Oordeel 2011-06

Klaagster solliciteert naar de functie van Cabin Attendant bij een luchtvaartmaatschappij. De keurend arts (hierna: verweerder) acht haar wegens diabetes ongeschikt, waarna de luchtvaartmaatschappij (hierna: aspirant werkgever) besluit om klaagster niet meer aan de opleiding te laten deelnemen. Klaagster wendt zich tot de Commissie en stelt dat diabetes niet in de weg hoeft te staan aan de vervulling van de functie. Verder vermoedt zij dat er overleg is geweest tussen verweerder en de aspirant werkgever over de reden van de ongeschiktheid. Voorts vindt klaagster dat er sprake is van discriminatie, omdat zij vanwege haar chronische ziekte niet is toegelaten tot de opleiding.

De Commissie heeft tegen de aspirant werkgever een afzonderlijk oordeel uitgebracht (oordeel 2011-05).

Naast de regels van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen kan bij de aanstellingskeuring andere specifieke wetgeving van toepassing zijn. Verweerder beroept zich erop dat de keuring een combinatie is van een aanstellingskeuring en een veiligheidskeuring, waarbij op grond van internationale regelgeving, vervat in de EG-Verordening 3922/91, en een brief d.d. 5 juni 2008 van de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat, geldt dat voor de functie van Cabin Attendant de ICAO medische klasse 2-eisen moeten worden gehanteerd. Vanuit dat kader wordt een persoon met insuline-afhankelijke diabetes ongeschikt geacht voor het uitoefenen van functies als vlieger en cabinepersoneel. De medische keuringsinstantie hanteert deze medische eisen conform afspraak met de aspirant werkgever.

De Commissie heeft in het kader van haar aanbeveling 2010-02 reeds eerder kennis genomen van de bovengenoemde medische eisen en is bekend dat deze eisen wel dwingend zijn voorgeschreven voor piloten, maar niet voor cabinepersoneel en dus niet zonder meer geschikt zijn voor cabinepersoneel. De Wmk en het Besluit zijn derhalve onverkort van kracht.

Gebleken is dat er geen bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk zijn vastgelegd. Als keurend arts had verweerder de plicht zich ervan te vergewissen dat de bijzondere eisen van medische geschiktheid van een functie zijn beschreven volgens de daarvoor geldende bepalingen van de WMK en de keuring te beperken tot een beoordeling van de geschiktheid van de keurling voor de functie gelet op die bijzondere eisen.

De Commissie constateert verder dat de keurend arts ten aanzien van de informatievoorziening aan de keurling een eigen verantwoordelijkheid heeft. De keurend arts dient zich ervan te vergewissen dat de keurling voorafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over het doel en de inhoud van die keuring. Indien dit niet het geval is, dient de keurend arts deze informatie zelf te verstrekken.

Met betrekking tot het verstrekken van informatie door een keurend arts dan wel een geneeskundig adviseur aan de aspirant werkgever overweegt de Commissie dat uit de WMK voortvloeit dat een keurend arts ten aanzien van de keuringsuitslag niet meer mag meedelen aan de keuringvrager dan geschikt, ongeschikt of geschikt onder voorwaarden en pas nadat de keurling hiervoor toestemming heeft gegeven. De hoofdregel is dat de arts geen informatie aan derden mag verstrekken. In enkele situaties is het mogelijk dat de arts zijn beroepsgeheim doorbreekt. Eén daarvan doet zich voor wanneer de arts gerichte toestemming heeft gekregen van de keurling. In het onderhavige geval was geen toestemming gegeven.

Ten aanzien van het vermeende contact tussen verweerder en de medische keuringsinstantie over de keuringsuitslag, merkt de Commissie op dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat dit daadwerkelijk is gebeurd. Wel is gebleken dat de ongeschiktheidsverklaring, zonder dat klaagster hier toestemming voor had verleend, aan de aspirant werkgever is verstrekt.  


Oordeel 2011-06

Commissie: prof. mr. W.H.A.C.M. Bouwens, voorzitter, mr. M.A.C. Vijn en drs. W.M. van de Fliert, leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, in tegenwoordigheid van mr. H.M. de Quant, plaatsvervangend secretaris.

1 De klacht

1.1 Op 31 maart 2011 heeft klaagster een klacht ingediend bij de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie). Klaagster is door de keurend arts van de medische keuringsinstantie (hierna: verweerder), gekeurd voor de functie van Cabin Attendant bij een luchtvaartmaatschappij (hierna: aspirant werkgever).
Verweerder heeft klaagster ongeschikt geacht voor de functie omdat zij diabetes heeft. Klaagster is het niet eens met de keuringsuitslag: zij had niet ongeschikt verklaard hoeven te worden. Verder heeft klaagster het vermoeden dat verweerder en de aspirant werkgever overleg hebben gehad over de reden van de ongeschiktheidsverklaring. Klaagster stelt dat het aan verweerder is om haar ongeschikt te verklaren en niet aan de aspirant werkgever.

2 De loop van de procedure

2.1 Op 6 april 2011 heeft de Commissie schriftelijk nadere vragen gesteld.

2.2 Hierop heeft klaagster op 8 april 2011 gereageerd.

2.3 De Commissie heeft de klacht op 11 april 2011 doorgestuurd naar verweerder met het verzoek om een reactie.

2.4 Op 27 mei 2011 heeft de medische keuringsinstantie mede namens verweerder gereageerd.

2.5 De Commissie heeft partijen bij brief van 4 mei 2011 voor de hoorzitting van 8 juni 2011 uitgenodigd. Partijen zijn ter zitting verschenen, waarbij de aspirant werkgever zich door een advocaat heeft laten bijstaan.

2.6 De Commissie heeft een afzonderlijk oordeel tegen de aspirant werkgever uitgebracht (oordeel 2011-05).

3. De feiten

3.1 Klaagster heeft al 20 jaar lang diabetes en draagt een insulinepomp die haar continue van insuline voorziet. Zij heeft bij brief van 9 februari 2011 gesolliciteerd bij de aspirant werkgever voor de functie van Cabin Attendant.

3.2 Tijdens de procedure vernam klaagster dat een medische keuring onderdeel was van de sollicitatieprocedure. Na de selectieprocedure met succes te hebben doorstaan, werd klaagster door de aspirant werkgever gebeld met het verzoek om een afspraak bij de medische keuringsinstantie in te plannen. De aspirant werkgever wist desgevraagd niet aan te geven waarop klaagster gekeurd zou worden en verwees haar voor inhoudelijke informatie naar de medische keuringsinstantie.

3.3 Klaagster heeft de medische keuringsinstantie vervolgens gevraagd waarop zij gekeurd zou worden. In het daaropvolgende telefoongesprek werd klaagster geadviseerd een doktersverklaring te overleggen. Omdat de arts van klaagster door vakantie afwezig was, heeft haar diabetesverpleegkundige een positieve verklaring voor klaagster opgesteld.

3.4 Klaagster heeft voorafgaand aan de keuring een medische vragenlijst moeten invullen.

3.5 De keuring voor de functie van Cabin Attendant heeft plaatsgevonden op 17 maart 2011. De keuring werd uitgevoerd door verweerder. Verweerder heeft tijdens de keuring laten weten dat hij klaagster het beroep van Cabin Attendant wel zag uitoefenen, maar dat hij dit nog nader diende te bespreken. De overige punten waarop klaagster getest werd leverden voor de betreffende functie geen beperkingen op.

3.6 Verweerder heeft op 29 maart 2011 ’s middags telefonisch met klaagster contact opgenomen en vermeld dat de kwestie met de aspirant werkgever was besproken. Verweerder deelde klaagster mee dat hij haar vanwege de diabetes ongeschikt achtte voor de functie. Verder deelde hij mee, dat de aspirant werkgever alléén te horen zou krijgen dat klaagster ongeschikt was verklaard. Op verzoek van klaagster zou haar een kopie van de ongeschiktheidsverklaring worden toegezonden.

3.7 Klaagster heeft de ongeschiktheidsverklaring vervolgens niet van verweerder, maar van de aspirant werkgever ontvangen. Desgevraagd heeft klaagster ter zitting verklaard dat verweerder haar van te voren niet om toestemming heeft gevraagd om de ongeschiktheidsverklaring aan de aspirant werkgever toe te sturen.

3.8 Nadat klaagster geïnformeerd was over de ongeschiktheidsverklaring heeft zij telefonisch contact opgenomen met de medische keuringsinstantie. Deze gaf bij monde van het Hoofd Medische Zaken aan het verzoek van klaagster om een herkeuring niet te willen honoreren. Als reden werd aangegeven dat een herkeuring in dit geval geen toegevoegde waarde zou hebben vanwege het feit dat er sprake is van diabetes en dit een absolute contra-indicatie voor de functie van Cabin Attendant vormt.

3.9 In de stukken van de zijde van klaagster en in het keuringsrapport is de naam van de keurend arts vermeld. De medische keuringsinstantie heeft laten weten dat dit onjuist is; de keurend arts was iemand anders. Eveneens is de datum van ondertekening van het keuringsrapport onjuist weergegeven. Ter zitting heeft de medische keuringsinstantie in het kader hiervan meegedeeld, dat de onjuiste ondertekening en incorrecte datering van het rapport het gevolg was van de interne werkwijze en verwerking van documenten. Aangekondigd is dat deze werkwijze gewijzigd zal worden.

3.10 Het keuringsrapport is ondertekend door het Hoofd Medische Zaken, in casu ook geneeskundig adviseur in de zin van de WMK. Deze persoon heeft als vaste contactpersoon van de aspirant werkgever contact gehad over de zaak van klaagster. Verweerder heeft als keurend arts geen contact gehad met de aspirant werkgever. Desgevraagd heeft klaagster bevestigd dat het inderdaad verweerder is die haar gekeurd heeft en dus niet het Hoofd Medische Zaken, zoals zij eerder aan de Commissie had laten weten. Dit misverstand is ontstaan door de onjuiste tenaamstelling op het ongeschiktheidsformulier.

4. Standpunten klaagster

4.1 Klaagster vindt dat zij niet ongeschikt had mogen worden verklaard. Haar ziekte staat niet in de weg aan het goed functioneren als Cabin Attendant.

4.2 Volgens klaagster is het bovendien dan niet aan de aspirant werkgever om te beslissen of zij in dienst kan treden, maar is dit oordeel voorbehouden aan verweerder, die als arts ook aan de belangen van chronisch zieken zou moeten denken. Klaagster meent uit de gang van zaken rondom de keuring af te kunnen leiden dat het oordeel van verweerder in overleg met de aspirant werkgever tot stand is gekomen, hetgeen niet in overeenstemming is met de WMK.

4.3 Verder voelt klaagster zich gediscrimineerd, omdat zij alleen op basis van de diabetes de opleiding niet kan volgen.

4.4 Klaagster is door verweerder niet geïnformeerd over de wijze waarop de keuring plaats zou vinden, noch heeft zij informatie ontvangen over de mogelijkheid tot herkeuring dan wel over de mogelijkheid om bij de CKA een klacht in te dienen. Klaagster heeft die informatie zelf via internet opgezocht.

5. Standpunten verweerder

In de schriftelijke reactie van de medische keuringsinstantie is het volgende aangevoerd:

5.1 Uit het antwoord van klaagster op vraag 8 van het CKA-klachtenformulier, eerste alinea, blijkt dat klaagster zelf aan de aspirant werkgever heeft doorgegeven dat ze aan diabetes lijdt.

5.2 In hetzelfde antwoord op vraag 8 van het CKA-klachtenformulier, tweede alinea, vermeldt klaagster dat verweerder aan de aspirant werkgever zou moeten melden dat zij aan diabetes lijdt. Dat is echter onjuist. Verweerder heeft dat niet meegedeeld, aangezien dit een schending van het medisch beroepsgeheim zou hebben opgeleverd.

5.3 Onjuist is dat verweerder de aspirant werkgever zou hebben afgeraden om klaagster in verband met de diabetes in dienst te nemen. Wel heeft verweerder contact gehad met klaagster en haar gezegd dat hij haar voor de functie van Cabin Attendant ongeschikt achtte. Dat is ook de uitslag van het keuringsrapport geweest.

5.4 Het verwijt van klaagster dat verweerder klaagster ten onrechte ongeschikt heeft geacht voor de functie van Cabin Attendant is niet terecht. De keuring is een combinatie van een aanstellingskeuring en een veiligheidskeuring, waarbij op grond van internationale regelgeving, vervat in de EG-Verordening 3922/91, en een brief d.d. 5 juni 2008 van de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat (IVW, dit is de Nederlandse Luchtvaartautoriteit), geldt dat voor de functie van Cabin Attendant de eisen van de ICAO medische klasse 2 moeten worden gehanteerd. Vanuit dat kader dient een persoon met insuline-afhankelijke diabetes ongeschikt te worden geacht voor het uitoefenen van functies als vlieger en boordpersoneel.

Ter zitting is door verweerder verder aangevoerd:

5.5 Verweerder heeft klaagster tijdens de medische keuring uitleg gegeven over het feit dat de keuring plaatsvindt overeenkomstig de medische eisen van de ICAO klasse 2. De medische keuringsinstantie hanteert deze medische eisen conform afspraak met de aspirant werkgever. Verweerder achtte het niet uitgesloten dat klaagster onder bepaalde omstandigheden het werk als Cabin Attendant zou aankunnen en heeft haar daarom meegedeeld een en ander nader te willen bespreken. Hij heeft dit echter slechts intern met het Hoofd Medische Zaken van de medische keuringsinstantie gedaan. Verweerder heeft daarbij de vraag gesteld of het keuringsbeleid en het veiligheidsniveau niet aangepast diende te worden. Deze vraag werd uiteindelijk negatief beantwoord, waarna klaagster ongeschikt werd verklaard voor genoemde functie.

5.6 Klaagster kan naar eigen zeggen wel goed met de diabetes omgaan, maar de vraag is of zij dat ook in allerlei noodsituaties kan. Dit vormt een risico voor de aspirant werkgever. Vergeleken met andere luchtvaartmaatschappijen is het bedrijf een relatief kleine vliegtuigmaatschappij. Dit betekent dat er minder speelruimte bestaat, indien zich een dergelijk risico voordoet. Als voorbeeld geeft verweerder dat er bij een grote luchtvaartmaatschappij circa acht werknemers aan boord zijn, om bijvoorbeeld de deuren te bedienen. Bij een kleinere maatschappij, zoals hier het geval is, is er minder personeel aan boord, waardoor eventuele noodsituaties minder goed dan wel niet kunnen worden opgevangen. Verweerder heeft bevestigd dat deze afwegingen, alsmede de vertaalslag van de internationale regelgeving naar de WMK en de analyse naar de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid niet schriftelijk zijn vastgelegd.

5.7 Desgevraagd wordt door de medische keuringsinstantie toegelicht dat de aanvraag tot de keuring van klaagster bij de keuringsinstantie als vliegmedische keuring was aangemeld en niet als aanstellingskeuring. Om die reden is er waarschijnlijk niet naar de bepalingen van de WMK gekeken.

5.8 Verder is namens de medische keuringsinstantie ingegaan op de onjuiste ondertekening en de incorrecte datering van de ongeschiktheidsverklaring. Verweerder geeft op voorhand aan dat het onjuist is om het formulier door een andere persoon te laten ondertekenen, terwijl hij als keurend arts de keuring heeft uitgevoerd.

6 Overwegingen van de Commissie

6.1 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de WMK en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend artsen. De Commissie geeft daarom een afzonderlijk oordeel over het handelen van de aspirant werkgever (oordeel 2011-5).

6.2 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van individuen voor functies, nu een dergelijk oordeel toekomt aan keurend artsen. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van aanstellingskeuringen voldoet aan de voorschriften van de WMK en overige relevante wetgeving.

6.3 Artikel 1, onderdeel a, van de WMK bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan: “vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1°. een burgerrechtelijke arbeidsverhouding die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt,…”

6.4 Klaagster is via een open sollicitatie bij de aspirant werkgever het werving- en selectietraject ingestroomd. Klaagster heeft deelgenomen aan de werving- en selectiedag, waarna ze is uitgenodigd voor een medische keuring. De gangbare procedure bij de aspirant werkgever is dat na afgifte van de geschiktheidsverklaring de kandidaat wordt toegelaten tot de opleiding voor cabinepersoneel. Wordt de opleiding met goed gevolg afgesloten, dan krijgt de kandidaat in de regel een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden.

6.5 De Commissie dient te beoordelen of hier sprake is van een aanstellingskeuring.
Tijdens de uitgevoerde keuring werden vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de keurling en medisch onderzoek verricht. De keuring was beslissend voor de toelating tot de opleiding. Succesvolle afronding van de opleiding leidt normaal gesproken automatisch tot het aangaan van een dienstverband. Een en ander betekent dat sprake is van een aanstellingskeuring als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de WMK. De aspirant werkgever alsook verweerder moeten dan ook voldoen aan de verplichtingen die de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen aan (aspirant) werkgevers, keurend artsen en arbodiensten opleggen.

6.6 Op een aanstellingskeuring in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de WMK kunnen naast de regels van de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen andere regels van toepassing zijn indien deze op specifieke wetgeving zijn gebaseerd. Op cabinepersoneel is ook internationale regelgeving van toepassing, vervat in de EG-Verordening 3922/91, waarvan in onderdeel O in artikel OPS 1.995 is bepaald dat het cabinepersoneel regelmatig medisch onderzoek of een medische controle, als voorgeschreven door de autoriteit, ondergaat, om na te gaan of hij/zij medisch geschikt is voor zijn/haar taken. In dit kader is de brief van de IVW d.d. 5 juni 2008 van belang, waarin de Nederlandse luchtvaartmaatschappijen het volgende wordt geadviseerd: “Is na een “(her)keuring” nader medisch onderzoek van het cabinepersoneel noodzakelijk, dan kunnen de medische eisen behorende bij ICAO medische klasse 2 worden gehanteerd als referentiekader”.

6.7 In het kader van de totstandkoming van Aanbeveling 2010-02 heeft de Commissie de IVW bij brief van 22 januari 2010 onder meer gevraagd of de betreffende regelgeving en medische eisen dwingend zijn voorgeschreven. Bij brief van 4 maart 2010 heeft de IVW hierop gereageerd dat de luchtvaartmaatschappijen, gelet op de EG-verordening, ten minste een assessment (vragenlijst) door het cabinepersoneel moeten laten invullen en dat als uitgangspunt hierbij de eisen van de ICAO klasse 2 kunnen worden gehanteerd. Het is de verantwoordelijkheid van de vliegtuigmaatschappij om het cabinepersoneel veilig te laten vliegen. Verder heeft de IVW te kennen gegeven dat de ICAO klasse 2-eisen bestemd zijn voor piloten en niet dwingend zijn voorgeschreven voor het overige cabinepersoneel.

6.8 Omdat de ICAO klasse 2-eisen niet dwingend zijn voorgeschreven voor cabinepersoneel heeft de Commissie in genoemde aanbeveling geconcludeerd, dat de WMK en het Besluit Aanstellingskeuringen onverkort van kracht zijn. Dit geldt ook in het onderhavige geval.

6.9 Artikel 4, eerste lid van de WMK luidt:
“Keuringen in verband met het aangaan en wijzigen van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding (…) worden slechts verricht indien aan de vervulling van de functie (…) bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld.”
Verder is in artikel 3, tweede lid van het Besluit Aanstellingskeuringen het volgende geregeld:
“De keuringvrager legt de eisen, bedoeld in het eerste lid (van artikel 3) schriftelijk vast. Alvorens hij deze eisen alsmede het doel van de keuring, de vragen, welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vastlegt, vraagt hij daarvoor en over de rechtmatigheid van de keuring schriftelijk advies aan een deskundige persoon of een arbodienst.”

6.10 Zowel uit de stukken als tijdens de zitting is gebleken dat door de aspirant werkgever geen bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk zijn vastgelegd, noch dat hierover en over de rechtmatigheid van een medische keuring advies is gevraagd aan een deskundig persoon dan wel een arbodienst. Namens de aspirant werkgever én door verweerder is verwezen naar de medische eisen van de ICAO klasse 2, maar gelet op het hiervoor overwogene, hebben deze eisen geen dwingend karakter en zijn deze, nu zij geschreven zijn voor piloten, niet zonder meer geschikt om gebruikt te worden voor het overig cabinepersoneel. Het lag daarom op de weg van de aspirant werkgever de bijzondere eisen voor de functie van Cabin Attendant schriftelijk vast te leggen en daarover schriftelijk advies te vragen aan een deskundig persoon of een arbodienst. In dat kader zou tevens aandacht kunnen worden besteed aan de bijzondere omstandigheid dat het bedrijf van de aspirant werkgever een relatief kleine organisatie betreft.
Als keurend arts had verweerder de plicht zich ervan te vergewissen dat de bijzondere eisen van medische geschiktheid van een functie zijn beschreven volgens de daarvoor geldende bepalingen van de WMK en de keuring te beperken tot een beoordeling van de geschiktheid van de keurling voor de functie gelet op die bijzondere eisen. De Commissie oordeelt daarom dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid van de WMK.

6.11 Klaagster heeft vóór de keuring geen inlichtingen gekregen over de inhoud en het doel van de keuring en haar rechten daarbij. Op grond van artikel 8, tweede lid, van de WMK dient een keurling vooraf goed te worden geïnformeerd over de medische keuring. Hieronder verstaat de Commissie informatie verschaffen over het doel van de keuring en over de vragen en de onderzoeken die daarbij aan bod komen.

6.12 Verweerder heeft een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling. Verweerder dient zich ervan te vergewissen dat de keurling voorafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over het doel en de inhoud van die keuring conform het vereiste in artikel 8, tweede lid, van de WMK. Indien dit niet het geval is, dient de keurend arts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principle). De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW), Titel 7, afdeling 5, welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring, alsmede op het Protocol Aanstellingskeuringen. De Commissie is daarom van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 8, tweede lid, WMK.

6.13 Ten aanzien van het verstrekken van informatie door een keurend arts dan wel een geneeskundig adviseur aan de aspirant werkgever overweegt de Commissie dat uit de wetsgeschiedenis van de WMK blijkt dat de bepaling dat een keurend arts niet meer mag meedelen aan de keuringvrager dan voor het doel van de keuring strikt noodzakelijk is, inhoudt dat de keuringsuitslag geschikt, ongeschikt of geschikt onder voorwaarden mag worden meegedeeld, maar pas nadat de keurling hiervoor toestemming heeft gegeven. Het doorbreken van deze geheimhoudingsplicht is in strijd met de WMK.
Het beroepsgeheim is eveneens vastgelegd in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) en in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG). De bepalingen van de WGBO - de artikelen 7:446-7:468 Burgerlijk Wetboek (BW) - zijn op grond van artikel 7:464 BW van overeenkomstige toepassing op de aanstellingskeuring. Ook de Wet BIG is van betekenis voor de aanstellingskeuring. Opzettelijke schending van het beroepsgeheim is in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld. Het beroepsgeheim weegt derhalve zeer zwaar. De hoofdregel is dat de arts geen informatie aan derden mag verstrekken. In enkele situaties is het mogelijk dat de arts zijn beroepsgeheim doorbreekt. Eén daarvan doet zich voor wanneer de arts gerichte toestemming heeft gekregen van de keurling. Deze toestemming kan de keurling alleen geven als hij door de arts vóóraf is ingelicht over het doel, de inhoud en de mogelijke consequenties van gegevensverstrekking. Dit is in het onderhavige geval echter niet gebeurd.
In dit geval is niet vast komen te staan dat verweerder, dan wel de medische keuringsinstantie met de aspirant werkgever de reden van de ongeschiktheid van klaagster hebben besproken. Wel is gebleken dat de ongeschiktheidsverklaring, zonder dat klaagster hier toestemming voor had verleend, aan de aspirant werkgever is verstrekt. Hierdoor is volgens de Commissie door verweerder niet gehandeld conform artikel 10, tweede en derde lid van de WMK.

7. Oordeel van de Commissie

Op grond van vorenstaande overwegingen komt de Commissie tot het volgende oordeel:

  • Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4, eerste lid, artikel 8, tweede lid, en artikel 10, tweede en derde lid, van de WMK.

Den Haag, 25 juli 2011


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van de aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 597, en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen.