Oordeel 2010-03

Klaagster heeft de Commissie gevraagd een oordeel uit te spreken over de vraag of de uitslaggevend keuringsarts (hierna: verweerder), bij de aanstellingskeuring ten behoeve van een cluster 1 functie bij het bevoegd gezag heeft gehandeld in strijd met de Wet op de Medische Keuringen (WMK).
Klaagster is het niet eens met de eisen die aan de medische geschiktheid worden gesteld voor deze functie. Als onderdeel van de basiskeuring voor militair moeten sollicitanten een sporttest doen. Klaagster heeft deze niet gehaald en is daarom afgekeurd. Klaagster vindt het onterecht dat zij is afgewezen voor de functie op grond van de uitslag van een algemene medische keuring die voor iedere militair hetzelfde is en derhalve niet functiegericht. 
Ook heeft zij nooit een herkeuring gekregen en het is haar niet duidelijk aan welke eisen zij moest voldoen om de sporttest te kunnen halen.

De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies, nu een dergelijk oordeel toekomt aan keurend artsen. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van aanstellingskeuringen voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wetgeving.

De keuringsarts heeft een eigen taak onafhankelijk van het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring. Indien dit niet het geval is dient de keuringsarts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principe).
Volgens de Commissie houdt het principe van de informed consent meer in dan het verifiëren of de voorlichtingsbrochure is ontvangen. De keuringsarts moet zich ervan vergewissen dat kennis is genomen van de folder en nagaan of de keurling alles daaruit heeft begrepen. Verder dient de keuringsarts uitleg te geven over de keuring. De keuringsarts heeft hier derhalve een actieve rol. De Commissie is van oordeel dat verweerder deze actieve rol in casu niet heeft vervuld. Dit klachtonderdeel is derhalve gegrond.

Een aanstellingskeuring mag alleen worden verricht in die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat. Bij verweerder is er één standaardkeuring als basis voor elke militaire functie in alle krijgsmachtonderdelen. Per militair specialisme zijn aanvullende eisen vastgelegd, waarop moet worden gekeurd.
Voor een militaire functie kunnen geen specifieke functie-eisen worden vastgesteld vanwege de eis van algemene inzetbaarheid. Gelet op de noodzaak van algemene inzetbaarheid wordt de militaire ambtenaar niet aangesteld in een functie, maar als ‘militair’. In die hoedanigheid is hij gehouden om alle hem in het belang van de taakuitoefening van de krijgsmacht opgedragen werkzaamheden en diensten te verrichten. Daarbij kan de militair overal ter wereld onder allerlei omstandigheden worden ingezet, hetgeen zware fysieke en geestelijke eisen aan hem stelt. Voor een militaire keuring mag dus op basis van ruimere eisen worden gekeurd dan die voor de dagelijkse functie noodzakelijk zijn.
Klaagster zal dus moeten voldoen aan de eisen die gesteld worden volgens deze standaardkeuring. Als klaagster hier niet aan voldoet is zij ongeschikt voor elke militaire functie.

Tijdens de hoorzitting is duidelijk geworden dat verweerder het opnieuw doen van de sporttest zag als een herkeuring. In zijn ogen had klaagster derhalve al twee keer een herkeuring ondergaan. Een derde keer zat er volgens verweerder niet meer in.
Een herkansing kan naar het oordeel van de Commissie niet worden gelijkgesteld met een herkeuring. Omdat klaagster geen herkeuring heeft gekregen, mede doordat verweerder klaagster hier niet op heeft gewezen, acht de Commissie dit onderdeel van de klacht gegrond.  


Oordeel 2010-03

Commissie: mr. E. Cremers - Hartman, voorzitter, prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens en drs. E.P. Harderwijk, bedrijfsarts, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen in tegenwoordigheid van mr. J. Jonkman, secretaris.

1 De klacht

1.1 Op 9 september 2009 heeft klaagster de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie) gevraagd een oordeel uit te spreken over de vraag of de uitslaggevend keuringsarts (hierna: verweerder), bij de aanstellingskeuring ten behoeve van een cluster 1 functie bij het bevoegd gezag heeft gehandeld in strijd met de Wet op de Medische Keuringen (WMK). Haar klacht bestaat uit vier onderdelen:

  • Klaagster is het niet eens met de eisen aan de medische geschiktheid die gesteld worden voor deze functie. Zij vindt het onterecht dat zij is afgewezen voor de functie op grond van de uitslag van een algemene medische keuring die voor iedere militair hetzelfde is en derhalve niet functiegericht. 
  • Volgens klaagster zou de keuringsuitslag, gelet op Hoofdstuk 2, artikel 5 lid 2 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), niet in de weg mogen staan aan een aanstelling, omdat klaagster (op 9 september 2009) trainbaar is bevonden binnen drie maanden voor een voldoende voor een cluster 1-functie. 
  • Klaagster heeft verzocht om een herkeuring, maar heeft deze nooit gehad: zij heeft gevraagd om een onafhankelijke arts de uitslag van de sporttest te laten beoordelen, maar dit is nooit gebeurd. 
  • Klaagster vindt de informatievoorziening voorafgaand aan de keuring onvoldoende; klaagster was niet voldoende duidelijk aan welke eisen zij moest voldoen om de sporttest te kunnen halen.

2 De loop van de procedure

2.1 Op 10 september en op 7 oktober 2009 heeft de Commissie klaagster nadere vragen gesteld.

2.2 Op 2 oktober 2009 heeft klaagster per brief nogmaals haar klacht toegelicht aan de Commissie. Op 7 oktober 2009 heeft klaagster de Commissie aanvullende informatie toegestuurd.

2.3 Op 8 oktober 2009 heeft de Commissie de klacht doorgestuurd naar zowel het Hoofd sectie Aanstelling van het bevoegd gezag (hierna: X.) als naar verweerder. X. heeft de Commissie per brief d.d. 15 oktober 2009 doorverwezen naar de keuringsinstantie. Verweerder heeft middels een brief d.d. 22 oktober 2009 gereageerd.

2.4 Op 19 oktober 2009 heeft klaagster de Commissie gevraagd haar zaak op te schorten omdat op dat moment de interne behandeling van haar klacht bij het bevoegd gezag nog liep.

2.5 Op 29 januari 2010 heeft klaagster de Commissie per e-mail laten weten de klacht door te willen zetten, maar nog te wachten op antwoord van het bevoegd gezag op haar bezwaarschriften. Op 9 februari 2010 heeft klaagster bevestigd dat zij de klacht door wilde zetten.

2.6 Op 22 februari 2010 heeft de Commissie klaagster opnieuw enkele aanvullende vragen gesteld, alsmede gevraagd enkele ontbrekende brieven toe te sturen ter completering van het dossier. Klaagster heeft een aantal van de ontbrekende brieven op 10 en 11 maart 2010 aan de Commissie toegestuurd.

2.7 Op 11 maart heeft de Commissie verweerder verzocht de nog ontbrekende brieven aan de Commissie toe te zenden. Verweerder heeft per brief d.d. 18 maart 2010 gereageerd dat het aan klaagster was om de ontbrekende brieven toe te sturen en dat, indien zij dit niet zou doen, de Commissie de klacht niet in behandeling zou kunnen nemen op grond van haar regeling van werkzaamheden.

2.8 Verweerder verzoekt in een brief d.d. 1 april 2010 om een omschrijving van de klacht. Hier heeft de Commissie per brief d.d. 7 april 2010 op gereageerd. Verweerder heeft per brief d.d. 14 april 2010 gereageerd op deze brief. Hij stelt daarin dat het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de beslissing omtrent de aanstelling buiten beschouwing gelaten zou moeten worden omdat dit buiten zijn bevoegdheid valt. Hij voegt alsnog de ontbrekende brieven ten behoeve van het dossier bij.

2.9 Klaagster heeft de Commissie op 5 en 7 mei 2010 nog aanvullende stukken toegestuurd per e-mail, welke de Commissie op 21 mei 2010 heeft doorgezonden aan verweerder.

2.10 Partijen zijn verschenen op de hoorzitting op 4 juni 2010.

2.11 De Commissie heeft tegen het bevoegd gezag een apart oordeel uitgebracht (Oordeel 2010-02).

3. De feiten

3.1 Klaagster heeft in 2008 bij het bevoegd gezag gesolliciteerd voor de functie van soldaat Verbindingen (ICT). Klaagster is echter vervolgens ingedeeld als sollicitant voor de functie logistiek/chauffeur en voor deze functie heeft zij op 22 september 2008 een medische keuring ondergaan. Vervolgens is klaagster verwezen naar een cardioloog in het Centraal Militair Hospitaal. Nadat de informatie van de cardioloog binnen was bij het bevoegd gezag, is klaagster opgeroepen voor de VFB: Vaststelling Fysieke Belastbaarheid. Dit is een sporttest. Deze is op 3 november 2008 afgenomen. De uitslag hiervan was: ‘onvoldoende, niet trainbaar’. Dit hield in, niet trainbaar binnen zes maanden tot een voldoende uitslag. Hierop is klaagster ongeschikt verklaard voor twaalf maanden.

3.2 Op 23 maart 2009 heeft klaagster opnieuw de sporttest verricht. De uitslag hiervan was: ‘ongeschikt, trainbaar binnen zes maanden tot een voldoende voor een cluster 1 functie’.
Hoewel het beleid binnen het bevoegd gezag is dat de sporttest slechts één keer opnieuw gedaan mag worden, heeft klaagster op 9 september 2009 voor een derde keer de sporttest gedaan. De uitslag hiervan was: ‘ongeschikt, trainbaar binnen drie maanden tot een voldoende voor een cluster 1 functie’. Klaagster scoorde onvoldoende op het onderdeel uithoudingsvermogen (fietstest) en op een deel van de krachttest (het deel marsscore). Klaagster is uitgelegd dat de te behalen scores voor de sporttest samenhangen met het gewicht en lengte van de keurling.
Omdat klaagster voor de derde maal de sporttest niet had gehaald, is haar meegedeeld dat zij voor een jaar ongeschikt werd bevonden conform de uitspraak na de eerste maal dat klaagster de sporttest had afgelegd.

3.3 Klaagster is ook uitgelegd dat voor het volgen van de Algemene Militaire Opleiding (A.M.O.) en de Nationale Reserve (Natres) de militaire basiseisen gelden. Klaagster zou derhalve ook voor het kunnen volgen van de A.M.O. en de Natres een voldoende voor de sporttest moeten halen.

3.4 In overleg met verweerder heeft klaagster ervoor gekozen de uitslag te blokkeren. Dit houdt in dat de uitslag niet bekend wordt gemaakt en derhalve onder klaagster en verweerder blijft, tenzij klaagster hier later alsnog verandering in zou willen brengen. Verweerder heeft met klaagsters instemming de stempel ‘maakt gebruik van blokkeringsrecht’ op haar uitslagenbriefje gezet.
Doordat klaagster van haar blokkeringsrecht gebruik heeft gemaakt, is voor het bevoegd gezag de uitslag niet bekend geworden en is daardoor niet voldaan aan de gestelde eisen om in aanmerking te komen voor een aanstelling bij het bevoegd gezag. Als gevolg hiervan is de sollicitatieprocedure met klaagster beëindigd.

4. Standpunten klaagster

4.1 Volgens klaagster is zij niet goed geïnformeerd voorafgaand aan de keuring. Op de website van het bevoegd gezag staat informatie over de algemene keuring, maar er wordt niet precies aangegeven aan welke fysieke eisen kandidaten moeten voldoen voor de verschillende functies. Voor klaagster is het onduidelijk hoe zij kon worden afgekeurd voor de betreffende functie enkel op basis van de standaardkeuring. Ook begrijpt klaagster niet hoe de scores voor de sporttest berekend worden en is haar niet uitgelegd hoe zij kon trainen zodat zij de sporttest een tweede keer wel zou halen.

4.2 Verder meent klaagster dat zij ten onrechte ongeschikt is geacht voor de functie. Haar uithoudingsvermogen en kracht zouden onvoldoende zijn. Klaagster stelt dat uit de verschillende tests is gebleken dat haar kracht vooruit is gegaan en dat ze wel binnen drie maanden trainbaar is. Zij stelt voorts dat verweerder ten onrechte rekening heeft gehouden met haar lengte, aangezien zij 1.51 meter is en de minimumlengte op de website voor vrouwen die willen solliciteren 1.50 meter is. Ook meent klaagster dat verweerder haar niet heeft willen aannemen vanwege haar leeftijd (32 jaar).

4.3 Klaagster stelt tevens dat zij op grond van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), hoofdstuk 2, artikel 5 lid 2 aangesteld zou moeten worden. Klaagster is namelijk trainbaar bevonden binnen drie maanden voor een voldoende voor een cluster 1-functie. In het tweede lid staat dat wanneer aan de aanstelling een proeftijd is verbonden, in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de in het eerste lid onder a, b en d gestelde voorwaarden, indien in redelijkheid mag worden verwacht dat vóór het einde van de proeftijd wel aan de voorwaarden is voldaan. Klaagster is van mening dat zij voor het einde van de proeftijd aan de gestelde voorwaarden kan voldoen.

4.4 Ten slotte wenst klaagster van de Commissie te vernemen of zij recht heeft op een ‘second opinion’. Klaagster was het niet eens met de uitslag van de sporttest en heeft verzocht een onafhankelijke arts naar de uitslag te laten kijken. Klaagster had haar twijfels over de betrouwbaarheid van de computer die de uitslagen van de sporttest berekent en wilde hier uitsluitsel over. Haar verzoeken zijn niet gehonoreerd.

5. Standpunten verweerder

5.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat klaagster informatie heeft gekregen over de eisen voor de door haar gewenste functie in de banenwinkel. Klaagster heeft voorafgaand aan de keuring de voorlichtingsbrochure ontvangen. In klaagsters dossier staat dat klaagster deze heeft gezien en dat zij naar aanleiding hiervan geen vragen had. In het dossier stond bij ‘informed consent’ ‘ja’ aangekruist.
Voor de functie waar klaagster op heeft gesolliciteerd gelden de militaire basiseisen. Hier is klaagster dan ook op beoordeeld.

5.2 Ten aanzien van de klacht dat klaagster gediscrimineerd zou zijn vanwege haar lengte en gewicht stelt verweerder dat deze factoren meetellen bij de sporttest, een test die door deskundige bewegingswetenschappers is gevalideerd. De weerstand tijdens de fietstest is afhankelijk van het gewicht. Voor het meten van het gewicht worden zowel de spier- als de vetmassa meegewogen. De lengte van de keurling speelt mee bij de krachttest. Verder heeft verweerder tijdens de hoorzitting aangegeven dat lengte ook een rol kan spelen bij bepaalde omstandigheden ‘in het veld’. Bijvoorbeeld de hoeveelheid bepakking die een militair met zich mee kan dragen.

5.3 Ten aanzien van artikel 5 van het AMAR wijst verweerder erop dat dit klachtonderdeel gericht is tegen de aanstelling van klaagster bij het bevoegd gezag en dat verweerder hier als (uitslaggevend) keuringsarts geen beslissingsbevoegdheid toekomt.

5.4 Met betrekking tot de ‘second opinion’ merkt verweerder op dat deze term slechts wordt gebruikt wanneer twijfel bestaat over een medische keuring. Daarvan was in het onderhavige geval geen sprake. Klaagster bedoelde een herkeuring. Deze heeft zij reeds ondergaan op 23 maart en op 9 september 2009.

5.5 Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de computer merkt verweerder op dat de computer jaarlijks wordt geijkt. Bovendien zijn bij de sporttest van klaagster drie verschillende personen betrokken geweest: iemand die de test heeft afgenomen, iemand anders die de gegevens invoert in de computer en vervolgens de bedrijfsarts die de uitslag controleert. De kans dat er dan nog fouten in zitten is bijna ondenkbaar.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager, het bevoegd gezag, en de (her)keurend artsen. De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van het bevoegd gezag (oordeel 2010-02).

6.2 De voorliggende klacht betreft de vraag of verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid, van de WMK door klaagster af te keuren op grond van een algemene medische keuring die geldt voor alle militairen, terwijl klaagster solliciteert op een specifieke functie waarvoor bijzondere functie-eisen gelden. Vraag aan de Commissie is ook of klaagsters afkeuring in strijd is met artikel 5 van het AMAR.
Tevens dient de Commissie zich uit te spreken over de vraag of door verweerder is gehandeld in strijd met artikel 8, tweede lid van de WMK door klaagster vooraf niet goed te informeren over de inhoud en het doel van de medische keuring en de rechten van de keurling ten aanzien van deze keuring. Ten slotte verzoekt klaagster om een oordeel ten aanzien van het niet honoreren van haar verzoek om een second opinion.

6.3 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies, nu een dergelijk oordeel toekomt aan keurend artsen. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van aanstellingskeuringen voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wetgeving. Om deze reden kan de Commissie zich niet uitlaten over de vraag of het niet aanstellen van klaagster in strijd is met artikel 5 van het AMAR.
De Commissie is ten aanzien van dit onderdeel van de klacht derhalve niet bevoegd.

6.4 De Commissie overweegt voorts dat artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een
keuring wordt verstaan vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
(…)
2e een aanstelling in openbare dienst
(…)

6.5 Klaagster solliciteerde in eerste instantie op de functie Soldaat Verbindingen (ICT) maar werd ingedeeld voor de functie van soldaat logistiek/chauffeur. De functie gaat gepaard met een aanstelling in openbare dienst en voor de aanstelling is een keuring verplicht gesteld op grond van de algemene functie-eisen voor militair. Dit betreft een aanstellingskeuring in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de WMK. Onderdeel van de aanstellingskeuring is de sporttest; deze vormt het sluitstuk van de medische keuring.

6.6 Indien geen voldoende voor de sporttest wordt gehaald, volgt afkeuring voor de betreffende functie. Dit was bij klaagster het geval. Klaagster heeft nadien nog twee keer de sporttest over gedaan, maar ook deze uitslagen waren negatief, zij het dat de uitslag van de laatste sporttest luidde: ‘ongeschikt, trainbaar binnen drie maanden tot een voldoende voor een cluster 1 functie’.

6.7 Klaagster is van mening dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de inhoud en het doel van de keuring en haar rechten daarbij. Klaagster begrijpt niet waarom zij is afgekeurd, waar deze afkeuring op is gebaseerd. Hierdoor wist zij niet hoe zij kon trainen om wel aan de gestelde eisen te kunnen voldoen.

6.8 De keuringsarts heeft een eigen taak onafhankelijk van het bevoegd gezag zich ervan te vergewissen dat de keurling vóórafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de WMK. Indien dit niet het geval is dient de keuringsarts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principe). De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring.

6.9 Verweerder heeft aangegeven dat klaagster in de banenwinkel is ingelicht over de functie en de voorlichtingsbrochure ‘Selectie en Keuring’ heeft ontvangen. In het dossier staat dat klaagster heeft getekend voor de ‘informed consent’: bij het bevoegd gezag houdt dit in dat zij de brochure heeft ontvangen en naar aanleiding daarvan geen vragen had.

6.10 Verweerder heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat hij niet is nagegaan of klaagster op de hoogte was van de specifieke medische eisen voor de sporttest zoals spiermassa en vetmassa. Het is de fysiotherapeut die tijdens de sporttest uitleg geeft over de verschillende onderdelen.

6.11 Volgens de Commissie houdt het principe van de informed consent meer in dan het verifiëren of de voorlichtingsbrochure is ontvangen. De keuringsarts moet zich ervan vergewissen dat kennis is genomen van de folder en nagaan of de keurling alles daaruit heeft begrepen. Verder dient de keuringsarts uitleg te geven over de keuring. De keuringsarts heeft hier derhalve een actieve rol. De Commissie is van oordeel dat verweerder deze actieve rol in casu niet heeft vervuld.
Verweerder heeft derhalve in strijd gehandeld met artikel 8, tweede lid, van de WMK en dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.

6.12 Artikel 4, eerste lid, van de WMK bepaalt, in samenhang met artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen dat een aanstellingskeuring alleen mag plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.

6.13 Onder bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid wordt verstaan:
- de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; en
- de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, die niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.
De risico’s die met de functie samenhangen moeten dus in eerste instantie zoveel mogelijk door de werkgever worden voorkomen door het treffen van preventieve maatregelen.

6.14 Een aanstellingskeuring mag derhalve alleen worden verricht in die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat.

6.15 Binnen het bevoegd gezag is er één standaardkeuring als basis voor elke militaire functie in alle krijgsmachtonderdelen. Per militair specialisme zijn aanvullende eisen vastgelegd, waarop moet worden gekeurd. Voor een militaire functie kunnen geen specifieke functie-eisen worden vastgesteld vanwege de eis van algemene inzetbaarheid. Gelet op de noodzaak van algemene inzetbaarheid wordt de militaire ambtenaar niet aangesteld in een functie, maar als ‘militair’. In die hoedanigheid is hij gehouden om alle hem in het belang van de taakuitoefening van de krijgsmacht opgedragen werkzaamheden en diensten te verrichten. Daarbij kan de militair overal ter wereld onder allerlei omstandigheden worden ingezet, hetgeen zware fysieke en geestelijke eisen aan hem stelt. Voor een militaire keuring mag dus op basis van ruimere eisen worden gekeurd dan die voor de dagelijkse functie noodzakelijk zijn (Kamerstukken II 1997/1998, 25 648, voorstel van wet tot wijziging van de WMK in verband met het van toepassing verklaren van de WMK op aanstellingen in openbare dienst, Memorie van Toelichting nr. 3, p. 1-2).

6.16 Klaagster zal dus moeten voldoen aan de eisen die gesteld worden volgens deze standaardkeuring. Als klaagster niet aan deze eisen voldoet is zij ongeschikt voor elke militaire functie.
Het onderdeel van de klacht dat zich richt tegen het bestaan van een algemene keuring voor alle militaire functies is derhalve ongegrond.

6.17 Klaagster heeft verweerder verzocht om een second opinion naar aanleiding van de uitslag van de sporttest op 9 september 2009. In haar brief d.d. 12 september 2009 aan verweerder verzoekt zij om opheldering over de uitslag van de sporttest die op 9 september 2009 had plaatsgevonden. In haar brief d.d. 18 september 2009 gebruikt klaagster de term ‘second opinion’. Verweerder begreep dat klaagster met deze term eigenlijk een ‘herkeuring’ bedoelde, getuige de brief van verweerder d.d. 22 oktober 2009. Klaagster wilde dat een onafhankelijke arts naar de uitslag van de sporttest zou kijken. Dit is wel gebeurd naar aanleiding van de sporttest op 3 november 2008, maar niet na de sporttesten op 23 maart en 9 september 2009. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat verweerder deze sporttesten zag als herkeuringen. Dit waren echter herkansingen: de sporttesten mochten twee maal opnieuw worden gedaan, maar er werd niet gekeken naar de (totstandkoming van) de eerdere keuringsuitslag.

6.18 Op grond van artikel 12, eerste lid, van de WMK heeft de keurling recht op een herkeuring indien hij zijn wens daartoe met redenen omkleed kenbaar maakt binnen een week nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is medegedeeld. De keurling moet op de mogelijkheid van een herkeuring worden gewezen.
Klaagster heeft de sporttest voor de derde keer gedaan op 9 september 2009. Zij heeft toen meteen de uitslag gekregen. Verweerder heeft klaagster vervolgens niet gewezen op de mogelijkheid van een herkeuring. Wel heeft hij haar, toen klaagster aangaf het niet eens te zijn met de uitslag, uitgenodigd om te praten over de uitslag van de sporttest. Dit gesprek zou dan echter met verweerder hebben plaatsgevonden en niet met een onafhankelijke arts.

6.19 Tijdens de hoorzitting is duidelijk geworden dat verweerder het opnieuw doen van de sporttest zag als een herkeuring. In zijn ogen had klaagster derhalve al twee keer een herkeuring ondergaan. Een derde keer zat er volgens verweerder niet meer in. Er waren reeds drie verschillende artsen betrokken geweest bij de sporttesten van klaagster.

6.20 Een herkansing kan naar het oordeel van de Commissie niet worden gelijkgesteld met een herkeuring. De herkansing was in het onderhavige geval bedoeld om te beoordelen of de fysieke toestand van klaagster inmiddels zodanig was verbeterd ten opzichte van de situatie tijdens de eerdere keuring dat zij alsnog kon worden toegelaten tot een militaire functie. Een herkeuring heeft daarentegen ten doel om te beoordelen of de eerdere keuring terecht tot de gegeven uitslag heeft geleid. Omdat klaagster ten aanzien van de keuringen op 23 maart en 9 september 2009 geen herkeuring heeft gekregen, mede doordat verweerder klaagster hier in strijd met artikel 8, tweede lid, van de WMK niet op heeft gewezen, acht de Commissie artikel 12, eerste lid van de WMK overtreden.

Dit onderdeel van de klacht is derhalve gegrond.

7. Oordeel van de Commissie

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel:

  • Ten aanzien van het onderdeel van de klacht dat zich richtte tegen het niet aanstellen van klaagster op grond van artikel 5 van het AMAR verklaart de Commissie zich onbevoegd. 
  • Ten aanzien van het onderdeel van de klacht dat zich richtte tegen de informatievoorziening voorafgaand aan de keuring acht de Commissie artikel 8, tweede lid van de WMK geschonden en dit onderdeel derhalve gegrond. 
  • Ten aanzien van het onderdeel van de klacht dat zich richtte tegen het bestaan van een algemene keuring voor alle militaire functies stelt de Commissie vast dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met artikel 4, eerste lid, van de WMK juncto artikel 3, eerste lid, van het Besluit aanstellingskeuringen en acht dit klachtonderdeel derhalve ongegrond. 
  • Ten aanzien van het klachtonderdeel dat zich richtte tegen de afwijzing van het verzoek om een herkeuring verklaart de Commissie dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de WMK en acht dit onderdeel van de klacht derhalve gegrond.

Den Haag, 14 juli 2010


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen.