Oordeel 2007-03

Klager is sinds 31 oktober 1994 als vrijwillig brandweerman in dienst bij verweerder. Naast de gewone taken van brandweerman heeft klager de bijzondere taak van brandweerduiker. Klager heeft bij indiensttreding een zogenaamde "inkeuring" ondergaan. Elk jaar vindt een "verplichte duikmedische keuring" plaats. Vanaf 1 januari 2003 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het beleid inzake de aanstellingskeuring aangescherpt in die zin dat de "inkeuringen" van vóór 2003 niet meer geldig zijn.
In 2005 wordt klager niet opgeroepen voor de jaarlijks "verplichte duikmedische keuring", maar in maart 2006 wordt klager opgeroepen voor een "duikmedische inkeuring". Klager wordt afgekeurd voor brandweerduiker.
Het betoog van klager komt erop neer dat hij vanwege de negatieve uitslag van de keuring zijn werkzaamheden als brandweerduiker niet meer mag verrichten, hetgeen het einde van zijn duikcarriëre betekent.
In dit verband heeft verweerder echter verklaard dat behalve het duiken alle overige taken van brandweerman gewoon kunnen worden uitgevoerd.
De Commissie wijst hier op het oordeel 2004-04 van de CKA, waarbij de CKA van oordeel was dat een medische keuring bij overgang van personeel onder de reikwijdte valt van het keuringsbegrip van de WMK. De CKA overwoog daartoe dat een keuringsuitslag directe (rechts)gevolgen kan hebben voor medewerkers die de keuring ondergaan, doelend op de omstandigheid dat de keuring een voorwaarde was voor de overplaatsing en een negatieve keuringsuitslag uiteindelijk kon resulteren in ontslag. De CKA stelde deze keuring daarom gelijk aan een keuring in verband met het wijzigen van een aanstelling in openbare dienst.
Het ondergaan van de onderhavige keuring (duikmedische inkeuring B) is echter, anders dan de keuring in voornoemde zaak, verplicht gesteld in verband met veiligheids- en gezondheidsrisico's verbonden aan het verrichten van duikarbeid en heeft een wettelijke grondslag. De keuring is niet verricht om reden van het wijzigen van de aanstelling. Het gevolg van een negatieve keuringsuitslag is dat het vervullen van een bepaalde taak behorend bij de (eigen) functie om gezondheidsredenen niet langer mag worden verricht. Een negatieve uitslag van de keuring heeft derhalve gevolge voor het takenpakket, en raakt daarmee aan de arbeidsvoorwaarden, maar kan niet zonder meer worden gelijkgesteld aan een keuring in verband met het wijzigen of beëindigen van de aanstelling als bedoeld in de WMK. Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de keuring, waarover is geklaagd, niet valt onder de reikwijdte van de WMK. De Commissie acht zich, mede gelet op artikel 2 van het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, derhalve niet bevoegd hierover een oordeel te geven.


Oordeel 2007-03

Commissie: Th.M.G. van Berkestijn, arts, voorzitter, mr. E. Cremers - Hartman en prof. mr. A. Hendriks, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.

1 De klacht

Op 23 augustus 2006 heeft klager de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (WMK) door hem te verplichten tot het ondergaan van een zogenaamde ‘inkeuring’ teneinde zijn taak als brandweerduiker te mogen voortzetten.

2 De loop van de procedure

2.1 Bij brief van 28 augustus 2006 heeft de Commissie klager verzocht om nadere informatie omtrent zijn klacht. Klager heeft aan dit verzoek voldaan bij brief van 30 augustus 2006.

2.2 Op 8 september 2006 heeft de Commissie verweerder in kennis gesteld van de klacht met bijlagen.

2.3 Bij brief van 12 oktober 2006 heeft de Commissie informatie ingewonnen bij verweerder.

2.4 Op 16 november 2006 heeft verweerder gereageerd.

2.5 Op 18 december 2006 heeft de Commissie partijen op voorhand schriftelijk meegedeeld dat de klacht naar haar voorlopig oordeel ongegrond is.

2.6 De Commissie heeft het onderzoek vervolgens afgerond.

3 De feiten

Uit de door partijen overgelegde bescheiden is het navolgende komen vast te staan.

3.1 Klager is sinds 31 oktober 1994 als vrijwillig brandweerman in dienst bij verweerder.

3.2 Naast de gewone taken van brandweerman heeft klager de bijzondere taak van brandweerduiker.

3.3 Klager heeft bij indiensttreding een zogenaamde ‘inkeuring’ ondergaan. Voorts vindt bij deze functie elk jaar een ‘verplichte duikmedische keuring’ plaats.

3.4 Vanaf 1 januari 2003 heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) het beleid inzake de aanstellingskeuring aangescherpt in die zin dat de ‘inkeuringen’ van vóór 2003 niet meer geldig zijn.

3.5 Op de door verweerder georganiseerde Studiedag Brandweerduiken van 24 november 2004 wordt dit beleid schriftelijk als volgt meegedeeld: ‘ (…) Alle aspirantduikers moeten een arbeidsgeneeskundig onderzoek ondergaan. Onder aspirant-duikers vallen ook degenen die vóór 1 januari 2 003 duikarbeid verrichtten en daartoe medisch gekeurd zijn. Omdat de keuring vóór 1 januari 2003 geen wettelijke status had, dient elke duiker met ingang van 1 januari 2003 hoe dan ook eerst een zogenaamde intreekeuring te ondergaan. Deze intreekeuring wordt uitgevoerd door een duikerarts B. De herhalingskeuring mag worden uitgevoerd door een duikersarts A (….)’

3.6 In 2005 wordt klager door verweerder niet opgeroepen voor de jaarlijks ‘verplichte duikmedische keuring’.

3.7 Bij brief van 20 maart 2006 wordt klager door de Arbo-dienst, met wie verweerder een contract heeft, opgeroepen voor een ‘duikmedische inkeuring’ op 14 april 2006.

3.8 De keuring bestaat volgens de bijgaande informatie uit ‘een vragenlijst, bloed- en urineonderzoek, bepalen van lengte, gewicht, huidplooidiktemeting en bloeddruk, hartfilmpje, ogen- en gehoortest, lichamelijk onderzoek door de bedrijfsarts/duikerarts, uitgebreid longfunctieonderzoek, een maximale inspanningstest door middel van een fietsproef en een röntgenfoto van de thorax. (..)’ Ook vindt een inspanningstest plaats. Uitgelegd wordt 'Aan de hand van de resultaten van de test is de arts in staat iets te weten te komen over de toestand van het hart en bloedvaten, waarbij vooral de reactie van beide organen op een forse inspanning van belang is. (…)’ De vragenlijst wordt genoemd ‘vragenlijst aanstellingsonderzoek’.

3.9 Klager wordt afgekeurd en vraagt een herkeuring aan. Op verzoek van verweerder vindt vervolgens een herkeuring plaats bij de Arbo-dienst op 5 september 2006.

3.10 De herbeoordeling bestaat uit een maximale inspanningstest door middel van een fietsproef.

3.11 Het resultaat van de herkeuring is dat klager wordt afgekeurd voor brandweerduiker.

4 Standpunten van klager

4.1 Klager stelt zich op het standpunt dat de onderhavige keuring een aanstellingskeuring is in de zin van de Wet op de medische keuringen. Ook is de onderhavige keuring zwaarder dan het arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat hij elk jaar ondergaat.

4.2 Volgens klager mag een dergelijke keuring niet plaatsvinden tijdens dienstverband, omdat er geen sprake is van wijziging van dienstverband.

4.3 Klager stelt dat de gevolgen van de afkeuring voor hem zwaar wegen, omdat dit het einde van zijn duikcarrière betekent.

5 Standpunten van verweerder

5.1 Omdat het ministerie van SZW de inkeuringen van vóór 2003 niet erkent, is door verweerder besloten om iedere duiker een inkeuring door een duikerarts B te laten ondergaan. Daarmee voldoet verweerder sinds augustus 2006 weer aan de regelgeving van SZW (Arbeidsinspectie).

5.2 De arbeidsinspectie van het ministerie van SZW handhaaft de wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden in het algemeen en inzake de duikarbeid bij de Brandweer in het bijzonder. Verweerder stelt dat zij zich, als bevoegd gezag, aan deze wet- en regelgeving hebben te houden.

5.3 Desgevraagd verklaart verweerder ten aanzien van de gevolgen voor het dienstverband bij weigering aan het meewerken van de keuring, dat dan niet meer mag worden gedoken, maar dat alle andere brandweertaken gewoon kunnen blijven worden uitgeoefend.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Allereerst moet de vraag worden beantwoord of de onderhavige ‘inkeuring’ valt onder het regime van de Wet op de medische keuringen (WMK). Daartoe overweegt de Commissie als volgt.

6.2 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan het schriftelijk of mondeling stellen van ‘vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1e (………………..)
2e een aanstelling in openbare dienst;’

6.3 Vaststaat dat de onderhavige keuring sinds 1 januari 2003 als aanstellingskeuring geldt voor aspirant-brandweerlieden, die tevens duikerswerkzaamheden zullen verrichten.

6.4 Vaststaat voorts dat ook voor brandweerduikers met een dienstverband van vóór januari 2003 de onderhavige keuring in 2006 door verweerder eenmalig verplicht is gesteld op grond van het aangescherpte veiligheidsbeleid van verweerder.

6.5 Verweerder stelt in dit verband dat het beleid is aangescherpt ingevolge wettelijke verplichtingen, waarop wordt toegezien door de arbeidsinspectie, en dat de arbeidsinspectie waar nodig handhavend optreedt.

6.6 Thans moet worden beoordeeld of de onderhavige keuring, verricht tijdens de aanstelling, kan worden aangemerkt als een keuring die is verricht in verband met een wijziging van de aanstelling in de zin van de WMK.

6.7 Het betoog van klager komt erop neer dat hij vanwege de negatieve uitslag van de keuring zijn werkzaamheden als brandweerduiker niet meer mag verrichten, hetgeen het einde van zijn duikcarrière betekent.

6.8 In dit verband heeft verweerder echter verklaard dat behalve het duiken alle overige taken van brandweerman gewoon kunnen worden uitgevoerd.

6.9 De Commissie wijst hier op het oordeel 2004-04 van de CKA, waarbij de CKA van oordeel was dat een medische keuring bij overgang van personeel onder de reikwijdte valt van het keuringsbegrip van de WMK. De CKA overwoog daartoe ‘dat een keuringsuitslag directe (rechts)- gevolgen kan hebben voor medewerkers die de keuring ondergaan’ (overweging 6.3), doelend op de omstandigheid dat de keuring een voorwaarde was voor de overplaatsing en een negatieve keuringsuitslag uiteindelijk kon resulteren in ontslag. De CKA stelde deze keuring daarom gelijk aan een ‘keuring in verband met het wijzigen van een aanstelling in openbare dienst’ (overweging 6.4).

6.10 Het ondergaan van de onderhavige keuring (duikmedische inkeuring B) is echter, anders dan de keuring in voornoemde zaak, verplicht gesteld in verband met veiligheids- en gezondheidsrisico’s verbonden aan het verrichten van duikarbeid en heeft een wettelijke grondslag. De keuring is niet verricht om reden van het wijzigen van de aanstelling. Het gevolg van een negatieve keuringsuitslag is dat het vervullen van een bepaalde taak behorend bij de (eigen) functie om gezondheidsredenen niet langer mag worden verricht. Een negatieve uitslag van de keuring heeft derhalve gevolge voor het takenpakket, en raakt daarmee aan de arbeidsvoorwaarden, maar kan niet zonder meer worden gelijkgesteld aan een keuring in verband met het wijzigen van de aanstelling als bedoeld in de WMK. Bij een negatieve uitslag van de onderhavige keuring is het bevoegd gezag in alle gevallen verplicht te onderzoeken of andere passende werkzaamheden kunnen worden aangeboden. Indien dat niet mogelijk is kan een buitendienststelling volgen, waarbij de ambtenaar wordt geacht wegens ziekte ongeschikt te zijn tot het verrichten van arbeid. In geval van klager is het aanbieden van andere passende werkzaamheden en een eventuele buitendienststelling niet aan de orde geweest, omdat hij de overige taken als brandweerman heeft kunnen blijven uitvoeren.

7 Oordeel van de Commissie

Uit bovenstaande overwegingen volgt dat de keuring, waarover is geklaagd, niet valt onder de reikwijdte van de WMK. De Commissie acht zich, mede gelet op artikel 2 van het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, derhalve niet bevoegd hierover een oordeel te geven.