Oordeel 2011-05

Klaagster solliciteert naar de functie van Cabin Attendant bij een luchtvaartmaatschappij. De keurend arts acht haar wegens diabetes ongeschikt, waarna de luchtvaartmaatschappij besluit om klaagster niet meer aan de opleiding te laten deelnemen. Klaagster wendt zich tot de Commissie en stelt dat diabetes niet in de weg hoeft te staan aan de vervulling van de functie. Verder vermoedt zij dat er overleg is geweest tussen de keurend arts en de luchtvaartmaatschappij (hierna: verweerder) over de reden van de ongeschiktheid. Voorts vindt klaagster dat er sprake is van discriminatie, omdat zij vanwege haar chronische ziekte niet is toegelaten tot de opleiding.

De Commissie heeft tegen de keurend arts een afzonderlijk oordeel uitgebracht (oordeel 2011-06).

Naast de regels van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen kan bij de aanstellingskeuring andere specifieke wetgeving van toepassing zijn. In casu zijn dat de ICAO medische klasse 2-eisen voor cabinepersoneel (onderdeel van JAR-FCL). Verweerder beroept zich erop dat de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat (IVW) adviseert om bij de keuring van cabinepersoneel de ICAO medische klasse 2-eisen als referentiekader te nemen.

De Commissie heeft in het kader van haar aanbeveling 2010-02 reeds eerder kennis genomen van de bovengenoemde medische eisen en is bekend dat deze eisen wel dwingend zijn voorgeschreven voor piloten, maar niet voor cabinepersoneel en dus niet zonder meer geschikt zijn voor cabinepersoneel. De Wmk en het Besluit zijn derhalve onverkort van kracht.

Gebleken is dat er geen bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk zijn vastgelegd, noch dat hierover en over de rechtmatigheid van de keuring advies is gevraagd aan een deskundig persoon of een arbodienst. Verweerder heeft aangevoerd een relatief kleine organisatie met weinig speelruimte te zijn, waardoor er naar eigen zeggen niet goed kan worden afgeweken van de internationale regelgeving. De Commissie vindt dit juist een reden om de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk vast te leggen en zich daarover te laten adviseren.

De Commissie constateert verder dat verweerder het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke zullen worden verricht, niet schriftelijk heeft vastgelegd. Klaagster heeft niet tijdig het advies van de medische keuringsinstantie ontvangen en klaagster is niet geïnformeerd over de mogelijkheid tot een herkeuring of tot het indienen van een klacht bij de CKA. Voorts heeft klaagster onterecht geen herkeuring gehad. Verweerder had het nemen van de beslissing tot aanstelling moeten uitstellen tot de uitslag van de herkeuring. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat er tussen de medische keuringsinstantie en verweerder contact is geweest over de uitslag van de keuring. Tot slot acht de Commissie zich niet bevoegd om zich over de eventuele discriminatie door verweerder uit te laten.


Oordeel 2011-05

Commissie: prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens, voorzitter, mr. M.A.C. Vijn, en drs. W.M. van de Fliert, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, in tegenwoordigheid van mr. H.M. de Quant, plaatsvervangend secretaris.

1 De klacht

1.1 Op 31 maart 2011 heeft klaagster een klacht ingediend bij de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie). Klaagster is door de keurend arts van de medische keuringsinstantie (hierna: keurend arts), gekeurd voor de functie van Cabin Attendant bij een luchtvaartmaatschappij (hierna: verweerder).
De keurend arts heeft klaagster ongeschikt geacht voor de functie. Klaagster is het niet eens met de keuringsuitslag: zij had niet ongeschikt verklaard hoeven te worden. Verder heeft klaagster het vermoeden dat de keurend arts en verweerder overleg hebben gehad over de reden van de ongeschiktheidsverklaring. Klaagster is van mening dat het aan de keurend arts is om haar ongeschikt te verklaren en niet aan verweerder, als aspirant werkgever. Voorts vindt klaagster dat er door verweerder gediscrimineerd wordt.

2 De loop van de procedure

2.1 Op 6 april 2011 heeft de Commissie schriftelijk nadere vragen gesteld.

2.2 Hierop heeft klaagster op 8 april 2011 gereageerd.

2.3 De Commissie heeft de klacht op 11 april 2011 doorgestuurd naar verweerder met het verzoek om een reactie.

2.4 Verweerder heeft op 20 april 2011 een reactie aan de Commissie gestuurd.

2.5 De Commissie heeft partijen bij brief van 4 mei 2011 voor de hoorzitting van 8 juni 2011 uitgenodigd. Partijen zijn ter zitting verschenen, waarbij verweerder zich heeft laten bijstaan door een advocaat.

2.6 De Commissie heeft een afzonderlijk oordeel tegen de keurend arts uitgebracht (oordeel 2011-06).

3. De feiten

3.1 Klaagster heeft al 20 jaar lang diabetes en draagt een insulinepomp die haar continue van insuline voorziet. Zij heeft bij brief van 9 februari 2011 gesolliciteerd bij verweerder, voor de functie van Cabin Attendant.

3.2 Tijdens de procedure vernam klaagster dat een medische keuring onderdeel is van de sollicitatieprocedure. Na de selectieprocedure met succes te hebben doorstaan, werd klaagster gebeld door verweerder met het verzoek om een afspraak bij de medische keuringsinstantie in te plannen. Desgevraagd wist verweerder niet aan te geven waarop klaagster gekeurd zou worden. Klaagster heeft toen meegedeeld dat ze een chronische aandoening heeft. Daarop gaf verweerder aan dat klaagster hierover contact kon opnemen met de medische keuringsinstantie.

3.3 Klaagster heeft voorafgaand aan de keuring een medische vragenlijst moeten invullen welke haar door verweerder is toegestuurd.

3.4 De keuring voor de functie van Cabin Attendant heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. De keurend arts gaf tijdens de keuring aan dat hij klaagster het beroep van Cabin Attendant wel zag uitoefenen, maar dat hij dit nog nader diende te bespreken. Vermeld werd dat het aan verweerder is om klaagster wel of niet in dienst te nemen.

3.5 Daags na de keuring heeft klaagster contact opgenomen met verweerder, de situatie uitgelegd en aangegeven hoe zij van plan was om de toekomstige functie te combineren met haar chronische ziekte. Ze voegde er nog aan toe bereid te zijn om een nadere toelichting te komen geven. Verweerder heeft gezegd dat er op korte termijn contact met haar zou worden opgenomen.

3.6 Verweerder heeft klaagster op 29 maart 2011 ‘s ochtends telefonisch medegedeeld, dat de keurend arts had afgeraden haar in dienst te nemen. Verweerder deelde ook mee dat daarom besloten was om klaagster niet meer te laten deelnemen aan de drie dagen later van start gaande opleidingscursus.

3.7 Klaagster had inmiddels haar baan opgezegd.

3.8 De keurend arts heeft op 29 maart 2011 ’s middags telefonisch contact opgenomen met klaagster inzake de uitslag van de keuring.

3.9 Klaagster heeft nadien de ongeschiktheidsverklaring per e-mail van verweerder toegestuurd gekregen. Verweerder heeft de verklaring gebruikt als reden voor de ontbinding van de opleidingsovereenkomst met klaagster.

3.10 Door verweerder is aan het begin van de selectieprocedure per brief van 21 februari 2011 informatie verstrekt over de selectieprocedure, de opleiding en de hoofdlijnen van de arbeidsvoorwaarden, alsmede over het gegeven dat een medische keuring deel uitmaakt van de selectieprocedure.

4. Standpunten klaagster

4.1 Klaagster vindt dat zij niet ongeschikt had mogen worden verklaard vanwege haar chronische ziekte. Diabetes staat niet in de weg aan de vervulling van de functie van Cabin Attendant.

4.2 De keurend arts heeft klaagster mondeling aangegeven dat zij geschikt werd geacht om deze functie uit te voeren. Volgens klaagster is het dan niet aan verweerder om te beslissen of klaagster in dienst kan treden, dit is voorbehouden aan de keurend arts.

4.3 Klaagster voelt zich gediscrimineerd, omdat zij alleen op basis van haar chronische ziekte de functie Cabin Attendant niet kan vervullen en niet meer werd toegelaten tot de opleiding. Niet bewezen is dat haar ziekte gevaarlijk is voor de vliegveiligheid.

4.4 Klaagster is niet door verweerder geïnformeerd over de wijze waarop de keuring plaatsvindt, noch heeft zij informatie ontvangen over de mogelijkheid tot herkeuring dan wel over de mogelijkheid om bij de CKA een klacht in te dienen. Klaagster heeft die informatie zelf via internet opgezocht.

4.5 Op 17 maart 2011, de dag waarop de keuring heeft plaatsgevonden, ontving klaagster ook de opleidingsovereenkomst, die al door de Voorzitter van de Raad van Bestuur en de directeur was ondertekend. Volgens klaagster was de overeenkomst daarmee bindend.

5. Standpunten verweerder

5.1 Tijdens de keuring is naar voren gekomen dat klaagster een chronische ziekte heeft. In overleg met de medische keuringsdienst heeft verweerder besloten dat klaagster niet kan deelnemen aan de ‘Initial’ (de opleidingscursus) van werkgever.

5.2 Om deze reden is klaagster door de medische keuringsdienst dan ook niet geschikt geacht voor de functie van Cabin Attendant, waarbij verwezen wordt naar de ongeschiktheidsverklaring d.d. 29 juni 2010. Achteraf is gebleken dat de datum op de ongeschiktheidsverklaring 29 maart 2011 moet zijn.

5.3 Dit heeft er toe geleid dat verweerder de opleidingsovereenkomst met klaagster nietig heeft verklaard.

5.4 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ter plekke schriftelijke aantekeningen met bijlagen overhandigd en toegelicht. Namens verweerder is daarin betoogd dat er niet in strijd met de WMK, noch met het Besluit aanstellingskeuringen is gehandeld. Dit standpunt is als volgt onderbouwd:

  • De inhoudelijke eisen bij aanstellingskeuringen van vliegend personeel zijn vervat in internationale regelgeving. Luchtvaartmaatschappen hebben een vergunning nodig om vluchten te mogen uitvoeren, de ‘Air Operator Certificate’ (AOC), waartoe aan een groot aantal eisen dient te zijn voldaan. Deze eisen zijn opgenomen in bijlage III bij de EG-Verordening 3922/91. Een onderdeel daarvan betreft het cabinepersoneel. Volgens de artikelen OPS 1.988 en 1.995 dient het cabinepersoneel regelmatig medisch onderzoek, dat is voorgeschreven door de autoriteit, te ondergaan, om na te gaan of hij/zij medisch geschikt is voor zijn/haar taken. Omdat deze regels in een Verordening zijn opgenomen, hebben zij rechtstreekse werking en is verweerder dus gehouden om het cabinepersoneel (regelmatig) te laten controleren. De medisch inhoudelijke normen die daarbij een rol spelen zijn niet dwingend voorgeschreven, maar de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat (IVW, dit is de Nederlandse Luchtvaartautoriteit), heeft wel de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen bij brief van 5 juni 2008 geadviseerd om bij de keuring van cabinepersoneel de medische eisen behorend bij de zogenaamde ‘ICAO medische klasse 2’ als referentiekader te nemen. Dit zijn internationale eisen die worden gesteld aan de medische geschiktheid van cockpitpersoneel en die terug te vinden zijn in de zogenaamde Joint Aviation Authorities Flight Crew Licensing (JAR-FCL). Namens verweerder wordt daarbij gewezen op een recente e-mail waarin IVW de aanbeveling om deze normen bij de keuring van cabinepersoneel als uitgangspunt te nemen, heeft bevestigd. 
  • Verweerder is naar aanleiding van de aanbeveling van de IVW met de medische keuringsinstantie overeengekomen dat de medische keuringen worden uitgevoerd volgens de eisen van de JAR-FCL. In deze eisen is expliciet opgenomen dat insuline-afhankelijke diabetespatiënten als ongeschikt moeten worden beoordeeld bij een medische keuring. De eis dat insuline-afhankelijke diabetespatiënten als ongeschikt worden beoordeeld, is weliswaar niet dwingend voorgeschreven voor cabinepersoneel, maar gelet op de aanbeveling van de IVW om die norm ook op cabinepersoneel in combinatie met lange afstandsvluchten toe te passen, kan verweerder, die met name lange afstandsvluchten verzorgt, zich niet permitteren om daarvan af te wijken. 
  • Verwezen werd naar Aanbeveling 2010-02 van de Commissie, waar het eveneens ging om een zaak waarbij een aantal Cabin Attendants medisch ongeschikt werden bevonden wegens diabetes op basis van de ICAO medische klasse 2-voorschriften. De Commissie oordeelde toen dat Diabetes Mellitus type 1 niet een absolute contra-indicatie zou hoeven vormen voor cabinepersoneel en er op individueel niveau gekeken moeten worden naar ieders beperkingen. In de afweging tussen de internationale regelgeving en de aanbeveling van IVW enerzijds en de eerdere aanbeveling van de Commissie anderzijds, kan van verweerder niet verwacht worden de internationale regels en de aanbeveling van de IVW geheel ter zijde te schuiven. De IVW heeft ook in de aanbeveling van de Commissie geen reden gezien om haar eigen aanbeveling aan luchtvaartmaatschappijen te wijzigen. Verweerder is vergeleken met andere luchtvaartmaatschappijen een relatief kleine organisatie en heeft weinig speelruimte bij de inzet van het personeel. Omdat verweerder met name lange afstandsvluchten uitvoert, waarbij de omstandigheden een groter risico vormen en dus mede bepalen hoe de individuele situatie moet worden beoordeeld, dienen de ICAO medische klasse 2-eisen als uitgangspunt te worden genomen. 
  • Verweerder kan zich voorstellen dat een keurend arts in zeer uitzonderlijke gevallen van de ICAO medische klasse 2-eisen kan afwijken, als de flight-safety-taken op geen enkele wijze in gevaar zouden kunnen komen. Van een dergelijke uitzondering is in dit geval echter niet gebleken. 
  • Verder wordt aangevoerd dat verweerder de medische keuring heeft laten uitvoeren met in achtneming van de WMK. Klaagster is namelijk van te voren op de hoogte gesteld van het feit dat zij medisch gekeurd zou worden en zij heeft een uitgebreide vragenlijst toegestuurd gekregen. Voorts is ter sprake gekomen dat diabetes een probleem zou kunnen vormen. Klaagster is derhalve op de zaken vooruit gelopen, door haar baan op te zeggen voordat zij duidelijkheid had over de uitkomst van de medische keuring.

5.5 De Commissie heeft naar aanleiding van het bovenstaande ter zitting opgemerkt dat uit de brief van de IVW d.d. 5 juni 2008 blijkt, dat het t.a.v. Cabin Attendants geen dwingende voorschriften voor luchtvaartmaatschappijen betreffen. Namens verweerder is dit ter zitting erkend. De Commissie heeft gevraagd of verweerder bijzondere eisen voor het cabinepersoneel op het punt van medische geschiktheid heeft opgesteld. Dit bleek niet het geval te zijn.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend artsen. De Commissie geeft daarom afzonderlijk een oordeel over het handelen van de keurend arts (oordeel 2011-06). Het onderhavige oordeel betreft de aspirant werkgever.

6.2 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies, nu een dergelijk oordeel toekomt aan keurend artsen. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van aanstellingskeuringen voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wetgeving.

6.3 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan: vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
“1°. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt,…”

6.4 Klaagster is via een open sollicitatie bij verweerder het werving- en selectietraject ingestroomd. Klaagster heeft deelgenomen aan de werving- en selectiedag, waarna ze is uitgenodigd voor een medische keuring. De gangbare procedure bij verweerder is dat na afgifte van de geschiktheidsverklaring de kandidaat wordt toegelaten tot de opleiding voor cabinepersoneel. Wordt de opleiding met goed gevolg afgesloten, dan krijgt de kandidaat in de regel een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden. Verweerder heeft dit laatste ook bevestigd.

6.5 De Commissie dient te beoordelen of hier sprake is van een aanstellingskeuring. Tijdens de medische keuring werden vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de keurling en werd medisch onderzoek verricht. De keuring was beslissend voor de toelating tot de opleiding. Succesvolle afronding van de opleiding leidt normaal gesproken automatisch tot het aangaan van een dienstverband. Een en ander betekent dat sprake is van een aanstellingskeuring als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de WMK. Verweerder moet dan ook voldoen aan de verplichtingen die de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen aan (aspirant) werkgevers opleggen.

6.6 Op een aanstellingskeuring in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de WMK kunnen naast de regels van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen andere regels van toepassing zijn indien deze op specifieke wetgeving zijn gebaseerd. Op cabinepersoneel is ook internationale regelgeving van toepassing, vervat in de EG-Verordening 3922/91, waarvan in onderdeel O in artikel OPS 1.995 is bepaald dat het cabinepersoneel regelmatig medisch onderzoek of een medische controle, als voorgeschreven door de autoriteit, ondergaat, om na te gaan of hij/zij medisch geschikt is voor zijn/haar taken. In dit kader is de brief van de IVW d.d. 5 juni 2008 van belang, waarin de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen het volgende wordt geadviseerd: “Is na een “(her)keuring” nader medisch onderzoek van het cabinepersoneel noodzakelijk, dan kunnen de medische eisen behorende bij ICAO medische klasse 2 worden gehanteerd als referentiekader”.

6.7 In het kader van de totstandkoming van Aanbeveling 2010-02 heeft de Commissie de IVW bij brief van 22 januari 2010 onder meer gevraagd of de betreffende regelgeving en medische eisen dwingend zijn voorgeschreven. Bij brief van 4 maart 2010 heeft de IVW hierop gereageerd dat de luchtvaartmaatschappijen, gelet op de EG-verordening, ten minste een assessment (vragenlijst) door het cabinepersoneel moeten laten invullen en dat als uitgangspunt hierbij de eisen van de ICAO klasse 2 kunnen worden gehanteerd. Het is de verantwoordelijkheid van de vliegtuigmaatschappij om het cabinepersoneel veilig te laten vliegen. Verder heeft de IVW te kennen gegeven dat de ICAO klasse 2-eisen bestemd zijn voor piloten en niet dwingend zijn voorgeschreven voor het overige cabinepersoneel.

6.8 Omdat de ICAO klasse 2-eisen niet dwingend zijn voorgeschreven voor cabinepersoneel heeft de Commissie in genoemde aanbeveling geconcludeerd, dat de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen onverkort van kracht zijn. Dit geldt ook in het onderhavige geval.

6.9 Artikel 4, eerste lid van de WMK luidt:
“Keuringen in verband met het aangaan en wijzigen van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding (…) worden slechts verricht indien aan de vervulling van de functie (…) bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld.”
Verder is in artikel 3, tweede lid van het Besluit Aanstellingskeuringen geregeld:
“De keuringvrager legt de eisen, bedoeld in het eerste lid (van artikel 3) schriftelijk vast. Alvorens hij deze eisen alsmede het doel van de keuring, de vragen, welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vastlegt, vraagt hij daarvoor en over de rechtmatigheid van de keuring schriftelijk advies aan een deskundige persoon of een arbodienst.”


6.10 Zowel uit de stukken als tijdens de zitting is gebleken dat door verweerder geen bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk zijn vastgelegd, noch dat hierover en over de rechtmatigheid van een medische keuring advies is gevraagd aan een deskundig persoon of een arbodienst. Door verweerder is ter zitting wel verwezen naar de medische eisen van de ICAO klasse 2, maar gelet op het hiervoor eerder overwogene, zijn dit geen eisen met een dwingend karakter en zijn deze, nu zij geschreven zijn voor piloten, niet zonder meer geschikt om gebruikt te worden voor het overig cabinepersoneel. Verweerder heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het bedrijf gelet op andere grotere vliegtuigmaatschappijen een relatief kleine organisatie is. Daardoor is er weinig speelruimte tot afwijking van de internationale regelgeving en eisen. De Commissie heeft hier begrip voor, maar meent dat dit juist een reden voor verweerder zou moeten zijn om bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk vast te leggen en daarover schriftelijk advies te vragen aan een deskundig persoon of een arbodienst. In dat kader kan tevens aandacht worden besteed aan de bijzondere omstandigheid dat het bedrijf van de aspirant werkgever een relatief kleine organisatie is.

Gelet op het vorenstaande oordeelt de Commissie dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 4, eerste lid van de WMK en met artikel 3, tweede lid van het Besluit Aanstellingskeuringen wegens het niet opstellen van, noch het advies hebben gevraagd over, de bijzondere eisen van op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant.

6.11 Uit hetgeen hierboven onder de punten 6.9 en 6.10 is vermeld, is ook af te leiden dat verweerder zich niet aan artikel 8, eerste lid van de WMK heeft gehouden. In dat artikellid is het volgende bepaald: “De keuringvrager legt met inachtneming van de artikelen 2,3,4,5,6, en 7 het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vast.”
Verweerder heeft echter noch het doel van de keuring, noch de vragen die worden gesteld, noch de medische onderzoeken die kunnen worden verricht, schriftelijk vastgelegd.

Verweerder heeft dan ook tevens in strijd met artikel 8, eerste lid van de WMK gehandeld.

6.12 Klaagster is onvoldoende geïnformeerd over de inhoud en het doel van de keuring en haar rechten daarbij. Zij heeft van verweerder geen uitleg gekregen over de aard en inhoud van de keuring. Zij kreeg alleen te horen dat zij een afspraak kon maken met de medische keuringsinstantie. Toen klaagster verweerder belde en liet weten dat zij een chronische aandoening had, antwoordde verweerder dat klaagster hierover met de medische keuringsinstantie contact kon opnemen. Verweerder gaf tijdens de zitting te kennen klaagster een informatiebrief over de selectieprocedure te hebben toegestuurd.

6.13 Verweerder heeft op grond van artikel 8, tweede lid, van de WMK de verplichting om sollicitanten vooraf goed te informeren over de medische keuring. Hieronder verstaat de Commissie informatie verschaffen over het doel van de keuring en over de vragen en de onderzoeken die daarbij aan bod komen. Verder is in artikel 5 van het Besluit Aanstellingskeuringen geregeld, dat verweerder klaagster tijdig voor de aanvang van de medische keuring desgevraagd het advies van de medische keuringsinstantie ter beschikking stelt en dat de verweerder klaagster informeert over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de CKA.

In de brief met informatie over de selectieprocedure staat dat klaagster een medische keuring dient te ondergaan. De Commissie is van oordeel dat deze brief aan klaagster geen informatie geeft over het doel van de keuring en over de vragen en de onderzoeken die daarbij aan bod komen, hetgeen wel vereist is bij een aanstellingskeuring in de zin van de WMK. Tevens wordt in de brief niet ingegaan op de mogelijkheid tot een herkeuring, dan wel tot indiening van een klacht bij de CKA. Dit laatste is ook niet op andere wijze aan klaagster meegedeeld. De Commissie is daarom van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 8, tweede lid, WMK en met artikel 5 van het Besluit Aanstellingskeuringen.

6.14 Ondanks het verzoek van klaagster heeft geen herkeuring plaatsgevonden. Klaagster heeft als keurling volgens artikel 12, eerste lid van de WMK recht op een herkeuring. De keuringvrager, verweerder in dit geval, dient volgens de laatste zin van dit artikellid een regeling te treffen voor een herkeuring door een onafhankelijk geneeskundige. Niet is gebleken dat verweerder een dergelijke regeling heeft getroffen. Hierdoor heeft verweerder zich niet gehouden aan artikel 12, eerste lid, laatste zin van de WMK.

6.15 Verder dient volgens artikel 12, tweede lid, van de WMK de keuringvrager zijn te nemen beslissing tot aanstelling uit te stellen totdat de uitslag van de herkeuring hem is meegedeeld. Aangezien er in het geheel geen herkeuring heeft plaatsgevonden, terwijl klaagster hier wel om verzocht heeft, oordeelt de Commissie dat verweerder tevens gehandeld heeft in strijd met artikel 12, tweede lid van de WMK.

6.16 Een volgend onderdeel van de klacht betreft de gewekte schijn dat verweerder en de medische keuringsinstantie met elkaar de reden van de ongeschiktheid voor de functie besproken hebben. De Commissie heeft echter niet kunnen vaststellen, dat daarover daadwerkelijk overleg heeft plaatsgevonden. Een vaststaand feit is wel dat klaagster op 29 maart 2011 ‘s morgens door verweerder gebeld is over de uitslag van de keuring terwijl zij deze definitieve uitslag eerst in de middag van 29 maart 2011 van de keurend arts vernam.
De verplichting tot geheimhouding en het niet meer meedelen dan voor het doel van de keuring strikt noodzakelijk is, is neergelegd in artikel 10, tweede en derde lid van de WMK, welke bepalingen gericht zijn op de keurend arts en de geneeskundig adviseur. Aangezien deze bepalingen zich niet direct tot de keuringvrager richten, zal de Commissie zich in het kader van dit oordeel hierover niet uitlaten.

6.17 Een laatste onderdeel van de klacht betreft de eventuele discriminatie van klaagster door verweerder. De Commissie is echter niet bevoegd zich over de vraag of sprake is van discriminatie uit te laten.

7. Oordeel van de Commissie

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel:

  • Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid WMK, juncto artikel 3 tweede lid Besluit Aanstellingskeuringen, artikel 8, eerste en tweede lid WMK juncto artikel 5 Besluit Aanstellingskeuringen en artikel 12 eerste en tweede lid, WMK.
  • In het onderdeel van de klacht dat zich richt op de vermeende discriminatie door verweerder acht de Commissie zich niet bevoegd.


Den Haag, 25 juli 2011


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen.