Oordeel 2007-06

Klaagster is sinds januari 2005 in dienst bij verweerster als grondstewardess op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst van telkens één jaar. In twaalf maanden verzuimt klaagster wegens ziekte 103 kalenderdagen. Vanwege het gangbare ziekteverzuimbeleid bij verweerster vindt in augustus 2006 een zogenaamd frequent verzuimgesprek plaats tussen klaagster en verweerster. In verband met het al dan niet verlengen van het contract vinden vervolgens een aantal gesprekken plaats. Ten slotte deelt verweerster klaagster mee dat verweerster op basis van klaagsters functioneren definitief heeft besloten het contract niet te verlengen, omdat van het functioneren van klaagster in zijn algemeenheid vanwege klaagsters langdurige (en bovengemiddeld) ziekteverzuim geen bestendig beeld verkregen kon worden.
Volgens klaagster heeft verweerster de informatie die gevraagd is bij het frequent verzuimgesprek betrokken bij de beoordeling omtrent het al dan niet omzetten van het contract voor bepaalde tijd in een contract voor onbepaalde tijd. Klaagster stelt in dit verband dat informatie over haar gezondheid niet mocht worden gevraagd door verweerster, maar dat het vragen van dergelijke informatie op het terrein van de bedrijfsarts ligt.
Verweerster stelt dat het doel van het frequent verzuim gesprek is het achterhalen van oorzaken van veel verzuim en het samen met de medewerker zoeken naar oplossingen. In dat kader zijn vragen gesteld over de reden van het ziekteverzuim. Het doel daarvan is om te onderzoeken of er werk- of werktijdenaanpassingen nodig zijn. Klaagster kon tijdens het gesprek niet aangeven wat de reden van haar onbalans was. Daarom is ook niet doorverwezen naar de Arbo-dienst. Ziekteverzuim wordt niet meegewogen bij de besluitvorming over het verlengen dan wel het wijzigen van een arbeidscontract voor bepaalde tijd in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. In het onderhavige geval had verweerster nog twijfels over het functioneren van klaagster, omdat door het vele verzuim van klaagster gedurende de laatste 12 maanden een onvoldoende bestendig beeld van het functioneren van klaagster en de ontwikkeling daarin was verkregen.
De Commissie overweegt dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerster zich vanwege het frequente ziekteverzuim van klaagster een onvoldoende beeld van klaagsters functioneren heeft kunnen vormen. Daarom kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de door verweerster in
augustus 2006 ingewonnen informatie over klaagsters ziekteverzuim is gedaan in verband met eventuele verzuimbegeleiding en niet in verband met een wijziging van het arbeidscontract.
De klacht is ongegrond, nu er geen sprake is van een keuring in de zin van de WMK.
De Commissie overweegt ten overvloede dat, hoewel de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde verzuimproblematiek voor klaagster en verweerster als een zwaarwegend punt is opgevat, dit niet heeft geleid tot betrokkenheid van de Arbo-dienst.
De Commissie beveelt verweerster aan om de inschakeling van de Arbo-dienst in gevallen als deze expliciet te overwegen, en, indien daaraan geen behoefte bestaat, dit te documenteren. Een dergelijke handelwijze kan misverstanden omtrent de bedoeling van de werkgever bij een verzuimgesprek voorkomen.


Oordeel 2007-06

Commissie: Th.M.G. van Berkestijn, arts, voorzitter, mr. E. Cremers - Hartman en prof. dr. J.H.B.M. Willems, bedrijfsarts, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. A.D. van Zeben, secretaris.

1 De klacht
 

Op 29 december 2006 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of verweerster heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (WMK) door vragen te stellen over klaagsters ziekteverzuim in het verleden en de gegevens van dit verzuimgesprek te gebruiken bij de beoordeling voor het al dan niet omzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

2 De loop van de procedure

2.1 Op 5 januari 2007 heeft de Commissie verweerster in kennis gesteld van de klacht.

2.2 Op verzoek van klaagster heeft de Commissie vervolgens, na overleg met verweerster, ingestemd met een spoedprocedure in verband met een door klaagster voorgenomen kort geding tegen verweerster.

2.3 Op 10 januari 2007 heeft de Commissie aan verweerster nadere informatie verstrekt over de klacht en bij e-mail de door klaagster overgelegde stukken gestuurd.

2.4 In overleg met partijen is vervolgens een hoorzitting vastgesteld op 31 januari 2007.

2.5 Op 18 januari 2007 heeft de Commissie de oproeping om te verschijnen op de hoorzitting van 31 januari 2007 gestuurd aan verweerster met in bijlage de hierboven genoemde stukken.

2.6 Bij brief van eveneens 18 januari 2007 heeft de Commissie de uitnodiging voor de hoorzitting gestuurd aan klaagster.

2.7 Klaagster heeft op 23 januari 2007 nog een schriftelijke toelichting op haar klacht gegeven.

2.8 Op 30 januari 2007 heeft de Commissie het verweerschrift van verweerster ontvangen met bijlagen.

3 De feiten
 

Uit de door partijen overgelegde bescheiden, en uit hetgeen ter zitting is gesteld en niet is weersproken, is – voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende komen vast te staan.

3.1 Verweerster is een luchtvaartmaatschappij.

3.2 Klaagster is sinds 17 januari 2005 in dienst bij verweerster als grondstewardess/ Service Agent op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst van telkens één jaar. 3.3 Voor deze functie is geen aanstellingskeuring verplicht gesteld.

3.4 In januari 2006 wordt de arbeidsovereenkomst met één jaar verlengd. Met ingang van 27 maart 2006 werkt klaagster onder leiding van de bij de onderhavige klacht betrokken teamleider.

3.5 Op 18 april 2006 ontvangt klaagster van verweerster een standaardbrief met de vraag of zij het percentage van de te werken uren per dag wil veranderen. Klaagster dient bij brief van 6 mei 2006 het verzoek in om drie dagen van zes uren te werken in plaats van vijf dagen van vier uren. Dit verzoek wordt door verweerster ingewilligd bij brief van 14 juli 2006.

3.6 In twaalf maanden verzuimt klaagster wegens ziekte 103 kalenderdagen, tweemaal ( in totaal 88 dagen) vóór de verlenging van haar contract tijdens de werkperiode bij haar vorige teamleider, en driemaal (in totaal 15 kalenderdagen) bij haar huidige teamleider.

3.7 Vanwege het gangbare, gedocumenteerde, ziekteverzuimbeleid bij verweerster vindt op 20 augustus 2006 een zogenaamd frequent-verzuimgesprek plaats tussen klaagster en verweerster (teamleider). Verweerster (teamleider) bevestigt dit gesprek bij brief van 31 augustus 2006 – voor zover van belang – als volgt:
‘(……) Tijdens bovengenoemd gesprek hebben wij het gehad over uw arbeidsverzuim. Dit is bij u 5 keer in de afgelopen 12 maanden. Dit zijn 103 kalenderdagen. Wij hebben het gehad over de laatste 3 ziekmeldingen aangezien de eerste twee ziekmeldingen nog te maken hadden met een ziekte die is begonnen bij uw vorige teamleider met wie u dit uitgebreid hebt besproken. Een duidelijke reden voor uw ziekteverzuim heeft u niet kunnen aangeven (….) U heeft zeker de intentie het aantal het komend jaar te verminderen. Wij hebben afgesproken over 4 maanden weer bij elkaar te komen en te kijken hoe het gaat. (….)’

3.8 Verweerster ziet geen aanleiding klaagster door te verwijzen naar de Arbo-dienst. Klaagster zelf ziet evenmin aanleiding om een afspraak te maken met een bedrijfsarts, werkzaam voor de Arbo-dienst.

3.9 Op 5 en 6 september 2006 vinden op verzoek van klaagster opnieuw gesprekken plaats met de teamleider, omdat klaagster zich niet kan vinden in de bewoordingen van de hierboven genoemde brief van 31 augustus 2006. Bij brief van eveneens 6 september 2 006 schrijft klaagster aan verweerster (teamleider) – voor zover van belang –:
‘(….) Gemeld wordt een ziekteverzuim zonder aanwijsbare reden. Blijkbaar zijn gedurende ons gesprek een aantal feiten niet duidelijk genoeg overgekomen. Het ziekteverzuim is uitsluitend na diagnose van mijn huisarts geweest. Te weten keelontsteking, bronchitis en griep. (……..)’

3.10 Bij verweerster is het gebruikelijk dat er bij voldoende functioneren een salarisverhoging plaats vindt in de geboortemaand van de betreffende werknemer. Klaagster krijgt daarom in september 2006 een salarisverhoging. Een functioneringsbeoordeling heeft dan echter nog niet plaats gevonden.

3.11 Bij brief van 27 september 2006 schrijft verweerster (Vice President Passenger Services) in een standaardbrief aan klaagster – voor zover relevant –: ‘(…) Ik ben verheugd u, onder voorwaarde van goed functioneren, te kunnen mededelen dat met ingang van 1 november a.s. uw jaarcontract tussentijds zal worden omgezet in een contract voor onbepaalde tijd (vast contract). De reden dat we dit binnen Passenger Services gaan doen ligt in het feit dat wij besloten hebben alle eerste jaarscontracten die per 31 augustus 2006 afliepen om te zetten in een contract voor onbepaalde tijd.

Gelijktijdig hebben wij besloten alle medewerkers, die werkzaam zijn in een jaarcontract in tweede of derde termijn, per 1 november a.s. ook een vast contract aan te bieden. Voorbehoud hierbij is natuurlijk goed functioneren. (…….) Afgelopen week heeft uw leidinggevende input gegeven over uw functioneren en heeft personeelszaken een dossiercheck uitgevoerd. Op basis van deze informatie wordt bepaald of u in aanmerking komt voor de omzetting van uw arbeidsovereenkomst. (…..)’

3.12 Op 7 oktober 2006 vindt op verzoek van klaagster wederom een gesprek plaats met de teamleider en op 11 oktober 2006 op verzoek van klaagster met de teammanager.

3.13 In de gespreksbevestiging van 11 oktober 2006 schrijft
verweerster (teammanager) – voor zover relevant –:
‘(….) Dit gesprek vond op uw verzoek plaats om de
volgende zaken te bespreken: 
-  2 zinnen in de verzuimbrief van 31 augustus jl. 
-  Het aantal ziekmeldingen van de afgelopen 12 maanden. 
-  Het gesprek van afgelopen zaterdag met uw teamleider. 
-  Omzetting van uw contract.
Aan het eind van het gesprek hebben wij het volgende afgesproken: 
-  Ik zal met uw teamleider overleggen en vragen de 2 zinnen aan te passen. 
-  Bij de Arbo-dienst zal ik een check doen. 
-  In mijn mail zal ik de brief zoeken van afgelopen zaterdag om te checken wat er precies in staat. 
-  Check bij P&O doen. (…)’


3.14 De huisarts van klaagster schrijft, met klaagsters toestemming, op 11 oktober 2006 in een brief, gericht aan verweerster (teamleider), onder meer het volgende:

‘(……) In het arbeidsverzuimgesprek dat u op 20 augustus jl. met (klaagster) had kwamen met name de laatste drie ziekmeldingen naar voren, waarvoor (klaagster), volgens uw schrijven, geen duidelijke reden kon aangeven. Tijdens dit gesprek heeft (klaagster) wel degelijk de redenen van ziekmelding aangegeven, hetgeen zij ook in haar brief van 6 september heeft gemeld. Ik heb, als haar behandelend huisarts en (klaagster) goed kennende, sterk de behoefte om u te bevestigen dat zij wel degelijk om strikt medische redenen en conform mijn adviezen, zich destijds ziek heeft gemeld (….)’

3.15 Bij brief van 24 oktober 2006 geeft verweerster (teamleider) een rectificatie van de gespreksbevestiging van 31 augustus 2 006 inzake het verzuimgesprek. Voor zover verschillend van de brief van 31 augustus 2 006, geciteerd onder punt 3.3, luidt de brief van 24 oktober 2006: ‘(…..) U heeft erover nagedacht maar een duidelijke reden voor uw onbalans heeft u niet kunnen aangeven. (…..)’. Deze laatste zin staat in plaats van de zin in de brief van 31 augustus 2006: ‘Een duidelijke reden voor uw ziekteverzuim heeft u niet kunnen aangeven’ .

3.16 Bij brief van 27 oktober 2006 deelt verweerster (teamleider)
aan klaagster mee – voor zover van belang –: ‘(…….) Bij deze bevestig ik ons gesprek op 7 oktober jl. waarin we hebben besproken dat uw jaarcontract op dit moment nog niet wordt omgezet in een onbepaalde tijd contract. Wij zijn er nog niet geheel van overtuigd en willen het nog even aanzien, omdat u frequent heeft verzuimd. Uw ziekteverzuim ligt hoger dan gemiddeld de afgelopen 12 maanden. Midden december zullen wij het opnieuw gaan bekijken. Duidelijk gaf u aan (….) dat u zich voor de komende twee maanden voor de volle 200% zal gaan inzetten. (…..)’

4 Standpunten van klager 

4.1 Volgens klaagster heeft verweerster de informatie die gevraagd is bij het frequent verzuimgesprek op 20 augustus 2006 betrokken bij de beoordeling omtrent het al dan niet omzetten van het contract voor bepaalde tijd in een contract voor onbepaalde tijd per 1 november 2006.

4.2 Klaagster stelt in dit verband dat informatie over haar gezondheid niet mocht worden gevraagd door verweerster, maar dat het vragen van dergelijke informatie op het terrein van de bedrijfsarts ligt.

4.3 Desgevraagd verklaart klaagster dat de brief van de huisarts met haar toestemming door de huisarts is gezonden naar verweerster en dat zij geen reden zag de brief naar de Arbo-dienst te laten sturen.

4.4 Desgevraagd verklaart klaagster voorts dat zij zelf verzocht heeft om een gesprek met haar teamleider vanwege de vermelding van het hoge aantal ziekteverzuimdagen in de brief van 31 augustus 2006. Klaagster vertelt dat dergelijke brieven in haar dossier komen en stelt dat men als werknemer niet welkom is bij verweerster, wanneer er sprake is van veel verzuim. Klaagster stelt dat zij er daarom voor heeft gepleit alleen de drie ziekmeldingen van de periode, dat zij werkt onder de betrokken teamleider, van in totaal 15 kalenderdagen te vermelden.

4.5 Ten slotte verklaart klaagster dat zij zelf via haar advocaat in november 2006 heeft gevraagd naar een beoordeling over haar functioneren. Volgens klaagster functioneerde zij voldoende tot goed, omdat zij salarisverhoging heeft gekregen in september 2006. Dit zou ook blijken uit complimenten die zij heeft gekregen over de manier waarop zij haar werk verrichtte. 

5 Standpunten van verweerster

5.1 Bij verweerster geldt een verzuimbeleid. In dat kader is op 20 augustus 2006 het frequent-verzuimgesprek gevoerd met klaagster. Het doel van dit gesprek is het achterhalen van oorzaken van veel verzuim en het samen met de medewerker zoeken naar oplossingen. In dat kader zijn vragen gesteld over de reden van het ziekteverzuim. Het doel daarvan is om te onderzoeken of er werk- of werktijdenaanpassingen nodig zijn. Klaagster kon tijdens het gesprek niet aangeven wat de reden van haar onbalans was, dat wil zeggen waarom ze in korte tijd driemaal ziek is geweest.

5.2 Desgevraagd verklaart verweerster dat de reden waarom er in de gespreksbevestiging van 31 augustus 2006 niet wordt gesproken van werkaanpassing is, dat klaagster geen achterliggende reden van haar griep en keelontsteking kon geven. Daarom is ook niet overgegaan tot werkaanpassing.

5.3 Omdat klaagster geen reden van haar onbalans kon geven is ook niet doorverwezen naar de Arbo-dienst.

5.4 Desgevraagd verklaart verweerster dat de brief van de huisarts van klaagster bij verweerster toen niet bekend was.

5.5 Omtrent het functioneren van klaagster verklaart verweerster desgevraagd dat vanwege drukte en vakanties het functioneren van klaagster niet is beoordeeld in september, maar pas later. Desgevraagd verwijst verweerster naar de passage in haar brief van 18 december 2006, gericht aan de advocaat van klaagster, hierboven geciteerd onder 3.17.

5.6 Desgevraagd verklaart verweerster dat klaagster in september een salarisverhoging heeft gekregen wegens voldoende functioneren. Een dergelijke beoordeling over functioneren is volgens verweerster een andere dan de beoordeling bij de besluitvorming om tot verlenging van een arbeidscontract of vast dienstverband over te gaan.

5.7 Ten slotte verklaart verweerster dat ziekteverzuim niet wordt meegewogen bij de besluitvorming over het verlengen dan wel het wijzigen van een arbeidscontract voor bepaalde tijd in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. In het onderhavige geval had verweerster nog twijfels over het functioneren van klaagster, omdat door het vele verzuim van klaagster gedurende de laatste 12 maanden een onvoldoende bestendig beeld van het functioneren van klaagster en de ontwikkeling daarin was verkregen. Daarom is aan klaagster in het gesprek van 7 oktober 2006, bevestigd bij brief van 27 oktober 2006, meegedeeld dat het jaarcontract nog niet wordt omgezet in een contract voor onbepaalde tijd en dat een en ander opnieuw wordt beoordeeld in december 2006.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Allereerst overweegt de Commissie dat zij geen inhoudelijk oordeel geeft over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of er in de onderhavige kwestie sprake is van een aanstellingskeuring in de zin van de Wet op de medische keuringen (WMK) en, zo ja, of de uitvoering van die aanstellingskeuring voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wet- en regelgeving.

6.2 De Commissie overweegt vervolgens als volgt.

6.3 De voorliggende kwestie betreft de vraag of de handelwijze van verweerster, inhoudende het stellen van vragen over de reden van klaagsters ziekteverzuim tijdens het verzuimgesprek op 20 augustus 2007 en de beoordeling omtrent het geen doorgang vinden van de omzetting van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, valt onder het regime van de Wet op de medische keuringen (WMK) en, zo ja, of verweerster aldus heeft gehandeld in strijd met de WMK.

6.4 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan het schriftelijk of mondeling stellen van ‘vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1e. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt. (………………)’


6.5 De term keuring in de zin van de WMK wordt ruim uitgelegd en omvat, blijkens artikel 4, mede het vragen naar of het anderszins inwinnen van inlichtingen over de gezondheidstoestand en over ziekteverzuim in het verleden. De Commissie wijst hier (ook) op hetgeen is bepaald in hoofdstuk 2, onder 2.2.1 van het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), : ‘het doel van een aanstellingskeuring is de beoordeling van de huidige belastbaarheid van de keurling ten opzichte van de belasting door de betreffende functie’.

6.6 Uit de brief van verweerster van 31 augustus 2006 en de verklaringen ter zitting blijkt dat door verweerster in het gesprek van 20 augustus 2006 aan klaagster vragen zijn gesteld over klaagsters ziekteverzuim in het verleden teneinde een oordeel te kunnen vormen over de reden van onbalans.

6.7 De vraag die thans beantwoord moet worden is of de vragen door verweerster zijn gesteld in verband met het wijzigen van haar arbeidscontract.

6.8 Vaststaat dat het gesprek op 20 augustus 2006 een zogenaamd frequent-verzuimgesprek betrof, passend binnen het beleid van verweerster aangaande arbeidsongeschiktheid (ziek zijn). Blijkens de brief van klaagster van 6 september 2006 was klaagster het niet eens met de bewoordingen ‘een duidelijke reden voor uw ziekteverzuim heeft u niet kunnen aangeven’ in de gespreksbevestiging van verweerster van 31 augustus 2006. Klaagster doelt daarbij op het ziekteverzuim tijdens haar werkperiode onder de betrokken teamleider. Voorts vermeldt klaagster in haar brief van 6 september 2006 dat het grootste deel van haar ziekteverzuim valt in de werkperiode onder de vorige teamleider en dat zij van die aandoening inmiddels helemaal hersteld is.

6.9 Ter zitting heeft klaagster verklaard dat het haar voornamelijk te doen was om niet zo’n hoge verzuimfrequentie in haar dossier vermeld te zien. Klaagster stelt daartoe dat men met een hoog verzuim niet welkom zou zijn bij verweerster. De Commissie vat dit aldus op dat klaagster ervan uitgaat dat verweerster, bij haar beoordeling om over te gaan tot het wijzigen van een dienstverband voor bepaalde tijd in een vast dienstverband, de ziekteverzuimfrequentie in het verleden gebruikt als risico-selectie.

6.10 Begin september 2006 speelde de overgang naar een vast dienstverband echter nog niet. Het jaarcontract van klaagster liep immers nog door tot 17 januari 2007. Eerst dan, althans in december 2006, zou door verweerster beoordeeld worden of het contract van klaagster zou worden verlengd.

6.11 De situatie werd echter anders toen klaagster de standaardbrief met tekst, zoals vermeld onder 3.11, verzonden aan alle jaarcontractanten binnen Passenger Services, ontving. Op initiatief van klaagster zijn toen begin oktober 2006 gesprekken gevoerd, waarbij klaagster zelf haar frequente ziekteverzuim onder de aandacht heeft gebracht in verband met een (mogelijke) beoordeling van haar functioneren teneinde haar per 1 november 2006 een vast dienstverband aan te bieden. Klaagster is daartoe zelfs een gesprek met haar huisarts aangegaan, die vervolgens in overleg met en met toestemming van klaagster een brief met medische gegevens heeft geschreven aan verweerster.

6.12 Het is derhalve aan klaagster zelf toe te rekenen dat verweerster mogelijk in het bezit is gekomen van medische gegevens over haar.

6.13 Verweerster heeft bij brief van 27 oktober 2006 aan klaagster meegedeeld dat het jaarcontract nog niet wordt omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Hoewel de bewoordingen van die brief onduidelijk zijn en mogelijk de suggestie wekken dat het ziekteverzuim door verweerster wordt gebruikt als risicoselectie voor de toekomst, is ter zitting voldoende aannemelijk geworden dat verweerster hiermee bedoelt dat zij zich vanwege het frequente ziekteverzuim van klaagster een onvoldoende beeld van klaagsters functioneren heeft kunnen vormen. Deze bedoeling van verweerster blijkt ook uit de woorden ‘midden december zullen wij het opnieuw gaan bekijken’.

6.14 Uit bovenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de door verweerster in augustus 2006 ingewonnen informatie over klaagsters ziekteverzuim is gedaan in verband met eventuele verzuimbegeleiding en niet in verband met een wijziging van het arbeidscontract.

6.15 Voorts zijn door klaagster geen bewijzen overgelegd en zijn de Commissie evenmin anderszins omstandigheden gebleken, waaruit zou kunnen worden geconcludeerd, dat verweerster bij de afweging van de geschiktheid van klaagster voor de betreffende functie (impliciet) een met de WMK strijdige beoordeling heeft gegeven omtrent de huidige belastbaarheid van klaagster ten opzichte van de belasting van de functie. In dit verband acht de Commissie het ook van belang dat verweerster de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in januari 2006 heeft verlengd en dat het ziekteverzuim van klaagster geen negatieve gevolgen heeft gehad op de besluitvorming daaromtrent.

6.16 Op grond van vorenstaande overwegingen is de klacht ongegrond, nu er geen sprake is van een keuring in de zin van de WMK. Ten overvloede

6.17 De Commissie hecht eraan hier een overweging ten overvloede te wijden aan zowel de communicatie van verweerster richting medewerkers inzake het verzuimbeleid als over de inschakeling van de Arbo-dienst.

6.18 Verweerster heeft ter zitting verklaard dat ziekteverzuim niet wordt meegewogen bij de besluitvorming over het verlengen dan wel het wijzigen van een arbeidscontract voor bepaalde tijd in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. Uit de briefwisseling blijkt echter niet van een duidelijke communicatie hierover richting klaagster. Dit kan ertoe hebben bijgedragen dat bij klaagster het vermoeden is ontstaan dat verweerster haar ziekteverzuimgegevens zou gebruiken als risicoselectie. De Commissie beveelt verweerster daarom aan om hierover duidelijk te communiceren richting medewerkers met een contract voor bepaalde tijd.

6.19 Hoewel de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde verzuimproblematiek voor klaagster en verweerster als een zwaarwegend punt is opgevat, heeft dit niet geleid tot betrokkenheid van de Arbo-dienst. De Commissie beveelt verweerster aan om de inschakeling van de Arbodienst in gevallen als deze expliciet te overwegen, en, indien daaraan geen behoefte bestaat, dit te documenteren. Een dergelijke handelwijze kan misverstanden omtrent de bedoeling van de werkgever bij een verzuimgesprek voorkomen

7 Oordeel van de Commissie 

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel. De klacht is ongegrond.


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de Nota van Toelichting bij het Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001 en bij het Besluit aanstellingskeuringen van 23 november 2001 worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en van het Besluit aanstellingskeuringen.