Oordeel 2013-04 klager / aspirant werkgever

Samenvatting
Klager heeft bij aspirant werkgever gesolliciteerd naar de functie van Hoofdconducteur (hierna: HC). In opdracht van aspirant werkgever is klager gekeurd. De keurend arts heeft klager ongeschikt geacht voor de functie van HC. Redenen voor de afkeuring zijn met name een te groot veiligheidsrisico door de medische voorgeschiedenis van klager en zijn zeer lage belastbaarheid. Klager kan zich niet in deze keuringsuitslag vinden. 

Op verzoek van klager is een ‘second opinion’ gegeven door een herkeurend arts, werkzaam bij een andere arbodienst. De herkeurend arts adviseert om de beslissing met betrekking tot de ongeschiktheid voor de functie van HC te heroverwegen. 

De keurend arts heeft zijn besluit tot afkeuring niet herzien. Klager is niet in dienst genomen door aspirant werkgever. 

Klager klaagt over het navolgende:

  1. de aspirant werkgever en de keurend arts hanteren ten onrechte te zware keuringseisen voor de functie van HC, omdat deze functie geen spoorveiligheidsfunctie is in de zin van het Besluit spoorwegpersoneel; 
  2. de keuring is niet goed uitgevoerd; 
  3. de argumentatie voor het ongeschikt verklaren van klager is niet juist. 

De Commissie heeft twee afzonderlijke oordelen uitgebracht. Hierna wordt eerst het oordeel in de zaak tegen de aspirant werkgever weergegeven en daarna het oordeel in de zaak tegen de keurend arts (arbodienst).

Aspirant werkgever
De Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) heeft de klacht tegen de aspirant werkgever gegrond verklaard. 

Aspirant werkgever is door klager rechtstreeks op de hoogte gesteld van de herkeuring en de door de herkeurend arts gedane aanbeveling. De CKA is van mening dat de heroverweging die heeft plaatsgevonden na de herkeuring, door aspirant werkgever onvoldoende is gemotiveerd. Het had op de weg van aspirant werkgever gelegen om haar beslissing om klager niet in dienst te nemen conform het advies van de herkeurend arts te heroverwegen. 

Sinds 3 december 2003, het moment waarop de functie van HC geen wettelijke veiligheidsfunctie meer is, is een lange periode verstreken. De aspirant werkgever is vanaf najaar 2012 bezig met de ontwikkeling van nieuw beleid met betrekking tot de functie van HC. Dat beleid is nog in ontwikkeling en moet aan de ondernemingsraad worden voorgelegd, voordat het kan worden vastgesteld. 
In de Wet medische keuringen (Wmk) en het Besluit aanstellingskeuringen is bepaald dat de aspirant werkgever het doel van de keuring, de vragen die worden gesteld en de medische onderzoeken, die mogen worden verricht schriftelijk vastlegt. Verder moet de aspirant werkgever voordat hij de bijzondere eisen op het gebied van medische geschiktheid en het doel, de vragen en onderzoeken vastlegt, schriftelijk advies daarover en over de rechtmatigheid van de keuring vragen aan de bedrijfsarts.
De CKA meent dat aspirant werkgever daaraan niet heeft voldaan. 

De CKA heeft vastgesteld dat aspirant werkgever klager vóór aanvang van de keuring noch daarna voldoende en op begrijpelijke wijze schriftelijk en/of mondeling heeft geïnformeerd over doel van de keuring, vragen en onderzoeken. Datzelfde geldt met betrekking tot klager’s rechten bij de keuring.

Klager heeft zelf een herkeuring (‘second opinion’) aangevraagd en bekostigd. De kosten van de herkeuring hadden naar de mening van de CKA moeten worden gedragen door aspirant werkgever.

De aspirant werkgever heeft in het kader van de uitvoering van de aanstellingskeuring van klager dan ook niet voldaan aan de eisen van de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.
De aspirant werkgever heeft gehandeld in strijd met artikel 8, lid 1 van de Wmk en artikel 3, lid 2 Besluit aanstellingskeuringen, respectievelijk met artikel 8, lid 2 van de Wmk en artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen.
Voorts heeft de aspirant werkgever gehandeld in strijd met artikel 12, lid 3 van de Wmk. 

Ten overvloede beveelt de Commissie aspirant werkgever aan om:

a. zo spoedig mogelijk voor de functie HC de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht schriftelijk vast te leggen;
b. aan klager alsnog de kosten van de herkeuring te vergoeden. 

Keurend arts
De CKA heeft ook de klacht tegen de keurend arts (de Arbodienst) gegrond verklaard. 

Het verbaast de CKA dat aspirant werkgever niet eerder dan in 2012 advies heeft gevraagd met betrekking tot de vraag of een aanstellingskeuring voor de functie van HC nog steeds rechtmatig en gerechtvaardigd was en zo ja, welke bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid e.d. passend waren.
De keurend arts heeft op grond van het Besluit aanstellingskeuringen echter een eigen verantwoordelijkheid. Het was de keurend arts ten tijde van de keuring bekend dat de functie HC op grond van het besluit Spoorwegpersoneel 2011 geen wettelijke veiligheidsfunctie meer was. Ook kon het de keurend arts bekend zijn dat met betrekking tot de functie HC nog geen actuele bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid waren vastgesteld. 

De CKA vindt het gelet op het niet mis te verstane advies van de herkeurend arts onbegrijpelijk dat de keurend arts zijn besluit om de eerdere ongeschiktheidsverklaring te handhaven niet uitvoeriger heeft gemotiveerd. De herkeurend arts heeft immers nadrukkelijk op het gebrek in de houdbaarheid van de gestelde eisen gewezen. Nu vaststaat dat er voor de functie HC nog geen nieuw beleid is vastgesteld meent de CKA dat in strijd met het Besluit aanstellingskeuringen is gehandeld.

De keurend arts moet nagaan of de klager voorafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van de keuring en klager’s rechten. Is dit niet het geval, dan dient de keurend arts de informatie zelf te verstrekken.
Vast is komen te staan, dat aspirant werkgever klager niet op eigen initiatief en voorafgaande aan de keuring zelf schriftelijk heeft geïnformeerd over de medische keuring. Daarnaast is niet gebleken dat vooraf door de keurend arts de juiste vragen zijn gesteld dan wel schriftelijke of de juiste mondelinge informatie is verstrekt. De CKA acht het niet onaannemelijk dat de keurend arts tekort is geschoten in de verstrekking aan klager van informatie over doel en inhoud van de keuring en klager’s rechten. De CKA meent dat de keurend arts daardoor in strijd met de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen heeft gehandeld. 

De keurling heeft recht op een herkeuring, indien aan de keuring een negatieve gevolgtrekking, dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde beperkingen wordt verbonden. De CKA stelt vast dat de keurend arts klager onvoldoende heeft geïnformeerd over hoe een herkeuring in zijn werk gaat en klager er niet op heeft gewezen dat de keuringvrager (aspirant werkgever) in beginsel een herkeuring bekostigt. Mede gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak heeft de keurend arts onvoldoende ondersteuning geboden bij het regelen van een herkeuring. 

De keurend arts heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen én artikel 8, lid 2 van de Wmk in samenhang met artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen, voor wat betreft het ‘informed consent principle’ (het principe van geïnformeerde toestemming).
  

 


 

 

Oordeel 2013-04 (klager / aspirant werkgever)

De Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen:

  • mevrouw mr. M.A.C. Vijn, voorzitter;
  • de heer prof. dr. J.R. Anema;
  • de heer mr. drs. D.W.M. Weesie;

leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.
In tegenwoordigheid van mevrouw mr. H.M. de Quant en mevrouw mr. M.J.M. Bach;
beiden plaatsvervangend secretaris. 

1. De klacht

1.1 Klager heeft medio 2013 een klacht ingediend bij de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie).

Klager heeft bij aspirant werkgever gesolliciteerd naar de functie van Hoofdconducteur (hierna: HC). In opdracht van aspirant werkgever is klager begin 2013 gekeurd door een bedrijfsarts (hierna: de keurend arts), die werkzaam is bij een arbodienst (hierna: de Arbodienst). De keurend arts heeft klager ongeschikt geacht voor de functie van HC. Redenen voor de afkeuring zijn met name een te groot veiligheidsrisico door de medische voorgeschiedenis van klager en zijn zeer lage belastbaarheid. Klager kan zich niet in deze keuringsuitslag vinden.

Circa zes weken later is op verzoek van klager een ‘second opinion’ gegeven door een coördinerend bedrijfsarts spoorveiligheid (hierna: de herkeurend arts) bij een andere arbodienst (hierna: de herkeurende arbodienst). De herkeurend arts adviseert om de beslissing met betrekking tot de ongeschiktheid voor de functie van HC te heroverwegen.

De keurend arts heeft zijn besluit tot afkeuring niet herzien naar aanleiding van het advies van de herkeurend arts. Klager is niet in dienst genomen door aspirant werkgever. 

1.2 Klager klaagt over het navolgende:

  1. de aspirant werkgever hanteert ten onrechte te zware keuringseisen voor de functie van HC, omdat deze functie geen spoorveiligheidsfunctie is in de zin van het Besluit spoorwegpersoneel; 
  2. de keuring is niet goed uitgevoerd; 
  3. de argumentatie voor het ongeschikt verklaren van klager is niet juist.

Klager vraagt de Commissie een oordeel uit te spreken over deze klacht. 

2. Verloop van de procedure

2.1 Klager heeft medio 2013 per e-mail een klacht ingediend bij de Commissie.

2.2 Het secretariaat van de Commissie heeft telefonisch contact gehad met klager en hem geïnformeerd over de werkwijze van de Commissie bij de behandeling van een klacht. Dit telefoongesprek is in een e-mail bevestigd.

2.3 Klager heeft gereageerd en aanvullende stukken toegezonden. 

2.4 Klager heeft telefonisch aan het secretariaat van de Commissie laten weten dat zijn klacht is gericht tegen zowel de aspirant werkgever, als de keurend arts.

2.5 De Commissie heeft de klacht doorgestuurd naar de aspirant werkgever.

2.6 De aspirant werkgever heeft een schriftelijke reactie met 3 bijlagen gezonden aan de Commissie, welke is doorgezonden aan klager. 

2.7 De Commissie heeft aanvullende stukken opgevraagd bij klager. Deze stukken zijn door de Commissie per e-mail ontvangen. In verband met het vertrouwelijke karakter van de medische gegevens in de betreffende stukken zijn deze alleen aan de gemachtigde van de keurend arts doorgezonden.

2.8 De hoorzitting heeft plaatsgevonden in het najaar van 2013.
Klager werd tijdens de zitting vergezeld door zijn echtgenote.
Namens de aspirant werkgever zijn verschenen een manager en een advocaat, werkzaam bij aspirant werkgever (hierna: advocaat van de aspirant werkgever).

2.9 Klager heeft bij aanvang van de hoorzitting aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben indien aspirant werkgever kennis zou nemen van vertrouwelijke medische gegevens betreffende klager. 

3. De feiten

3.1 Klager is in het verleden circa 12 jaar HC geweest. Sinds enkele jaren is klager werkzaam als internationaal touringcarchauffeur.

3.2 De functie van ‘chef van trein’ is sinds 3 december 2004 geen wettelijke veiligheidsfunctie meer. Na die datum heeft de aspirant werkgever de aanstellingskeuring voor de functie van HC gehandhaafd. De keuringseisen zijn daarbij niet gewijzigd. Eén en ander is schriftelijk vastgelegd in het Veiligheidsmanagementsysteem (hierna: VMS) van aspirant werkgever.

3.3 In opdracht van aspirant werkgever heeft de Arbodienst in het najaar van 2012 een rapport “Medische keuringen HC en HC S&V, Verantwoording” uitgebracht, waarin veiligheidstaken geïdentificeerd zijn voor de functie van HC. De Arbodienst adviseert in dit rapport de aspirant werkgever om de functie van HC te handhaven als functie met veiligheidstaken. In aansluiting op dit rapport heeft de Arbodienst een concept-advies “Aanstellingskeuring HC en HC S&V, Medische eisen” opgesteld. Op initiatief van de Arbodienst is eerdergenoemd concept-advies ter beoordeling voorgelegd aan een gespecialiseerde polikliniek (hierna: de Polikliniek), met het verzoek om advies uit te brengen ten aanzien van het vraagstuk van de keuringen van HC’s. Daarnaast is aan de Polikliniek gevraagd een reactie te geven op eerdergenoemd rapport van de Arbodienst. Ten tijde van de keuring van klager had de Polikliniek haar advies nog niet uitgebracht.

3.4 Aspirant werkgever heeft de werving van HC’s uitbesteed aan een uitzendbureau (hierna: het Uitzendbureau). Op de vacaturesite van aspirant werkgever staat het functieprofiel beschreven. Daarin is ook vermeld dat als laatste onderdeel van de selectieprocedure voor de functie van HC een medisch onderzoek plaatsvindt. Indien er een vacature is, staat op deze website een link naar de website van het Uitzendbureau. Daarop wordt vermeld dat voor de functie van HC een medische aanstellingskeuring zal plaatsvinden. Allereerst vindt een telefonisch interview plaats. Vervolgens doet de sollicitant een test op de computer, waarna de sollicitant eventueel een uitnodiging ontvangt voor een selectiegesprek met het Uitzendbureau en aspirant werkgever. In dat gesprek wordt de sollicitant – in de regel - geïnformeerd over de veiligheidstaken van de HC en de daarmee samenhangende aanstellingskeuring. Door de sollicitant gestelde vragen over de medische keuring worden - indien mogelijk – beantwoord, mede ter voorkoming van onjuiste verwachtingen. Het Uitzendbureau geeft uiteindelijk opdracht aan de Arbodienst voor het verrichten van een medische keuring.
Er wordt door aspirant werkgever geen afschrift van (een deel van) het VMS verstrekt aan de sollicitant. 

3.5 Klager heeft eind 2012 - via het Uitzendbureau - bij aspirant werkgever gesolliciteerd naar de functie van HC en heeft de selectieprocedure met goed gevolg doorlopen. Naar aanleiding daarvan is klager eind 2012 door de Arbodienst uitgenodigd voor een aanstellingskeuring. Bij de uitnodiging was een ‘Vragenlijst medisch onderzoek spoorwegveiligheid’ gevoegd. Klager stelt geen informatie te hebben ontvangen over de keuringseisen en waar hij precies op wordt gekeurd.

3.6 De keuring heeft begin 2013 plaatsgevonden bij de Arbodienst. De keurend arts heeft vervolgens aan klager bericht dat hij ongeschikt wordt geacht voor de functie van HC. Overeenkomstig het Keuringsreglement Veiligheidskeuringen Railverkeer geeft de keurend arts geen verklaring van medische geschiktheid af. De keurend arts wijst klager daarbij op zijn recht een herkeuring aan te vragen. Uit het dossier is niet duidelijk geworden of en wanneer de aspirant werkgever hierover door de keurend arts is geïnformeerd.

3.7 Naar aanleiding van een vraag van klager heeft de keurend arts circa een maand later in een e-mail klager er op gewezen dat hij de mogelijkheid heeft een ‘second opinion’ aan te vragen bij de herkeurende arbodienst.
Er is spraakverwarring geweest tussen enerzijds klager en anderzijds de keurend arts over de begrippen herkeuring en second opinion. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, lijkt het er op dat in ieder geval door de keurend arts een ‘herkeuring’ is bedoeld. In het vervolg van dit oordeel wordt uitsluitend gesproken over ‘herkeuring’, ook indien in de stukken waarnaar wordt verwezen het begrip ‘second opinion’ staat vermeld, tenzij het relevant is om (het onderscheid tussen) beide begrippen te benoemen.

3.8 Klager heeft het initiatief genomen tot een herkeuring en deze zelf bekostigd. De herkeuring vindt plaats door de herkeurende arbodienst. De herkeurend arts schrijft in zijn brief d.d. begin 2013:
“Mijn advies is om de beslissing met betrekking tot de ongeschiktheid voor de functie van [HC] te heroverwegen. Enerzijds op grond van de houdbaarheid van de gestelde eisen, anderzijds op grond van nieuwe en uitgebreidere en gunstiger nieuwe gegevens.
Ik geef [de keuringsarts] dan wel [aspirant werkgever] ter overweging te besluiten tot een geschiktheid onder voorwaarde van verdere verbetering van de gezondheidsparameters of tegen de overweging van het wettelijk kader waarbinnen de juiste functiegeschiktheidseisen worden gesteld.”
Klager heeft de uitslag van de herkeuring zelf naar de aspirant werkgever gestuurd. 

3.9 De Arbodienst heeft de beslissing tot afkeuring van klager niet willen herzien. De aspirant werkgever heeft klager vervolgens laten weten hem niet in dienst te nemen.
In een brief heeft klager aan de aspirant werkgever laten weten protest aan te tekenen tegen de negatieve uitslag van de keuring door de Arbodienst. Klager is vervolgens via internet bij de Commissie terechtgekomen.

3.10 De aspirant werkgever reageert daarop in een brief aan klager. De aspirant werkgever benadrukt daarin dat aan de afwijzing een zorgvuldige afweging ten grondslag ligt. De aspirant werkgever bevestigt dat de functie van HC geen wettelijke veiligheidsfunctie is, zoals bijvoorbeeld die van machinist. De functie van HC is wel een functie met veiligheidstaken, waaronder de vertrekprocedure, veiligheid van derden en eigen veiligheid. De aspirant werkgever volgt, ook na heroverweging door de Arbodienst op grond van de herkeuring door de herkeurende arbodienst, het negatieve advies van de keurend arts. De aspirant werkgever ziet geen aanleiding om de beslissing om klager niet aan te nemen te herzien.

3.11 De Polikliniek brengt in de lente van 2013 (ná indiening van de klacht) advies uit over het concept-advies “Aanstellingskeuring HC en HC S&V, Medische eisen”. De Polikliniek concludeert in haar rapportage dat er redenen zijn voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring voor HC’s. De Polikliniek plaatst tegelijk enkele kritische kanttekeningen bij het rapport van de Arbodienst d.d. najaar 2012. Zo zijn de relevantie en de zwaarte van de veiligheidseisen in het concept advies van de Arbodienst niet goed uitgewerkt. Uit het advies van de Polikliniek volgt dan ook dat de door de Arbodienst opgestelde concept norm aanpassing behoeft. De Polikliniek merkt verder op dat “[de Arbodienst] criteria zijn gebaseerd op de eisen voor machinisten en dus niet passend voor de eisen die aan [HC’s] worden gesteld. Deze criteria zullen volledig herzien moeten worden.”
De Polikliniek geeft aan dat “er geen duidelijke relatie bestaat tussen de door [Arbodienst] genoemde belastbaarheidseisen en passende medische criteria en onderzoeksmethoden”. De door de Arbodienst genoemde criteria op de gebieden neurologie (inclusief OSAS), cardiologie en endocrinologie zijn - volgens de Polikliniek - vooral gebaseerd op het optreden van de aandoeningen die een acute verstoring van de handelingsgeschiktheid kunnen geven en niet op de belastbaarheidseisen: ‘voldoende visuele waarneming’, auditieve waarneming’ en ‘alertheid/bewustzijn’. Bij deze aandoeningen moet de verhouding tussen het veiligheidsrisico en de frequentie van het optreden van de handelingsbekwaamheid beter worden uitgewerkt. Ten aanzien van de (ook voor de keuring van klager relevante) belastingseisen ‘lopen’, ‘klauteren/klimmen’ oordeelt de Polikliniek dat de hiermee samenhangende fysieke vaardigheden in het rapport van de Arbodienst wel evenwichtig zijn beoordeeld. 

4. Standpunten klager

4.1 Samengevat komen de standpunten van klager op het navolgende neer:
a) De functie van touringcarchauffeur, waarvoor klager onlangs is gekeurd en geschikt geacht is vergelijkbaar met de functie van HC bij aspirant werkgever.
b) De eigen specialist van klager heeft voorafgaande aan de keuring tegen klager gezegd dat hij hem op dat moment geschikt achtte voor de functie van HC.
c) De functie van HC is geen wettelijke veiligheidsfunctie in de zin van het Besluit spoorwegpersoneel. Het is ook geen functie met veiligheidstaken.
d) De bijzondere functie-eisen / keuringseisen zijn klager niet voldoende duidelijk geworden.
e) De aspirant werkgever en keurend arts hanteren ten onrechte de zwaardere bijzondere functie-eisen voor de wettelijke veiligheidsfunctie van machinist ook voor de functie van HC.
f) De veiligheidstaken, die door aspirant werkgever en de keurend arts zijn benoemd komen slechts incidenteel voor.
g) Klager heeft aspirant werkgever diverse malen gevraagd of de afkeuring zou worden heroverwogen en wat daarvoor de procedure is. Daarop heeft klager pas na lange tijd een antwoord gekregen, luidende dat er geen reden was voor herziening van het besluit tot ongeschikt verklaring van klager voor de functie van HC.
h) Het bevreemdt klager dat aspirant werkgever in haar verweerschrift verwijst naar een regeling in ontwikkeling, neergelegd in een advies van de Polikliniek d.d. lente 2013. Dat is een half jaar nadat klager is gekeurd door de keurend arts. Het betreft regelgeving, die nog niet aan de ondernemingsraad (hierna: OR) van aspirant werkgever is voorgelegd, laat staan is goedgekeurd.
i) Om de hierboven genoemde redenen had de aspirant werkgever het negatieve advies van de keurend arts niet moeten volgen. De aspirant werkgever dient klager in dienst te nemen en in staat te stellen om klager uiterlijk op 1 september 2013 in te laten stromen in de opleiding voor HC.

4.2 Klager verzoekt de Commissie een oordeel uit te spreken. 

5. Standpunten aspirant werkgever

5.1 Kort samengevat komen de standpunten van de aspirant werkgever op het navolgende neer:
a) Veiligheid is één van de kernwaarden van aspirant werkgever.
b) Op grond van artikel 4 Wet op de medische keuringen (Wmk) mag een aanstellingskeuring worden verricht, indien er bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld. Er is voldoende reden/rechtvaardiging geweest om met het oog op de veiligheid van mens en materieel in dit geval een proportionele medische aanstellingskeuring door daartoe bevoegde artsen te laten plaatsvinden.
c) De functie van touringcarchauffeur is moeilijk vergelijkbaar met de functie van HC bij aspirant werkgever.
d) Sinds het opheffen van de functie van HC eind 2004 als wettelijke veiligheidsfunctie is de aspirant werkgever bezig met de ontwikkeling van beleid over onder meer de aanstellingskeuring voor die functie.
e) Aspirant werkgever ziet de functie van HC sindsdien niet langer als een wettelijke veiligheidsfunctie, maar wel als een functie met veiligheidstaken. Die veiligheidstaken zijn beschreven in het VMS van aspirant werkgever. Daarop zijn in 2004 normen gebaseerd, die momenteel opnieuw tegen het licht worden gehouden.
f) De Arbodienst heeft op verzoek van de aspirant werkgever in haar rapport “Medische keuringen HC en HC S&V, Verantwoording” d.d. najaar 2012 veiligheidstaken geïdentificeerd voor de functie van HC. Deze veiligheidstaken zijn:
1. de vertrekprocedure (het controleren van in-/uitstappers, verkrijgen van vertreksignalen, het geven van vertreksein aan de machinist);
2. veiligheid van derden (bij calamiteiten en verstoringen begeleiden van reizigers via de ballast naar een veilige plek buiten de trein);
3. eigen veiligheid (na aanrijdingen en verstoringen lopen langs de trein om slachtoffers te schouwen, af te dekken of hulp te bieden).
Aspirant werkgever herkent zich daarin.
g) Vanwege de veiligheidstaken van de HC is er – ook naar de mening van de Arbodienst – nog steeds voldoende aanleiding voor het verrichten van aanstellingskeuringen.
h) Deze veiligheidstaken maken immers dat er bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid mogen worden gesteld.
i) In het concept-advies van de de Arbodienst “Aanstellingskeuring HC en HC S&V, Medische eisen” wordt de relatie tot veiligheidstaken gelegd op de navolgende onderdelen:
- Vertrekprocedure;
- Begeven in en lopen op het spoor;
- Veilig begeleiden van anderen;
- Zichzelf in veiligheid brengen.
j) Klager is in opdracht van aspirant werkgever gekeurd, in lijn met de advisering in eerdergenoemd rapport van de Arbodienst.
k) De keuring is conform artikel 2 Wmk naar haar aard, inhoud en omvang beperkt gebleven tot het doel waarvoor zij wordt verricht.
l) In het voorjaar van 2013 heeft ook de Polikliniek geconcludeerd dat er redenen zijn voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring voor HC’s. De Polikliniek plaatst tegelijk wel enkele kritische kanttekeningen bij het rapport van de Arbodienst d.d. najaar 2012.
m) De Polikliniek doet de aanbeveling om op basis van de in haar rapport genoemde belastbaarheidseisen en hieraan gerelateerde medische criteria geschikte onderzoeksmethoden te selecteren met gepaste keuringscriteria voor de HC. Die criteria dienen transparant te zijn over het oordeel ‘geschikt’, ‘geschikt onder voorwaarden’ of (tijdelijk) ongeschikt.
n) De aspirant werkgever neemt de aanbevelingen van de Polikliniek zeer serieus. Zij neemt deze aanbevelingen over in het nog in 2013 ter instemming aan de OR voor te leggen voorgenomen besluit inzake de medische keuringen voor de functies van HC en HC S&V.
o) Gelet op de rapporten van de Arbodienst en de Polikliniek lijdt het geen twijfel dat ook na het opheffen van de HC als wettelijke veiligheidsfunctie, er voldoende bijzondere eisen verbonden zijn aan die functie op het gebied van belastbaarheid en veiligheid, om een aanstellingskeuring te rechtvaardigen.
p) De aspirant werkgever heeft na de herkeuring door de herkeurende arbodienst de ongeschiktheidsverklaring van klager zorgvuldig heroverwogen. Aspirant werkgever ziet gelet op het bovenstaande geen aanleiding om het afgegeven negatieve medische advies van de eigen keurend arts naast zich neer te leggen.
q) Het feit dat het beleid van de aspirant werkgever nog in ontwikkeling is en aan de hand van de aanbevelingen van de Polikliniek nog zal worden ‘bijgeschaafd’ doet daar niet aan af.

5.2 De klacht is ongegrond. 

6. Overwegingen van de Commissie

Ontvankelijkheid
6.1 Wat de ontvankelijkheid van de Commissie betreft: de klacht ziet op de toepassing van de Wet op de Medische keuringen (hierna: Wmk). De Commissie verklaart zich ontvankelijk.

Twee afzonderlijke oordelen
6.2 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de Wmk en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend artsen. De Commissie brengt daarom twee afzonderlijke oordelen uit; één tegen aspirant werkgever en één tegen de keurend arts (Arbodienst). Onderhavig oordeel ziet op het handelen van de aspirant werkgever. 

Geen inhoudelijk oordeel geschiktheid
6.3 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van klager voor de functie van HC, nu een dergelijk oordeel toekomt aan zijn keurend arts. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van de aanstellingskeuring voldoet aan de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

Artikel 1 Wmk: aanstellingskeuring
6.4 Artikel 1, lid a van de Wmk bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan: “vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1. Een burgerrechtelijke arbeidsverhouding, die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt;
2. (…).

6.5 De Commissie dient te beoordelen of in deze zaak sprake is van een aanstellingskeuring.
Tijdens de medische keuring zijn vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de keurling en wordt medisch onderzoek verricht. De keuring is beslissend. In dit geval leidt een geschiktheidsverklaring als uitslag van de keuring tot een aanstelling als HC. Dit betekent dat sprake is van een aanstellingskeuring als bedoeld in artikel 1, lid a van de Wmk. De aspirant werkgever moet dan ook voldoen aan de verplichtingen die de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen aan (aspirant) werkgever opleggen.

6.6 De Commissie dient vervolgens na te gaan of aspirant werkgever in het kader van de uitvoering van de aanstellingskeuring van klager heeft voldaan aan de eisen van de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

Artikel 4 Wmk en artikel 3 Besluit aanstellingskeuringen: bijzondere eisen
6.7 Artikel 4, lid 1 van de Wmk bepaalt in samenhang met artikel 3, lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen dat een aanstellingskeuring alleen mag plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.

6.8 Onder bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid wordt verstaan:
- de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; en 
- de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, die niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.

De risico’s die met de functie samenhangen moeten dus in eerste instantie zoveel mogelijk door de werkgever worden voorkomen door het treffen van preventieve maatregelen.
Een aanstellingskeuring mag derhalve alleen worden verricht in die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat.

Artikel 8 Wmk en artikel 3 Besluit aanstellingskeuringen:
schriftelijke vastlegging en advies
6.9 In artikel 8, lid 1 Wmk is bepaald dat de aspirant werkgever het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de keuring worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vastlegt. In samenhang daarmee is in artikel 3, lid 2 Besluit aanstellingskeuringen vastgelegd dat de aspirant werkgever, voordat hij de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid én het hiervoor genoemde doel, de vragen en onderzoeken vastlegt, schriftelijk advies daarover en over de rechtmatigheid van de keuring vraagt aan een bedrijfsarts, tenzij een schriftelijk advies al eerder met betrekking tot eenzelfde functie is verstrekt en de omstandigheden en de gangbare maatregelen ongewijzigd zijn gebleven.

6.10 Veiligheid is een van de kernwaarden van aspirant werkgever.
Het veiligheidsbeleid van aspirant werkgever heeft onder meer het minimaliseren van schade aan personen en materieel tot doel. Indien aanpassen van de organisatie van het werk en de techniek niet (meer) mogelijk is, is de mens een belangrijke factor.
In het Handboek Hoofdconducteur handelt hoofdstuk 3 over veiligheid. In VMS 12.2, Keuringen, 4.0 is in de paragraaf Interne eisen bepaald dat in het geval van veiligheidsfuncties wordt gesproken over wettelijke (machinist en rangeerder) en niet wettelijke veiligheidsfuncties (chef trein (= HC), bevoegd spoorbetreder, procesleider perron, en vertrekassistent). Voor de niet wettelijke veiligheidsfuncties zijn er geen wettelijke inhoudelijke eisen rondom de keuring van medewerkers. Aspirant werkgever heeft voor de niet wettelijke veiligheidsfuncties interne eisen opgesteld en hanteert de term ‘veiligheidstaak’.

6.11 De functie van HC valt sinds 3 december 2004 niet meer onder de wettelijke veiligheidsfuncties. Ook het Besluit spoorwegpersoneel 2011 is niet van toepassing.
De functie van HC heeft wel veiligheidstaken. Deze veiligheidstaken zijn, aldus aspirant werkgever:
a. de vertrekprocedure;
b. veiligheid van derden;
c. eigen veiligheid.
Naar het oordeel van aspirant werkgever moeten in verband met deze veiligheidstaken bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid worden gesteld, op grond waarvan een aanstellingskeuring rechtmatig en gerechtvaardigd is. In het VMS heeft aspirant werkgever schriftelijk vastgelegd wat de bijzondere functie-eisen zijn en dat de voormalige Railned P003 richtlijnen van het IVW gehanteerd worden bij de keuring. Deze bijzondere functie-eisen en daarbij behorende keuringseisen zijn gelijkluidend aan de eisen, die werden gesteld toen de functie van HC nog als wettelijke veiligheidsfunctie werd gekwalificeerd.

6.12 In het najaar van 2012 brengt de Arbodienst - in opdracht van aspirant werkgever - een advies uit over de medische aanstellingskeuringen van de HC en de HC S&V. De Arbodienst adviseert in zijn rapport om de HC als functie met veiligheidstaken, waarvoor een aanstellingskeuring is toegestaan te handhaven, zowel om inhoudelijke, als praktische redenen (handhaving inbedding verplichting in VMS). De Arbodienst heeft voorts een voorstel gedaan voor de medische eisen.

6.13 Op initiatief van de Arbodienst is eerdergenoemd concept-advies ter beoordeling voorgelegd aan de Polikliniek, met het verzoek advies uit te brengen. De Polikliniek heeft in het voorjaar van 2013 kritische kanttekeningen gemaakt bij het concept-advies van de Arbodienst. Conclusie is dat de concept normen van de Arbodienst (deels) dienen te worden gewijzigd. Dat is nog niet gebeurd. Het beleid is nog in ontwikkeling. De aspirant werkgever heeft het voornemen om een voorgenomen besluit daartoe nog dit jaar voor te leggen aan de OR. In de tussentijd handhaaft de aspirant werkgever zijn beleid, dat is gebaseerd op de Railned P003 richtlijnen.

6.14 Klager is gekeurd op basis van de keuringseisen, opgenomen in het concept-advies van de Arbodienst d.d. najaar 2012. Die keuringseisen komen overeen met de sinds eind 2004 gehanteerde eisen. Het zijn dezelfde eisen die werden gebruikt toen de HC nog als wettelijke veiligheidsfunctie werd gekwalificeerd. De Commissie is echter van mening dat niet gesteld kan worden dat de omstandigheden en de gangbare maatregelen in deze functie ongewijzigd zijn gebleven in de zin van artikel 3 lid 2 van het Besluit aanstellingskeuringen.

6.15 Het concept-advies van de de Arbodienst wordt door de Commissie gezien als ‘beleid in ontwikkeling’ van de aspirant werkgever. De Polikliniek heeft - na de keuring van klager – enkele zeer kritische kanttekeningen geplaatst bij het concept-advies van de Arbodienst. Door de Polikliniek is onder meer gezegd dat de relevantie en zwaarte van de veiligheidseisen door de Arbodienst niet goed zijn uitgewerkt en dat de concept norm aanpassing behoeft. De criteria zijn gebaseerd op de eisen voor machinisten, die niet passend zijn voor de functie van HC. Een feit waarop ook de herkeurend arts aspirant werkgever – via klager – begin 2013 had gewezen. Er bestaat volgens de Polikliniek geen relatie tussen de door de Arbodienst genoemde belastbaarheidseisen en passende medische criteria en onderzoeksmethoden. Aspirant werkgever heeft te kennen gegeven dat zij de aanbevelingen van de Polikliniek zeer serieus neemt en haar voorgenomen beleid zal wijzigen.

6.16 Aspirant werkgever is door klager rechtstreeks op de hoogte gesteld van de herkeuring en de door de herkeurende arbodienst gedane aanbeveling. De Commissie is van mening dat de heroverweging die, aldus aspirant werkgever, heeft plaatsgevonden na de herkeuring, onvoldoende is gemotiveerd. Het had op de weg van aspirant werkgever gelegen om haar beslissing om klager niet in dienst te nemen conform het advies van de herkeurend arts te heroverwegen.

6.17 Sinds de functie van HC geen wettelijke veiligheidsfunctie meer is, is er een lange periode van circa 8 jaar verstreken. Door de aspirant werkgever is erkend dat het beleid nog in ontwikkeling is en dat men nog dit jaar hoopt het nieuwe beleid ter instemming aan de OR voor te leggen. De Commissie meent dan ook dat niet voldaan is aan artikel 8, lid 1 Wmk en artikel 3, lid 2 Besluit aanstellingskeuringen.

Artikel 8 Wmk en artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen: informatieverplichting vooraf
6.18 Ten aanzien van deze klacht is verder artikel 8 Wmk in het geding. De aspirant werkgever heeft op grond van artikel 8, lid 2 van de Wmk de verplichting om een sollicitant vooraf goed te informeren over de medische keuring en over diens rechten bij keuringen. Hieronder verstaat de Commissie informatie verschaffen over het doel van de keuring en over de vragen en de onderzoeken die daarbij aan bod komen, maar ook over het recht op herkeuring. Verder is in artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen geregeld, dat de aspirant werkgever klager tijdig voor aanvang van de medische keuring desgevraagd het advies van de medische keuringsinstantie ter beschikking stelt en dat de aspirant werkgever klager informeert over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Commissie.

6.19 Op basis van de overgelegde stukken en de tijdens de hoorzitting van klager en aspirant werkgever verkregen informatie, is het navolgende vast komen te staan. Aspirant werkgever heeft klager niet op eigen initiatief en voorafgaande aan de keuring zelf schriftelijk geïnformeerd over de medische keuring, anders dan dat op de vacaturesite in het profiel van HC is vermeld dat een medisch onderzoek deel uit maakt van de selectieprocedure. Klager is door aspirant werkgever ook niet gewezen op zijn rechten bij keuring, zoals de mogelijkheid van een herkeuring en het kunnen indienen van een klacht bij de Commissie. Evenmin is (het relevante deel uit) het VMS en het advies van de bedrijfsarts aan klager ter beschikking gesteld.
Het is voor de Commissie niet mogelijk om vast te stellen of het Uitzendbureau, in opdracht van aspirant werkgever, klager wel tijdig en voldoende heeft geïnformeerd. Dat doet echter ook niet ter zake. Naar het oordeel van de Commissie heeft de aspirant werkgever hierin een eigen verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid kan aspirant werkgever niet afschuiven, zonder te verifiëren of door het Uitzendbureau jegens klager aan de verplichtingen ingevolge de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen wordt voldaan.

6.20 De Commissie stelt vast dat aspirant werkgever klager vóór aanvang van de keuring noch daarna voldoende en op begrijpelijke wijze schriftelijk en/of mondeling heeft geïnformeerd over doel, vragen en onderzoeken als hiervoor bedoeld. Datzelfde geldt ten aanzien van klager’s rechten bij de keuring. Dit ondanks dat klager herhaaldelijk bij aspirant werkgever, dan wel het Uitzendbureau om nadere informatie heeft verzocht.

Artikel 12 Wmk: recht op herkeuring
6.21 Op grond van artikel 12 Wmk heeft de keurling recht op een herkeuring, indien aan de keuring een negatieve gevolgtrekking, dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde beperkingen wordt verbonden. De keurling dient zijn wens daartoe met redenen omkleed binnen een week nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is medegedeeld kenbaar te maken. De keuringvrager dient een regeling te treffen voor herkeuring door een onafhankelijk geneeskundige.
De kosten van de herkeuring worden gedragen door de keuringvrager. Deze mag echter een redelijke bijdrage van de keurling verlangen.

6.22 Er is spraakverwarring geweest tussen enerzijds klager en anderzijds de keurend arts over de begrippen ‘herkeuring’ en ‘second opinion’. Als gevolg daarvan en door onvoldoende informatie aan en ondersteuning van klager door aspirant werkgever en/of de keurend arts heeft klager uiteindelijk een ‘second opinion’ gevraagd aan de herkeurende arbodienst. Uit de processtukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht leidt de Commissie af dat de keurend arts gedoeld heeft op een herkeuring. Klager heeft deze herkeuring zelf moeten bekostigen. Het verslag daarvan heeft hij alleen aan aspirant werkgever gezonden. De kosten van de herkeuring hadden naar het oordeel van de Commissie moeten worden gedragen door aspirant werkgever.

7. Oordeel van de Commissie
Op grond van bovenstaande overwegingen komt de Commissie tot het navolgende oordeel:

De klacht is gegrond.

De aspirant werkgever heeft in het kader van de uitvoering van de aanstellingskeuring van klager niet voldaan aan de eisen van de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

De aspirant werkgever heeft gehandeld in strijd met artikel 8, lid 1 van de Wmk en artikel 3, lid 2 Besluit aanstellingskeuringen, respectievelijk met artikel 8, lid 2 van de Wmk en artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen.

Voorts heeft de aspirant werkgever gehandeld in strijd met artikel 12, lid 3 van de Wmk.

Ten overvloede beveelt de Commissie aspirant werkgever aan om:
c. zo spoedig mogelijk voor de functie HC de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht schriftelijk vast te leggen;
d. aan klager alsnog de kosten van de herkeuring te vergoeden.

Den Haag, 2013 


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van aanstellingskeuringen van 23 november 2001, stb. 2001, 597 en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen.