Oordeel 2009-05

De Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) is gevraagd haar oordeel uit te spreken over de vraag of de uitslaggevend keuringsarts als eindverantwoordelijke voor de aanstellingskeuring in strijd met de Wet op de medische keuringen (Wmk) heeft gehandeld door klaagster niet goed te informeren over het feit dat het hebben van astma een reden voor afkeuring vormt.

Klaagster heeft belangstelling voor de functie Hondengeleider bij de Koninklijke Luchtmacht en wacht twee jaar tot de functie vacant komt. Zij reageert op de vacature en wordt uitgenodigd voor de informatiedag. Op deze dag vertellen beroepenvoorlichters over de inhoud van het werk en over de selectie- en keuringsprocedure. De sollicitanten krijgen tevens de brochure ‘Selectie en keuring’ en sollicitatiepapieren mee. Klaagster is naderhand opgeroepen voor het psychologisch onderzoek en enige tijd later voor de aanstellingskeuring. Daar hoort zij van de keuringsarts dat zij is afgekeurd vanwege haar astma. Klaagster stelt dat de informatievoorziening gebrekkig is geweest en dat zij niet alle voorbereidingen voor de sollicitatie zou hebben getroffen als zij correct was voorgelicht. Zij wil met haar klacht bewerkstelligen dat anderen niet hetzelfde overkomt. Klaagster is ook van mening dat zij niet vanwege astma afgekeurd had mogen worden omdat zij hier zelden last van heeft en slechts af en toe medicijnen gebruikt.

De keuringsarts heeft verklaard dat astma een absolute contra-indicatie is voor het vervullen van alle militaire functies omdat een militair kan worden ingezet onder vooraf onvoorspelbare omstandigheden en onvoorspelbare plaatsen, waarbij het gevaar bestaat dat de luchtwegen aan diverse prikkels kunnen worden blootgesteld. Voor wat betreft de informatieplicht betreft wijst de keuringsarts erop dat geverifieerd is of klaagster over de brochure ‘Selectie en keuring’ beschikte en of zij van de inhoud op de hoogte was.

De CKA oordeelt dat de keuringsarts een eigen taak heeft, onafhankelijk van het bevoegd gezag, zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de Wmk. Indien dit niet het geval is dient de keuringsarts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principe). De CKA stelt vast dat de brochure ‘Selectie en keuring’ geen informatie bevatte over astma als absolute contra-indicatie en dat de keuringsarts vooraf nadere informatie aan klaagster had moeten verstrekken. Nu de noodzakelijk te achten informatieverstrekking achterwege is gebleven, heeft de uitslaggevend keuringsarts in strijd met artikel 8 , tweede lid, van de Wmk gehandeld.

De CKA overweegt tevens dat zij op grond van de voorliggende stukken en informatie over de functie van hondengeleider zich niet kan uitspreken over de vraag of astma terecht als absolute contra-indicatie moet worden aangemerkt voor deze functie.

De CKA heeft tegen de Koninklijke Luchtmacht als bevoegd gezag een apart oordeel uitgebracht (oordeel 2009-03).



Oordeel 2009-05

Commissie: mr. E. Cremers - Hartman, voorzitter, mr. M.A.C. Vijn en mr. C.M.F. van Roessel, bedrijfsarts, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. J. Jonkman, secretaris.

1 De klacht

1.1 Op 23 april 2009 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: Commissie) verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de uitslaggevend keuringsarts (hierna: verweerder), werkzaam bij het DienstenCentrum Medische Keuringen, onderdeel van het Commando Dienstencentra van het Ministerie van Defensie, heeft gehandeld in strijd met de Wet op de medische keuringen (Wmk) door klaagster niet goed te informeren over het feit dat het hebben van astma een reden voor afkeuring vormt. Zij is hier niet voorafgaand aan de keuring door de keuringsarts op gewezen. De klacht betreft zowel het handelen van verweerder als het handelen van de Koninklijke Luchtmacht (hierna: het bevoegd gezag).

2 De loop van de procedure

2.1 De Commissie heeft klaagster telefonisch op 24 april 2009 en schriftelijk op 27 en 29 april 2009 om aanvullende informatie gevraagd. Hierop heeft klaagster op 25 en 27 april en op 7 mei 2009 per e-mail gereageerd.

2.2 Vervolgens heeft de Commissie de klacht op 29 april 2009 doorgestuurd naar verweerder met het verzoek om uiterlijk 15 mei 2009 schriftelijk te reageren. De Commissie heeft op haar brief geen reactie van verweerder ontvangen.

2.3 Tevens heeft de Commissie de klacht op 29 april 2009 doorgestuurd naar het bevoegd gezag met het verzoek om uiterlijk 15 mei 2009 schriftelijk te reageren. Na een verzoek om uitstel tot 20 mei 2009 heeft het bevoegd gezag op 18 mei 2009 schriftelijk gereageerd.
 
2.4 Op 20 mei 2009 zijn klaagster en verweerder uitgenodigd voor een hoorzitting op 9 juni 2009. In de brief aan de keuringsinstantie is uitdrukkelijk gevraagd om ook de keuringsarts bij de hoorzitting aanwezig te laten zijn. Tevens is het bevoegd gezag uitgenodigd. 
 
2.5 De mondelinge behandeling vond op 9 juni 2009 plaats. Er is geen keuringsarts verschenen.

2.6 Op 10 juni heeft de Commissie verweerder schriftelijk aanvullende vragen gesteld, op welke vragen op 21 juli 2009 een reactie is ontvangen. Hierop heeft de Commissie op 24 augustus 2009 een reactie gestuurd, waarmee het schriftelijk onderzoek is afgerond.
2.7 De Commissie heeft tegen het bevoegd gezag een apart oordeel uitgebracht (Oordeel 2009-03).

3 De feiten

Uit de door partijen overgelegde bescheiden, de mondelinge behandeling en de schriftelijke antwoorden van de uitslaggevend keuringsarts op de aanvullende vragen van de Commissie, is – voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende vast komen te staan.

3.1 In 2008 zag klaagster op de website www.werkenbijdeluchtmacht.nl de vacature voor de functie Hondengeleider – VMBO KGL. De vacature gaf de functieomschrijving, de opleidingseisen en de doorgroei- en studiemogelijkheden weer. Ook heeft klaagster de brochure ‘Selectie en keuring’ over de keuringsprocedure via de website doorgenomen. Nadat klaagster op de vacature had gereageerd is zij uitgenodigd om de informatiedag bij te wonen in augustus 2008.

3.2 Op de informatiedag waren beroepenvoorlichters van het bevoegd gezag aanwezig, onder wie twee hondengeleiders. Zij vertelden over de inhoud van het werk en over de selectie en keuringsprocedure. Verder heeft klaagster die dag de brochure ‘Selectie en keuring’ en sollicitatiepapieren meegekregen. In de sollicitatieformulieren werd gevraagd naar vooropleiding, functie, familie/vrienden en medische gegevens. Er werd verteld dat de formulieren thuis konden worden ingevuld en dat een uitnodiging zou volgen voor een psychologisch onderzoek.

3.3 Tijdens de informatiedag hebben de beroepenvoorlichters ook gesproken over medicijnafhankelijkheid. De beroepenvoorlichters hebben aangegeven dat het gebruik van bepaalde medicijnen tot afkeuring kan leiden.

3.4 Klaagster heeft na de informatiedag de sollicitatiepapieren ingevuld en daarin ook aangegeven dat zij astma heeft. Na een paar weken is klaagster uitgenodigd voor een psychologisch onderzoek. Dit onderzoek vond plaats in september 2008. Tijdens dit onderzoek is de astma ter sprake gekomen. De psycholoog gaf aan dat het hebben van astma problematisch zou kunnen zijn voor een functie bij Defensie. Meer is er tijdens dit gesprek niet over gezegd.

3.5 Het psychologisch onderzoek verliep voor klaagster goed en diezelfde dag is een afspraak gemaakt voor de medische keuring. Deze vond plaats op 27 november 2008.

3.6 Binnen Defensie is de procedure dat tijdens de medische keuring de keurling eerst een aantal tests en onderzoeken doorloopt alvorens door de adviserend keuringsarts te worden gezien. De adviserend keuringsarts pleegt daarna overleg met de uitslaggevend keuringsarts. De uitslaggevend keuringsarts is eindverantwoordelijke en geeft in een gesprek met de keurling de definitieve uitslag aan de keurling. De medische keuring vindt plaats na het psychologisch onderzoek.

3.7 Nadat alle tests en onderzoeken waren doorlopen moest klaagster het formulier met haar medische gegevens inleveren bij de adviserend keuringsarts, met wie een gesprek volgde. In het formulier had klaagster ingevuld dat zij astma heeft. De adviserend keuringsarts heeft klaagster vragen gesteld over haar astma. Na overleg met verweerder heeft de adviserend keuringsarts klaagster verteld dat zij was afgekeurd vanwege haar astma. Na dit gesprek heeft verweerder in het eindgesprek officieel de afkeuring voor de functie hondengeleider – VMBO KGL aan klaagster meegedeeld.

4 Standpunten van klaagster

Klaagster heeft ter zitting het volgende verklaard:

4.1 Klaagster heeft twee jaar gewacht totdat de betreffende functie vacant kwam. Zij heeft een half jaar lang voorbereidingen getroffen voor deze functie. Zo is zij gaan fitnessen om de vereiste conditie te bereiken en is daarom lid geworden van een sportschool.

4.2 Klaagster wist van te voren dat zij medisch gekeurd zou moeten worden. Van de beroepenvoorlichters had zij vernomen dat de functie lichamelijk zwaar zou zijn en dat haar conditie derhalve goed moest zijn. Zij had van de fysiotherapeut bij Defensie gehoord dat de belasting voor de functie van Hondengeleider in cluster vier thuishoorde en dat de keuringseisen daarop waren gebaseerd. Wat die precieze keuringseisen waren is haar echter niet verteld.

4.3 Klaagster is voorafgaand aan de keuring niet door het bevoegd gezag op de hoogte gesteld dat astma een contra-indicatie is voor de betreffende functie. Op de informatiedag is wel gesproken over medicijnafhankelijkheid en dat dit mogelijk tot afkeuring zou kunnen leiden. Het gebruik van Ritalin door AD/HD patiënten is daarbij als voorbeeld genoemd. Er is niet gezegd dat bepaalde aandoeningen een absolute contra-indicatie vormen voor een functie binnen Defensie. De voorlichting op de informatiedag over medicijnafhankelijkheid gaf klaagster geen reden om nadere vragen te stellen over haar astma. Daarbij heeft meegespeeld dat klaagster vrijwel geen medicijnen gebruikt. Klaagster stelt dat de informatievoorziening rond de aanstellingskeuring voor deze functie gebrekkig is geweest. Was klaagster hierover op correcte wijze voorgelicht, dan had zij niet alle voorbereidingen voor de sollicitatie getroffen.
 
4.4 Klaagster geeft desgevraagd aan het niet eens te zijn met de keuringsuitslag. Zij is van mening dat zij niet slechts op het hebben van astma afgekeurd had mogen worden omdat zij zelden last heeft van haar astma en hier slechts af en toe medicijnen voor gebruikt. Klaagster stelt dat er zoveel mensen met astma zijn en dat er verschillende gradaties in zijn, zodat er nader onderzoek had moeten plaatsvinden om te bezien of haar vorm van astma daadwerkelijk een belemmering zou kunnen vormen voor het uitoefenen van de functie. Nu is zij zonder onderzoek meteen afgekeurd vanwege haar astma.

4.5 Klaagster beoogt met haar klacht te bewerkstelligen dat anderen niet hetzelfde overkomt.

5 Standpunten van het bevoegd gezag

5.1 Het bevoegd gezag stelt dat sollicitanten, voordat zij solliciteren, een verplichte voorlichting krijgen door een beroepenvoorlichter van de Afdeling Personeelsvoorziening Koninklijke Luchtmacht. In deze voorlichting wordt naast de aspecten van het militaire beroep en eventuele specifieke functie-inhoudelijke zaken ook aandacht besteed aan de keurings- en selectieprocedure. Met name wordt het doel en het verloop van de keuring en selectie aangegeven. Verder is de informatie die wordt gegeven ten aanzien van het medisch aspect in principe algemeen en niet inhoudelijk. Dit, omdat de beroepenvoorlichters geen medische achtergrond hebben en het ook niet passend is in te gaan op de gezondheid van belangstellenden. Verder is het ondoenlijk om alle medische aandoeningen die als mogelijke afkeuringsgrond worden geclassificeerd voor het militaire beroep te benoemen in de voorlichting en/of brochure. Te meer omdat er gradaties zijn in aandoeningen waarover alleen de uitslaggevend keuringsarts ten aanzien van goed- of afkeuren een oordeel kan geven. De beroepenvoorlichters vertellen wel dat iemand die medicijnafhankelijk is er rekening mee dient te houden dat dit in principe een afkeuringsgrond is om militair te worden. Echter, het is uiteindelijk de uitslaggevend keuringsarts die aan de hand van het anamneseformulier en de medische keuring bepaalt of iemand medisch wordt goed- of afgekeurd.

5.2 Het bevoegd gezag heeft tijdens de hoorzitting toegelicht waarom medicijngebruik moet worden besproken tijdens de informatiedag. Medicijnafhankelijkheid kan namelijk tot praktische problemen leiden tijdens uitzendingen. Medicijnen moeten meestal gekoeld worden bewaard en dat is tijdens uitzendingen vaak niet mogelijk. Mocht het zo zijn dat de beroepenvoorlichters tijdens de voorlichtingsdag Ritalin als voorbeeld hebben genoemd, dan is dat onterecht en niet volgens de richtlijnen van Defensie. Het is aan de keuringsarts om te bepalen of iemand wordt afgekeurd en op grond waarvan. Beroepenvoorlichters moeten dan ook geen chronische aandoeningen en medicijnen bij name noemen. Dat astma niet is genoemd als contra-indicatie acht het bevoegd gezag dan ook terecht. Het bevoegd gezag licht toe dat sollicitanten tijdens of na de voorlichtingsdag de beroepenvoorlichters wel kunnen vragen of een bepaalde aandoening een belemmering vormt om militair te worden. De beroepenvoorlichter kan dan direct een arts raadplegen. Deze arts zal echter terughoudend zijn, omdat hij eerst de betreffende sollicitant zal willen onderzoeken om een oordeel te kunnen geven.

5.3 Het bevoegd gezag verwijst in zijn verweerschrift naar de brochure ‘Selectie en keuring’ waarin alle informatie staat die betrekking heeft op de selectie en keuring voor een militaire functie bij de krijgsmacht. Deze brochure heeft klaagster voorafgaand aan de keuring ontvangen.

5.4 Volgens het bevoegd gezag is ten aanzien van de voorlichting gehandeld conform de Wmk. Verweerder geeft wel aan open te staan voor eventuele adviezen die uit de behandeling van de klacht naar voren zouden kunnen komen.

6 Standpunten van verweerder

6.1 Verweerder heeft zich in zijn antwoord beperkt tot beantwoording van de algemene vragen over de keuringsprocedure. Verweerder licht toe dat voor alle militaire functies de militaire basiseisen gelden. Dit zijn de minimale eisen die gesteld worden aan het functioneren als militair onder alle omstandigheden. Voor de functie van Hondengeleider bij de Koninklijke Luchtmacht geldt naast de militaire basiseisen als specifieke functie-eis dat aan de zwaardere eis van de fysieke belastbaarheid van functiecluster vier moet worden voldaan.

6.2 Op de vraag of astma een absolute contra-indicatie is voor een (bepaalde) functie binnen Defensie antwoordt verweerder bevestigend. Voor een militair geldt dat deze kan worden ingezet onder vooraf onvoorspelbare omstandigheden en onvoorspelbare plaatsen, waarbij het gevaar bestaat dat de luchtwegen aan diverse prikkels kunnen worden blootgesteld (bijvoorbeeld allergische prikkels en prikkels zoals rook, stof, gas of damp, temperatuurswisselingen en variaties in de luchtvochtigheid). Deze prikkels kunnen bij mensen die hiervoor gevoelig zijn een bronchiale hyperreactiviteit veroorzaken waardoor de gezondheid en veiligheid van de betreffende militair en die van derden in gevaar kan worden gebracht. Bij mensen met astma is altijd bronchiale hyperreactiviteit aanwezig.

6.3 Voor de Commissie was deze informatie in combinatie met de informatie uit eerder ontvangen bescheiden en hetgeen ter zitting is verklaard voldoende gebleken om tot een afgewogen oordeel te komen.

7 Overwegingen van de Commissie

7.1 De voorliggende klacht betreft de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 8, tweede lid, van de Wmk door klaagster voorafgaand aan de keuring niet te informeren over het gegeven dat astma een absolute contra-indicatie is voor het vervullen van de beoogde functie.

7.2 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de Wmk en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager, het bevoegd gezag, en de (her)keurend artsen (Bedrijfsgroep Defensie Personele Diensten, in casu het Dienstencentrum Medische Keuringen). De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van het bevoegd gezag (oordeel 2009-03) en van verweerder (oordeel 2009-05).

7.3 Artikel 1, onderdeel a, van de Wmk bepaalt – voorzover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan “vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het  verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1e (…………………..),
2e een aanstelling in openbare dienst”.


7.4 Vast is komen te staan dat er in het onderhavige geval sprake is van een aanstellingskeuring in de zin van bovengenoemd artikel 1 van de Wmk.

7.5 De voorwaarden voor het verrichten van een aanstellingskeuring en de procedurevoorschriften voor een aanstellingskeuring zijn nader uitgewerkt in de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

7.6 Een aanstellingskeuring maakt deel uit van de aannameprocedure en vindt plaats aan het eind van deze procedure.

7.7 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmk, juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit Aanstellingskeuringen, alleen plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

7.8 Binnen Defensie is er één standaardkeuring als basis voor elke militaire functie in alle krijgsmachtonderdelen. Per militair specialisme zijn aanvullende eisen vastgelegd, waarop moet worden gekeurd. Voor de functie Hondengeleider – VMBO KGL gelden aanvullende, zwaardere eisen voor de medische geschiktheid dan voor de standaardkeuring.

7.9 De keuringsprocedure staat omschreven in de brochure ‘Selectie en keuring’ die vanuit de afdeling Personele Diensten van Defensie is uitgegeven en te vinden is op de website www.defensiekeuring.nl. De brochure geeft algemene informatie over de procedure en de inhoud van de keuring. In de inleiding van de brochure staat dat gedurende de selectie en keuring de keurling verder wordt geïnformeerd over meer specifieke zaken. In de brochure staat dat de militair gezond en goed belastbaar moet zijn en staan een aantal medische testen beschreven. De sollicitant moet een medische vragenlijst invullen aan de hand waarvan de adviserend keuringsarts vragen kan stellen. De sporttest vormt het sluitstuk van de medische keuring. Ten aanzien van de sporttest staat op pagina 11 van de brochure in het onderdeel ‘tijdelijke afwijzing op grond van een onvoldoende sporttest’ beschreven dat militaire functies ingedeeld zijn in vier clusters, afhankelijk van de zwaarte oftewel de fysieke belastbaarheidseisen. De zwaarste functies zitten in cluster vier. Verder geeft de brochure aan dat de sollicitant bij wie een medische bijzonderheid wordt geconstateerd die een beperking vormt voor het functioneren als militair, afgekeurd kan worden. Over astma of enige andere specifieke aandoening staat niets aangegeven. In de brochure staat ook de procedure bij klachten of bedenkingen vermeld.

7.10 De keuringsarts heeft een eigen taak onafhankelijk van het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de Wmk. Indien dit niet het geval is dient de keuringsarts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principe) . De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring.

7.11 Verweerder heeft in zijn antwoord op de vraag of de adviserend keuringsarts klaagster vooraf voldoende heeft geïnformeerd, aangegeven dat deze arts bij klaagster heeft geverifieerd of klaagster over de brochure ‘Selectie en keuring’ beschikte en of zij op de hoogte was van de inhoud ervan en dat klaagster hierop positief heeft geantwoord. Uit de informatie van verweerder is vast komen te staan dat astma een absolute contra-indicatie is voor alle militaire functies. Nu deze informatie niet in de genoemde brochure is opgenomen, leidt de Commissie hieruit af dat de keuringsarts klaagster niet vooraf heeft geïnformeerd over deze voor klaagster relevante informatie.

De Commissie leidt uit het antwoord van verweerder tevens af dat klaagster evenmin specifiek is geïnformeerd over de bijzondere functie-eisen en de zwaardere keuringseisen die gelden voor de functie hondengeleider -VMBO KGL. De brochure geeft daaromtrent geen nadere inhoudelijke informatie en daarom had de keuringsarts die informatie moeten verstrekken.

7.12 Klaagster heeft aangevoerd dat zij dusdanig weinig last heeft van haar astma dat zij meent de functie wel te kunnen uitoefenen en dat een nader onderzoek had moeten plaatsvinden om te bezien of haar astma daadwerkelijk een belemmering voor het vervullen van de functie zou zijn. De Commissie begrijpt dat het klaagster niet duidelijk is geworden waarom astma niet als een relatieve contra-indicatie moet worden aangemerkt. In dat geval wordt aan de hand van de ernst van deze aandoening en de wijze waarop de keurling hiermee omgaat, beoordeeld of het mogelijk is in de beoogde functie te functioneren. De Commissie kan zich echter op grond van de voorliggende stukken en informatie over de functie van hondengeleider niet uitspreken over de vraag of astma terecht als absolute contra-indicatie moet worden aangemerkt voor deze functie.

7.13 De Commissie is van oordeel dat verweerder als eindverantwoordelijke voor het verloop van de medische keuring verplicht is zich ervan te vergewissen dat de keurling voldoende informatie heeft ontvangen over de keuring voordat deze plaatsvindt. Het voorbijgaan aan deze voorwaarde impliceert dat over wordt gegaan tot een medische keuring zonder geïnformeerde toestemming (informed consent) van de keurling. De Commissie heeft vastgesteld dat de noodzakelijk te achten informatieverstrekking achterwege is gebleven en dat verweerder derhalve niet aan zijn verplichting heeft voldaan.

8 Oordeel van de Commissie

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel. Verweerder heeft gehandeld in strijd met

- artikel 8, tweede lid, van de Wmk

De Commissie verklaart de klacht daarom gegrond.

Den Haag, 4 september 2009


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen.