Oordeel 2009-06

Klager heeft de Commissie gevraagd haar oordeel uit te spreken over de vraag of klager afgekeurd had mogen worden voor de functie van matroos passagiersvaart/binnenvaart vanwege het risico op een epileptisch insult. Klager heeft één keer een aanval gehad veroorzaakt door een tumor en nadat deze is verwijderd heeft hij geen aanval meer gehad. Klager begrijpt niet waarom hij de aangeboden werkzaamheden aan boord van het passagiersschip niet zou kunnen/mogen vervullen terwijl hij wel mag autorijden.

Klager werkte fulltime op basis van een contract voor onbepaalde tijd als leerling timmerman bij een aannemersbedrijf. Klager heeft een epileptisch insult gehad veroorzaakt door een tumor. De tumor is succesvol verwijderd en klager kon vrij snel na de operatie zijn eigen werk hervatten. Echter, toen klager op controle kwam bij zijn behandelend neuroloog, gaf deze aan dat klager niet op hoogte en ook niet met elektrische apparaten mocht werken omdat naar de inschatting van de behandelend neuroloog het risico op een epileptisch insult niet nul is. Klager is als gevolg daarvan nadien duurzaam volledig arbeidsongeschikt verklaard voor zijn eigen werk.

Klager heeft gezocht naar een passende functie. Zijn oom is kapitein op een passagiersschip en bood aan om op dit passagiersschip te komen werken. Klager zou hier op detacheringsbasis kunnen gaan werken. De werkzaamheden bestaan uit schoonmaken (ramen zemen, dekken en zonnedek), het vast- en losmaken van het schip, schuren en verven en het dragen van koffers bij in- en uitschepen.
Om deze functie te kunnen gaan vervullen diende klager een dienstboekje te hebben. Ter verkrijging van het dienstboekje moest hij medisch gekeurd worden. Klager wordt echter afgekeurd vanwege het risico op een epileptisch insult. Hierdoor krijgt klager het benodigde dienstboekje niet en kan hij de werkzaamheden aan boord niet uitoefenen. De keurend arts heeft klager geadviseerd om een herkeuring aan te vragen.

In de Regeling medische keuringen binnenvaart 2008 (hierna: de Regeling) staan de keuringsaanwijzingen en keuringseisen genoemd. De keuringseisen zijn opgesteld met het oog op de veiligheid van de keurling en die van derden. De betrokkene die in aanmerking wil komen voor een geneeskundige verklaring dient vrij te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert. Daarnaast mag de aanwezigheid van de betrokkene aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden. Epilepsie wordt genoemd als reden voor ongeschiktheid.
De veiligheid van de keurling en van derden is een bijzondere functie-eis in de zin van de Wmk. In de Regeling is het beschermen van de veiligheid voor de functie niet specifiek beschreven. Voor alle functies aan boord geldt dat de veiligheid van de keurling en derden moet zijn gewaarborgd. De keuringen op grond van de Regeling worden voor alle functies op dezelfde wijze uitgevoerd.

De Commissie komt tot de conclusie dat de systematiek van de Regeling niet is afgestemd op de uitgangspunten van de Wmk. Dit laat onverlet dat verweerder zich dient te houden aan de Wmk, hetgeen betekent dat verweerder de plicht heeft zich ervan te vergewissen dat de bijzondere eisen van medische geschiktheid van een functie zijn beschreven volgens de daarvoor geldende bepalingen van de Wmk, teneinde de transparantie te bewerkstelligen die door de Wmk wordt beoogd.
Gelet op de algemeenheid en uitgebreidheid van de onderhavige keuring die volgens de keuringsaanwijzingen van de Regeling wordt uitgevoerd, is de keuring naar het oordeel van de Commissie dan ook in strijd met de Wmk uitgevoerd.

Tevens acht klager zich niet voldoende geïnformeerd door verweerder. Klager wist niet dat verweerder hem op grond van de Regeling vanwege het risico op een epileptisch insult moest afkeuren. Dit is klager pas bij de herkeuring uitgelegd door de scheidsrechter.
Verweerder heeft een eigen taak zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de Wmk. Indien dit niet het geval is dient verweerder deze informatie zelf te verstrekken. Aangezien de keurend arts dit niet heeft gedaan, heeft hij in strijd gehandeld met de Wmk.



Oordeel 2009-06

Commissie: mr. E. Cremers - Hartman, voorzitter, mr. M.A.C. Vijn en mr. C.M.F. van Roessel, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. J. Jonkman, secretaris.

1 De klacht
 

1.1 Op 16 september 2009 heeft klager een klacht ingediend bij de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie). Hij heeft de Commissie gevraagd haar oordeel uit te spreken over de vraag of klager afgekeurd had mogen worden voor de functie van matroos passagiersvaart/binnenvaart vanwege het risico op een epileptisch insult. Klager heeft één keer een aanval gehad veroorzaakt door een tumor en nadat deze is verwijderd heeft hij geen aanval meer gehad. Klager begrijpt niet waarom hij de aangeboden werkzaamheden aan boord van het passagiersschip niet zou kunnen/mogen vervullen terwijl hij wel mag autorijden.

2 De loop van de procedure
 
2.1 Op 21 september 2009 heeft de Commissie klager per brief, welke op diezelfde dag tevens per e-mail aan klager is toegezonden, nadere vragen gesteld. Klager heeft de vragen op 22 september 2009 per e-mail beantwoord en telefonisch toegelicht.

2.2 De Commissie heeft de klacht op 30 september 2009 doorgestuurd naar de keurend arts (hierna: verweerder). Verweerder heeft een afschrift van het klachtenformulier ontvangen, alsmede een afschrift van de nadien aan klager gestelde vragen en zijn antwoorden hierop.

2.3 Verweerder heeft op 9 oktober 2009 schriftelijk gereageerd. Op 27 oktober 2009 heeft verweerder schriftelijk en per e-mail een aanvullende reactie gestuurd. Deze aanvullende reactie heeft de Commissie op 4 november 2009 doorgestuurd naar klager.

2.4 Op 14 oktober 2009 zijn partijen uitgenodigd voor een hoorzitting op 11 november 2009.

2.5 Op 27 oktober 2009 heeft klager de Commissie in een e-mail laten weten dat hij op woensdag 21 oktober 2009 voor een herkeuring in Rotterdam is geweest. De herkeurend arts heeft hem uitgelegd dat de keurend arts hem wel af heeft moeten keuren. Volgens de geldende regels zou er in geval van epilepsie of diabetes altijd moeten worden afgekeurd. Om die reden kon hij een herkeuring aanvragen. De herkeurend arts, de ‘’scheidsrechter’’ kan in dat geval bepalen wie wel of wie niet goed gekeurd kan worden. Er zal nu op 19 november 2009 een onderzoek (gesprek en EEG) bij een neuroloog plaatsvinden. Klager geeft in zijn e-mail aan dat het nu misschien niet nodig is om direct verder te gaan met de klacht of met de hoorzitting in afwachting van deze onderzoeken.

2.6 Na overleg met de Commissie heeft klager besloten de hoorzitting toch door te laten gaan, omdat de klacht betrekking heeft op de keuring door verweerder en de (uitkomst van de) herkeuring hier los van staat.

2.7 Bij de hoorzitting op 11 november 2009 waren aanwezig: klager en diens vader en moeder en van verweerders zijde de keurend arts, de gemachtigde van verweerder, en een arbeidsdeskundige.

2.8 Na afloop van de hoorzitting is op verzoek het keuringsformulier, welk formulier door de bedrijfsarts is gebruikt, nagezonden aan de Commissie. 

3 De feiten

Uit de door partijen overgelegde bescheiden en de mondelinge behandeling is – voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang – het navolgende vast komen te staan.
 
3.1 Klager werkte fulltime op basis van een contract voor onbepaalde tijd als leerling timmerman bij een aannemersbedrijf. Op 2 mei 2008 heeft klager een epileptisch insult gehad veroorzaakt door een tumor. De tumor is op 28 mei 2008 succesvol verwijderd. Na de operatie heeft klager vrij snel, met instemming van zijn bedrijfsarts, zijn eigen werk weer kunnen hervatten, inclusief het werken op hoogte en het werken met elektrische machines.

Op 17 december 2008 is klager op controle geweest bij zijn behandelend neuroloog. Deze gaf aan dat klager niet op hoogte en ook niet met elektrische apparaten mocht werken omdat naar de inschatting van de behandelend neuroloog het risico op een epileptisch insult niet nul is. Klager is als gevolg daarvan nadien duurzaam volledig arbeidsongeschikt verklaard voor zijn eigen werk.

3.2 In april 2009 heeft klager op advies van zijn bedrijfsarts een second opinion gevraagd van een neuroloog te Amsterdam. Deze adviseerde om een EEG onderzoek te laten doen.

3.3 In mei 2009 heeft klager bij zijn eigen behandelaar een MRI scan gehad. De uitslag hiervan was goed: er was niets meer te zien op de scan. Klager mocht echter nog steeds zijn eigen werkzaamheden niet hervatten.

3.4 Klager heeft gezocht naar een passende functie. Zijn oom is kapitein op een passagiersschip en bood aan om op dit passagiersschip te komen werken. Klager zou hier op detacheringsbasis kunnen gaan werken. De werkzaamheden bestaan uit schoonmaken (ramen zemen, dekken en zonnedek), het vast- en losmaken van het schip, schuren en verven en het dragen van koffers bij in- en uitschepen. Gedurende de winterperioden verschuiven de werkzaamheden en vervallen de taken die gerelateerd zijn aan het varen als zodanig.

Ter zitting is komen vast te staan dat deze werkzaamheden zijn aan te merken als werkzaamheden die bij de functie deksman horen (1). Voor de functies lichtmatroos en/of matroos zou klager een vakschool voor schippers of een andere relevante opleiding moeten gaan volgen. Daarover is nooit gesproken.

3.5 Op grond van de Regeling medische keuringen binnenvaart 2008(2) diende klager medisch gekeurd te worden ter verkrijging van een dienstboekje. Zonder dit dienstboekje kan klager geen werkzaamheden verrichten op het passagiersschip. Klager heeft daarop een keuring aangevraagd.

3.6 Klager is op 8 september 2009 door de keurend arts afgekeurd vanwege het risico op een epileptisch insult. Hierdoor krijgt klager het benodigde dienstboekje niet en kan hij de werkzaamheden aan boord niet uitoefenen. De keurend arts heeft klager geadviseerd om een herkeuring aan te vragen.

3.7 Klager heeft vanaf 2 mei 2008 voor zes maanden een rijontzegging gehad. Op 18 december 2008 is klager opnieuw gekeurd door het CBR en op 1 maart 2009 heeft klager bericht van het CBR ontvangen dat zijn rijontzegging per die datum was opgeheven.

3.8 Regeling medische keuringen binnenvaart 2008 (hierna: de Regeling)
De toelichting op de Regeling luidt – voor zover van belang - :
“Algemeen
In de binnenvaart moet men voor het verkrijgen van een vaarbewijs, een Rijnpatent of een dienstboekje in het bezit zijn van een geneeskundige verklaring, waaruit blijkt dat men voldoet aan de medische eisen om een binnenschip te kunnen besturen en aan boord werkzaam te zijn. De afgifte van deze verklaring vindt doorgaans plaats op basis van een medische keuring door daartoe door de Minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen artsen.”

3.9 Artikel 4 lid 1 van de Regeling:
De arts verricht het geneeskundig onderzoek op basis van de keuringsaanwijzingen, opgenomen in Bijlage I.

3.10 Bijlage I van de Regeling bevat in het eerste deel de Algemene keuringsaanwijzingen.
De inleiding luidt: “Van groot belang is vooral het tijdig herkennen en (laten) behandelen van die aandoeningen die een duidelijk risicoverhogende factor betekenen. In het algemeen dient de betrokkene om in aanmerking te komen voor een geneeskundige verklaring vrij te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert. Daarnaast mag de aanwezigheid van de betrokkene aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden.”

3.11 Bijlage I luidt verder – voor zover van belang -:
“Overleg met de medisch adviseur
Indien er bij de beoordeling van de geschiktheid twijfels rijzen, kan daarover overleg plaatsvinden met de medisch adviseur scheepvaart. De verantwoordelijkheid voor de beslissing blijft echter bij de keurend arts.”


3.12 “Specifieke werkzaamheden aan boord
Bij de keuring is men zich terdege bewust van de specifieke werkomstandigheden aan boord, die overigens afhankelijk van het soort schip en vaargebied sterk kunnen variëren:
a. het werk aan boord vertoont onregelmatige fysieke en psychische piekbelastingen;
b. het werk aan boord brengt een forse lichamelijke belasting met zich mee, waarbij veel traplopen, het manoeuvreren rond obstakels en beperkte bewegingsruimte met soms een ongunstige werkhouding extra belasting van het bewegingsapparaat met zich mee brengen;
c. door de aard van de werkzaamheden is er niet altijd gelegenheid om op regelmatige tijden te eten en te slapen.”

3.13 “Uitgangspunten voor afkeuring Medisch ongeschikt voor de binnenvaart is de persoon, die lijdt aan een ziekte, afwijking of verwonding:
a. waardoor een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmerd kan worden;
b. waardoor betrokkene niet te allen tijde in staat is om adequaat te handelen in geval van nood;
c. die tijdens de functie-uitoefening aan boord kan verergeren, in die zin dat daardoor een onaanvaardbaar risico voor de gezondheid of veiligheid van hemzelf of de overige opvarenden ontstaat, of ernstige hinder voor andere personen aan boord; of
d. die een behandeling behoeft, waarbij voortdurend medisch toezicht is vereist of waarbij acuut ingrijpen door een medicus noodzakelijk kan worden.”

3.14 Het tweede deel van Bijlage I bevat de keuringseisen. Paragraaf 3 luidt – voor zover van belang -:
“Ziekten of lichamelijke gebreken
1. Aandoeningen die gepaard gaan met bewustzijns- of evenwichtsstoornissen
a. (….)
b. Alle vormen van epilepsie in de anamnese, al dan niet medicamenteus behandeld, zijn een reden voor ongeschiktheid. Uitzonderingen:
1°. (….)
2°. Goedkeuring (zie onder 5°) is mogelijk 2 jaar (Groot vaarbewijs, Rijnpatent, dienstboekje) respectievelijk 1 jaar (Klein vaarbewijs) na een eenmalige epileptische aanval, zonder duidelijke oorzaak, zonder behandeling met anti-epileptica, indien op een standaard-, slaaponthoudings- en slaap-EEG geen afwijkingen in epileptische zin worden gezien.
3°. (….)
4°. (….)
5°. De geldigheidsduur van de geneeskundige verklaring bij de uitzonderingen beschreven onder 2°, 3°, en 4° is eerst ½ jaar. Indien de betrokkene aanvalsvrij blijft wordt de geldigheidsduur vervolgens 1 jaar, daarna 2 jaar, daarna 5 jaar en daarna onbeperkt.
c. (….)”


4 Standpunten van klager

4.1 Klager begrijpt niet waarom hij de aangeboden werkzaamheden aan boord van het passagiersschip niet zou kunnen vervullen. Hij heeft na de operatie op 28 mei 2008 geen epileptisch insult meer gehad of anderszins klachten ondervonden. Aan boord van het schip hoeft hij niet op hoogte te werken of met elektrische machines, wat destijds voor de neuroloog de reden was om hem ongeschikt te achten voor het werk als timmerman. Hij zou voornamelijk schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden verrichten. Bovendien mag klager sinds maart 2009 weer autorijden en hij ziet niet in waarom hij wel mag autorijden, maar de bedoelde werkzaamheden aan boord niet mag verrichten.

4.2 Ter zitting heeft klager aangevuld dat hij zich onvoldoende geïnformeerd achtte door de keurend arts. Hij heeft niet begrepen waarom hij de werkzaamheden aan boord die behoren bij zijn functie niet zou mogen verrichten. Hij was niet op de hoogte van de bevoegdheden van de keurend arts die hem gekeurd heeft.

5 Standpunten van verweerder

5.1 Verweerder stelt primair dat de Commissie niet bevoegd is omdat er volgens verweerder geen sprake is van een aanstellingskeuring. Klager zou op basis van detachering op het passagiersschip gaan werken. De werkgever die de detacheringsplek bood, stelde als voorwaarde dat klager een dienstboekje zou hebben.

5.2 Verder heeft verweerder tijdens de hoorzitting gesteld dat de klacht niet-ontvankelijk is. De regeling van werkzaamheden van de Commissie bepaalt in 4.3, derde aandachtspunt, dat indien klager elders een procedure is gestart over het onderwerp van de klacht, de Commissie (voorlopig) afziet van verdere behandeling. Aangezien klager op 19 november 2009 een herkeuring heeft en klager de Commissie heeft gevraagd de zaak voorlopig aan te houden, vindt verweerder dat de Commissie de zaak op dit moment niet verder in behandeling had mogen nemen.

5.3 Verweerder geeft aan dat klager is uitgelegd wat de arbeidsomstandigheden/functie-eisen aan boord zijn en dat is uitgelegd dat deze functie-eisen niet te combineren zijn met het risico op een recidief insult. Ook heeft de keurend arts in het bijzijn van klager de medisch adviseur scheepvaart gebeld die aangaf dat afkeuren de enige optie was. Daarnaast heeft de keurend arts klager gewezen op de mogelijkheid van herkeuring.

5.4 Verweerder geeft aan dat voor alle bemanningsleden van een schip in de professionele vaart, een aandoening die gepaard kan gaan met bewustzijn en/of evenwichtsstoornissen, waaronder alle vormen van epilepsie, functies aan boord van een schip in de weg staat. Ook klager zou in de buurt van werktuigen met bewegende delen kunnen komen en tevens bestaat het risico dat hij als gevolg van een epileptisch insult overboord valt en vervolgens verdrinkt. In feite gelden hier precies dezelfde functiebeperkingen als hem al werden aangegeven door zijn eigen bedrijfsarts en arbeidsdeskundige. Ter zitting is er nog op gewezen dat klager over een loopplank moet lopen.

5.5 De keurend arts heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat hij bij alle aanstellingskeuringen de Wmk tracht na te leven. Voor de binnenvaart echter heeft hij zich te houden aan de Regeling en de daarin vermelde keuringseisen. Op grond van de Regeling diende hij klager af te keuren vanwege het risico op een recidief insult. Hij heeft klager wel meteen gewezen op de mogelijkheid van herkeuring. Verder heeft de keurend arts aangegeven dat hij zelf geen onderzoek bij een specialist heeft aangevraagd, omdat het gebruikelijk is dat dit via de scheidsrechter, de herkeurend arts op grond van de Regeling, plaatsvindt. De scheidsrechter heeft meer bevoegdheden dan de keurend arts. Het zelf laten uitvoeren van specialistisch onderzoek zou het hele traject zeker hebben vertraagd. De route van de herkeuring is een stuk sneller. De keurend arts meent hiermee in het belang van klager te hebben gehandeld.

6 Overwegingen van de Commissie

Ten aanzien van de bevoegdheid van de Commissie:

6.1 De Commissie moet zich allereerst buigen over de vraag of de klacht valt onder het regime van de Wmk, hetgeen door verweerder wordt betwist.

6.2 Artikel 1, onder a, van de Wmk bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van: 1°. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt,” (…)

6.3 In casu is sprake van een keuring in verband met het wijzigen van een arbeidsverhouding. Klager zou worden gedetacheerd op een passagiersschip. Het ging hier om een andere functie voor klager dan waarin hij voorheen werkzaam was. De Commissie is derhalve bevoegd een oordeel te geven.

6.4 De klacht richt zich tegen de arbodienst omdat klager een oordeel heeft gevraagd over de vraag of hij afgekeurd had mogen worden voor de werkzaamheden aan boord van het passagiersschip en/of die keuring in overeenstemming is met de bepalingen van de Wmk.

Ten aanzien van de door verweerder gestelde niet-ontvankelijkheid van de klacht:

6.5 Verweerder heeft gesteld dat de klacht niet-ontvankelijk is omdat klager aan de Commissie heeft voorgelegd om de klacht voorlopig aan te houden in verband met een herkeuring.

6.6 Artikel 4.3 van de regeling werkzaamheden van de Commissie luidt – voor zover van belang:
“Voorts neemt de commissie de klacht niet (verder) in behandeling wanneer uit de gevraagde aanvullende informatie dan wel uit nader onderzoek blijkt dat: 

  • (…) 
  • (…)
  •  de klager een procedure elders is gestart over het onderwerp van de klacht hetgeen naar het oordeel van de commissie moet leiden tot het (voorlopig) afzien van verdere behandeling.”

6.7 De Commissie oordeelt dat de herkeuring los staat van de klacht die gaat over de keuring door verweerder. Klager is geen procedure elders gestart over hetzelfde onderwerp, namelijk de eerste keuring. Klager krijgt een herkeuring, maar daarmee blijft de klacht richting verweerder, te weten of de keuring is uitgevoerd in overeenstemming met de Wmk, overeind. De klacht is derhalve ontvankelijk.

Ten aanzien van de vraag of verweerder in strijd met de Wmk heeft gehandeld:

6.8 De Commissie dient vervolgens te bezien of door verweerder is gehandeld in strijd met de Wmk.

6.9 Alvorens in te gaan op de vraag of er sprake is van strijd met de voorschriften van de Wmk overweegt de Commissie dat, gelet op de doelstellingen van de Wmk en overige regelgeving, verweerder een eigen verantwoordelijkheid heeft in relatie tot de keurling. Verweerder dient zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de Wmk. Indien dit niet het geval is dient de keuringsarts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principe) . De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring, alsmede op het Protocol Aanstellingskeuringen.

6.10 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies, nu een dergelijk oordeel toekomt aan keurend artsen. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van de aanstellingskeuring voldoet aan de voorschriften van de Wmk en overige relevante regelgeving.

6.11 Een aanstellingskeuring mag ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wmk juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen, alleen plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld, waaronder wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid, terwijl de risico’s voor de gezondheid en veiligheid niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd. Alvorens over te gaan tot een keuring is het de verantwoordelijkheid van de keurend arts te verifiëren of aan deze voorwaarden is voldaan.

6.12 In de Regeling staan in bijlage I de keuringsaanwijzingen en keuringseisen genoemd. De keuringseisen zijn opgesteld met het oog op de veiligheid van de keurling en die van derden. De inleiding bij de keuringsaanwijzingen (zie 3.8) bepaalt dat de betrokkene die in aanmerking wil komen voor een geneeskundige verklaring vrij dient te zijn van enige afwijking, ziekte of verwonding die een veilige uitoefening van de werkzaamheden belemmert. Daarnaast mag de aanwezigheid van de betrokkene aan boord geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de overige opvarenden. In paragraaf 3, eerste lid onder b, staat vermeld dat alle vormen van epilepsie in de anamnese, al dan niet medicamenteus behandeld, reden zijn voor ongeschiktheid. Vervolgens worden een aantal uitzonderingen genoemd (zie onder 3.12).

6.13 Artikel 4, eerste lid, van de Wmk bepaalt dat onder medische geschiktheid voor de functie wordt begrepen de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid. De veiligheid van de keurling en van derden is derhalve een bijzondere functie-eis in de zin van de Wmk. In dit geval is het beschermen van de veiligheid voor de functie niet specifiek beschreven. Voor alle functies aan boord geldt dat de veiligheid van de keurling en derden moet zijn gewaarborgd. De keuringen op grond van de Regeling worden voor alle functies op dezelfde wijze uitgevoerd. De keuringseisen maken geen onderscheid naar de verschillende functies met bijbehorende taken.

6.14 Uit de overgelegde bescheiden aangevuld met de verklaringen ter zitting kan de Commissie niet anders concluderen dan dat in dit geval niet is voldaan aan genoemde voorschriften van de Wmk. Er is geen immers geen schriftelijk advies van de arbodienst voorhanden betreffende de koppeling tussen de functiebeschrijving, de bijzondere eisen van medische geschiktheid en de valide onderzoeksinstrumenten.

De Commissie verwijst hiervoor naar de Leidraad Aanstellingskeuringen (juni 2005). Ook het keuringsformulier dat de Commissie nagezonden heeft gekregen, is veel te algemeen en te uitgebreid. De vragen in het formulier zijn niet toegespitst op de betreffende functie.

6.15 De Commissie komt tot de conclusie dat de systematiek van de Regeling niet is afgestemd op de uitgangspunten van de Wmk. Dit laat onverlet dat verweerder zich dient te houden aan de Wmk, hetgeen betekent dat verweerder de plicht heeft zich ervan te vergewissen dat de bijzondere eisen van medische geschiktheid van een functie zijn beschreven volgens de daarvoor geldende bepalingen van de Wmk, teneinde de transparantie te bewerkstelligen die door de Wmk wordt beoogd. Gelet op de algemeenheid en uitgebreidheid van de onderhavige keuring die volgens de keuringsaanwijzingen van de Regeling wordt uitgevoerd, is de keuring naar het oordeel van de Commissie dan ook in strijd met de Wmk uitgevoerd. De algemene aanwijzingen in de Regeling botsen met de functie-specifieke voorschriften van de Wmk. De Commissie heeft begrip voor het feit dat verweerder in het kader van de Regeling geen beleidsruimte had om tot een andere uitvoering van de keuring en beslissing te komen.

6.16 Tevens acht klager zich niet voldoende geïnformeerd door verweerder. Klager was niet op de hoogte van het kader waarbinnen verweerder de keuring diende te verrichten. Klager was het voorafgaand aan de keuring niet duidelijk dat een aandoening die gepaard kan gaan met bewustzijn en/of evenwichtsstoornissen, waaronder alle vormen van epilepsie, het verrichten van functies aan boord van een schip in de weg staat. Klager wist niet dat verweerder hem op grond van de Regeling vanwege het risico op een epileptisch insult moest afkeuren. Dit is klager pas bij de herkeuring uitgelegd door de scheidsrechter.

6.17 Verweerder heeft een eigen taak zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de Wmk. Indien dit niet het geval is dient verweerder deze informatie zelf te verstrekken. Voorafgaand aan de keuring heeft klager wel het ‘Informatieblad binnenvaartkeuring’ ontvangen, maar daarin stond alleen wat de keuring inhield. Klager wist niet wat de bevoegdheden van verweerder waren en volgens welke richtlijnen hij gekeurd zou gaan worden. Klager is van te voren niet op de hoogte gesteld van de meest voorkomende ziekten waarop klager afgekeurd zou kunnen worden. Verweerder heeft tijdens de hoorzitting verklaard klager te hebben uitgelegd wat de arbeidsomstandigheden/functie-eisen aan boord zijn en dat is uitgelegd dat deze functieeisen niet te combineren zijn met het risico op een recidief insult. Ook heeft verweerder klager gewezen op de mogelijkheid van een herkeuring. Dit is klager echter pas tijdens en/of na de keuring uitgelegd en, zo is gebleken tijdens de hoorzitting, niet duidelijk genoeg richting klager. Verweerder heeft zich er niet van vergewist of klager vooraf voldoende geïnformeerd was over de keuring.

6.18 Gelet hierop heeft de keurend arts klager voorafgaand aan dan wel tijdens de keuring geen informatie gegeven in de zin van artikel 8, tweede lid, van de Wmk. De Commissie denkt hier aan informatie betreffende de meest algemeen bekend zijnde ziekten die op grond van de Regeling uit het oogpunt van veiligheidseisen niet verenigbaar worden geacht met een functie in de binnenvaart. De Commissie stelt derhalve vast dat de informatievoorziening richting klager niet voldoende is geweest. Verweerder heeft aldus in strijd gehandeld met de Wmk.

7. Oordeel van de Commissie

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid van de Wmk juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen en artikel 8, tweede lid van de Wmk.

Den Haag, 9 december 2009


  1. Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995, artikel 23.02
  2. Staatscourant 28 maart 2008, nr. 61 / p. 51