft laten maken op grond van zijn eigen professionele oordeel, maar omdat de werkgever dat eist.

7.19 Verder merkt de Commissie op dat de onderhavige keuring heeft plaats gevonden, terwijl de selectieprocedure nog niet was afgerond. Dit doet vermoeden dat de keuring is gebruikt als selectie-instrument ter bepaling van toekomstig ziekteverzuim, mede gelet op de verklaringen ter zitting dat ook wordt gekeurd met het oog op het in de toekomst verkrijgen van het Groot Vaarbewijs. De WMK heeft echter als uitgangspunt dat aanstellingskeuringen beperkt toelaatbaar zijn, omdat uitsluiting van de arbeidsmarkt moet worden voorkomen en de privacy van toekomstige werknemers moet worden beschermd. De aanstellingskeuring mag daarom niet worden gebruikt als instrument van risicoselectie van toekomstige werknemers voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de toekomst., nog los van de omstandigheid dat is gebleken dat dit een uiterst onbetrouwbaar middel daartoe vormt. Zo een aanstellingskeuring mag worden verricht, vormt deze keuring derhalve het sluitstuk van de selectieprocedure.

7.20 Het gegeven dat verweerder door de minister van Verkeer en Waterstaat is aangewezen als geneeskundige en als zodanig bevoegd is tot het afgeven van geneeskundige verklaringen van geschiktheid voor de zeevaart, laat onverlet dat een aanstellingskeuring ingevolge de voorschriften van de WMK alleen mag worden uitgevoerd door een geregistreerd bedrijfsarts.

7.21 Aan voorgaande doet niet af dat klager heeft meegewerkt aan de keuring, nu de WMK regels van dwingend recht bevat, waarvan niet ten nadele van de keurling mag worden afgeweken. Daarbij komt dat een sollicitant zich altijd in een onvrije en ongelijke positie bevindt ten opzichte van de toekomstig werkgever en een keurend arts die in opdracht van de werkgever werkt.

8 Oordeel van de Commissie

Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 2, tweede lid, artikel 3, artikel 4, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 10, tweede en derde lid, van de WMK, en artikel 3, eerste lid van het Besluit aanstellingskeuringen.


  1. Deze norm is ontleend aan de WGBO en de Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens (1992, KNMG)