Oordeel 2013-04 klager / keurend arts

Samenvatting
Klager heeft bij aspirant werkgever gesolliciteerd naar de functie van Hoofdconducteur (hierna: HC). In opdracht van aspirant werkgever is klager gekeurd. De keurend arts heeft klager ongeschikt geacht voor de functie van HC. Redenen voor de afkeuring zijn met name een te groot veiligheidsrisico door de medische voorgeschiedenis van klager en zijn zeer lage belastbaarheid. Klager kan zich niet in deze keuringsuitslag vinden. 

Op verzoek van klager is een ‘second opinion’ gegeven door een herkeurend arts, werkzaam bij een andere arbodienst. De herkeurend arts adviseert om de beslissing met betrekking tot de ongeschiktheid voor de functie van HC te heroverwegen. 

De keurend arts heeft zijn besluit tot afkeuring niet herzien. Klager is niet in dienst genomen door aspirant werkgever. 

Klager klaagt over het navolgende:

  1. de aspirant werkgever en de keurend arts hanteren ten onrechte te zware keuringseisen voor de functie van HC, omdat deze functie geen spoorveiligheidsfunctie is in de zin van het Besluit spoorwegpersoneel; 
  2. de keuring is niet goed uitgevoerd; 
  3. de argumentatie voor het ongeschikt verklaren van klager is niet juist. 

De Commissie heeft twee afzonderlijke oordelen uitgebracht. Hierna wordt eerst het oordeel in de zaak tegen de aspirant werkgever weergegeven en daarna het oordeel in de zaak tegen de keurend arts (arbodienst).

Aspirant werkgever
De Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (CKA) heeft de klacht tegen de aspirant werkgever gegrond verklaard. 

Aspirant werkgever is door klager rechtstreeks op de hoogte gesteld van de herkeuring en de door de herkeurend arts gedane aanbeveling. De CKA is van mening dat de heroverweging die heeft plaatsgevonden na de herkeuring, door aspirant werkgever onvoldoende is gemotiveerd. Het had op de weg van aspirant werkgever gelegen om haar beslissing om klager niet in dienst te nemen conform het advies van de herkeurend arts te heroverwegen. 

Sinds 3 december 2003, het moment waarop de functie van HC geen wettelijke veiligheidsfunctie meer is, is een lange periode verstreken. De aspirant werkgever is vanaf najaar 2012 bezig met de ontwikkeling van nieuw beleid met betrekking tot de functie van HC. Dat beleid is nog in ontwikkeling en moet aan de ondernemingsraad worden voorgelegd, voordat het kan worden vastgesteld. 
In de Wet medische keuringen (Wmk) en het Besluit aanstellingskeuringen is bepaald dat de aspirant werkgever het doel van de keuring, de vragen die worden gesteld en de medische onderzoeken, die mogen worden verricht schriftelijk vastlegt. Verder moet de aspirant werkgever voordat hij de bijzondere eisen op het gebied van medische geschiktheid en het doel, de vragen en onderzoeken vastlegt, schriftelijk advies daarover en over de rechtmatigheid van de keuring vragen aan de bedrijfsarts.
De CKA meent dat aspirant werkgever daaraan niet heeft voldaan. 

De CKA heeft vastgesteld dat aspirant werkgever klager vóór aanvang van de keuring noch daarna voldoende en op begrijpelijke wijze schriftelijk en/of mondeling heeft geïnformeerd over doel van de keuring, vragen en onderzoeken. Datzelfde geldt met betrekking tot klager’s rechten bij de keuring.

Klager heeft zelf een herkeuring (‘second opinion’) aangevraagd en bekostigd. De kosten van de herkeuring hadden naar de mening van de CKA moeten worden gedragen door aspirant werkgever.

De aspirant werkgever heeft in het kader van de uitvoering van de aanstellingskeuring van klager dan ook niet voldaan aan de eisen van de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.
De aspirant werkgever heeft gehandeld in strijd met artikel 8, lid 1 van de Wmk en artikel 3, lid 2 Besluit aanstellingskeuringen, respectievelijk met artikel 8, lid 2 van de Wmk en artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen.
Voorts heeft de aspirant werkgever gehandeld in strijd met artikel 12, lid 3 van de Wmk. 

Ten overvloede beveelt de Commissie aspirant werkgever aan om:

a. zo spoedig mogelijk voor de functie HC de bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid, het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de gezondheid zullen worden gesteld en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht schriftelijk vast te leggen;
b. aan klager alsnog de kosten van de herkeuring te vergoeden. 

Keurend arts
De CKA heeft ook de klacht tegen de keurend arts (de Arbodienst) gegrond verklaard. 

Het verbaast de CKA dat aspirant werkgever niet eerder dan in 2012 advies heeft gevraagd met betrekking tot de vraag of een aanstellingskeuring voor de functie van HC nog steeds rechtmatig en gerechtvaardigd was en zo ja, welke bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid e.d. passend waren.
De keurend arts heeft op grond van het Besluit aanstellingskeuringen echter een eigen verantwoordelijkheid. Het was de keurend arts ten tijde van de keuring bekend dat de functie HC op grond van het besluit Spoorwegpersoneel 2011 geen wettelijke veiligheidsfunctie meer was. Ook kon het de keurend arts bekend zijn dat met betrekking tot de functie HC nog geen actuele bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid waren vastgesteld. 

De CKA vindt het gelet op het niet mis te verstane advies van de herkeurend arts onbegrijpelijk dat de keurend arts zijn besluit om de eerdere ongeschiktheidsverklaring te handhaven niet uitvoeriger heeft gemotiveerd. De herkeurend arts heeft immers nadrukkelijk op het gebrek in de houdbaarheid van de gestelde eisen gewezen. Nu vaststaat dat er voor de functie HC nog geen nieuw beleid is vastgesteld meent de CKA dat in strijd met het Besluit aanstellingskeuringen is gehandeld.

De keurend arts moet nagaan of de klager voorafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over doel en inhoud van de keuring en klager’s rechten. Is dit niet het geval, dan dient de keurend arts de informatie zelf te verstrekken.
Vast is komen te staan, dat aspirant werkgever klager niet op eigen initiatief en voorafgaande aan de keuring zelf schriftelijk heeft geïnformeerd over de medische keuring. Daarnaast is niet gebleken dat vooraf door de keurend arts de juiste vragen zijn gesteld dan wel schriftelijke of de juiste mondelinge informatie is verstrekt. De CKA acht het niet onaannemelijk dat de keurend arts tekort is geschoten in de verstrekking aan klager van informatie over doel en inhoud van de keuring en klager’s rechten. De CKA meent dat de keurend arts daardoor in strijd met de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen heeft gehandeld. 

De keurling heeft recht op een herkeuring, indien aan de keuring een negatieve gevolgtrekking, dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde beperkingen wordt verbonden. De CKA stelt vast dat de keurend arts klager onvoldoende heeft geïnformeerd over hoe een herkeuring in zijn werk gaat en klager er niet op heeft gewezen dat de keuringvrager (aspirant werkgever) in beginsel een herkeuring bekostigt. Mede gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak heeft de keurend arts onvoldoende ondersteuning geboden bij het regelen van een herkeuring. 

De keurend arts heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen én artikel 8, lid 2 van de Wmk in samenhang met artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen, voor wat betreft het ‘informed consent principle’ (het principe van geïnformeerde toestemming).
  


Oordeel 2013-04 (klager / keurend arts)

De Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen:

  • mevrouw mr. M.A.C. Vijn, voorzitter; 
  • de heer prof. dr. J.R. Anema; 
  • de heer mr. drs. D.W.M. Weesie;

leden van de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen.
In tegenwoordigheid van mevrouw mr. H.M. de Quant en mevrouw mr. M.J.M. Bach;
beiden plaatsvervangend secretaris.

1. De klacht

1.1 Klager heeft medio 2013 een klacht ingediend bij de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen (hierna: de Commissie).

Klager heeft bij aspirant werkgever gesolliciteerd naar de functie van Hoofdconducteur (hierna: HC). In opdracht van aspirant werkgever is klager begin 2013 gekeurd door een bedrijfsarts (hierna: de keurend arts), die werkzaam is bij een arbodienst (hierna: de Arbodienst). De keurend arts heeft klager ongeschikt geacht voor de functie van HC. Redenen voor de afkeuring zijn met name een te groot veiligheidsrisico door de medische voorgeschiedenis van klager en zijn zeer lage belastbaarheid. Klager kan zich niet in deze keuringsuitslag vinden.

Circa zes weken na de keuring is op verzoek van klager een ‘second opinion’ gegeven door de coördinerend bedrijfsarts spoorveiligheid (hierna: de herkeurend arts) bij een andere arbodienst (hierna: de herkeurende arbodienst). De herkeurend arts adviseert om de beslissing met betrekking tot de ongeschiktheid voor de functie van HC te heroverwegen.

De keurend arts heeft zijn besluit tot afkeuring niet herzien naar aanleiding van het advies van de herkeurend arts. Klager is niet in dienst genomen door aspirant werkgever.

1.2 Klager klaagt over het navolgende:

  1. de aspirant werkgever en de keurend arts hanteren ten onrechte te zware keuringseisen voor de functie van HC, omdat deze functie geen spoorveiligheidsfunctie is in de zin van het Besluit spoorwegpersoneel; 
  2. de keuring is niet goed uitgevoerd; 
  3. de argumentatie voor het ongeschikt verklaren van klager is niet juist.

Klager vraagt de Commissie een oordeel uit te spreken over deze klacht.

2 Verloop van de procedure

2.1 Klager heeft medio 2013 per e-mail een klacht ingediend bij de Commissie.

2.2 Het secretariaat van de Commissie heeft telefonisch contact gehad met klager en hem geïnformeerd over de werkwijze van de Commissie bij de behandeling van een klacht. Dit telefoongesprek is door het secretariaat van de Commissie in een e-mail bevestigd.

2.3 Klager heeft gereageerd en aanvullende stukken toegezonden.

2.4 Klager heeft telefonisch aan het secretariaat van de Commissie laten weten dat zijn klacht is gericht tegen zowel de keurend arts, als de aspirant werkgever.

2.5 De Commissie heeft de klacht doorgestuurd naar de keurend arts en de aspirant werkgever.

2.6 In de zomer van 2013 ontving de Commissie van de gemachtigde van de keurend arts, een verweerschrift met 4 bijlagen, dat direct is doorgezonden aan klager.

2.7 Enkele weken daarna heeft de Commissie aanvullende stukken opgevraagd bij klager. Deze stukken zijn door de Commissie per e-mail ontvangen. Zowel de keurend arts, als de aspirant werkgever zijn daarvan op de hoogte gesteld. In verband met het vertrouwelijke karakter van de medische gegevens in de betreffende stukken zijn deze alleen aan de gemachtigde van de keurend arts doorgezonden.

2.8 De hoorzitting heeft plaatsgevonden in het najaar van 2013.
Klager werd tijdens de zitting vergezeld door zijn echtgenote.
Namens de keurend arts zijn verschenen de voor het keuringsbeleid bij de Arbodienst verantwoordelijke persoon, de leidinggevende van de keurend arts en mr. W.A.M. Rupert, advocaat (hierna tevens: advocaat van de keurend arts). De keurend arts is zonder voorafgaand bericht van verhindering ‘wegens persoonlijke omstandigheden’ niet verschenen.

2.9 Klager heeft bij aanvang van de hoorzitting aangegeven er geen bezwaar tegen te hebben indien aspirant werkgever kennis neemt van vertrouwelijke medische gegevens betreffende klager.

2.10 Na afloop van de hoorzitting heeft de Commissie geconcludeerd, dat zij nog behoefte had aan aanvullende informatie van de keurend arts persoonlijk. Daarom heeft de Commissie een brief met daarin een zestal vragen aan de keurend arts aan zijn advocaat gezonden met het verzoek daarop binnen twee weken te reageren.

2.11 Kort na het verstrijken van de termijn ontving de Commissie per e-mail via zijn advocaat een reactie van de keurend arts op de door de Commissie gestelde vragen. Aan klager is per e-mail een afschrift van de reactie van de keurend arts toegezonden. Klager is in de gelegenheid gesteld daar op te reageren. De Commissie heeft de reactie van klager ontvangen.
In de reactie van de keurend arts is verwezen naar een e-mail d.d. voorjaar 2013 van de coördinator bedrijfsartsen bij de Arbodienst (hierna:coördinator bedrijfsartsen) aan de herkeurende arbodienst. Op haar verzoek ontving de Commissie deze e-mail van de advocaat van de keurend arts.

3. De feiten

3.1 Klager is in het verleden circa 12 jaar HC geweest. Sinds enkele jaren is klager werkzaam als internationaal touringcarchauffeur.

3.2 De functie van ‘chef van trein’ (= HC) is sinds 3 december 2004 geen wettelijke veiligheidsfunctie meer. Na die datum heeft de aspirant werkgever de aanstellingskeuring voor de functie van HC gehandhaafd. De keuringseisen zijn daarbij niet gewijzigd. Eén en ander is schriftelijk vastgelegd in het Veiligheidsmanagementsysteem (hierna: VMS) van aspirant werkgever.

3.3 In opdracht van aspirant werkgever heeft de Arbodienst in het najaar van 2012 een rapport “Medische keuringen HC en HC S&V, Verantwoording” uitgebracht, waarin veiligheidstaken geïdentificeerd zijn voor de functie van HC. De Arbodienst adviseert de aspirant werkgever om de functie van HC te handhaven als functie met veiligheidstaken. In aansluiting hierop heeft de Arbodienst een concept-advies “Aanstellingskeuring HC en HC S&V, Medische eisen” opgesteld. Op initiatief van de Arbodienst is eerdergenoemd concept-advies ter beoordeling voorgelegd aan een gespecialiseerde polikliniek (hierna: de Polikliniek), met het verzoek om advies uit te brengen ten aanzien van het vraagstuk van de keuringen van HC’s. Daarnaast is aan de Polikliniek gevraagd een reactie te geven op het rapport van de Arbodienst d.d. najaar 2012. Ten tijde van de keuring van klager had de Polikliniek haar advies nog niet uitgebracht.

3.4 Klager heeft eind 2012 via een uitzendbureau (hierna: het Uitzendbureau) gesolliciteerd naar de functie van HC bij aspirant werkgever en heeft de sollicitatieprocedure met goed gevolg doorlopen. Naar aanleiding daarvan is klager eind 2012 door de Arbodienst uitgenodigd voor een aanstellingskeuring. Bij de uitnodiging was een ‘Vragenlijst medisch onderzoek spoorwegveiligheid’ gevoegd.

3.5 De keuring heeft begin 2013 plaatsgevonden bij de Arbodienst. Diezelfde dag heeft de keurend arts een brief gestuurd aan de huisarts van klager (hierna: de huisarts) met het verzoek om hem aanvullende medische informatie over klager te verstrekken.

3.6 De huisarts geeft onder meer aan dat klager, anders dan in het verleden, een gezondere leefstijl en betere conditie heeft. Bijgevoegd is een brief van de behandelend specialist van klager d.d. najaar 2012.

3.7 De keurend arts heeft vervolgens advies ingewonnen bij een arts-deskundige (hierna: de arts-deskundige), werkzaam bij de Polikliniek. Die oordeelt op basis van de aan hem ter beschikking gestelde schriftelijke informatie dat de belastbaarheid van klager zeer laag is. De arts-deskundige vraagt zich af of klager in staat is om dagelijks 8 uur per dienst door de trein te lopen. Bij de belastbaarheid zoals vermeld in de brief van de behandelend specialist is dat, volgens de arts-deskundige, niet zonder risico. De arts-deskundige merkt verder op: “Mogelijk is de belastbaarheid toegenomen, maar kan, gezien de korte periode, nooit voldoende zijn. Er is een groot veiligheidsrisico.”
De arts-deskundige is bereid klager te ontvangen, maar geeft aan dat dat zeer waarschijnlijk niet veel aan het advies zal veranderen.

3.8 Mede op basis daarvan deelt de keurend arts in zijn brief d.d. begin 2013 aan klager mee dat hij ongeschikt wordt geacht voor de functie van HC. Overeenkomstig het Keuringsreglement Veiligheidskeuringen Railverkeer geeft de keurend arts geen verklaring van medische geschiktheid af. In dezelfde brief wijst de keurend arts klager op zijn recht om een herkeuring aan te vragen bij een daarvoor aangewezen herkeuringsinstituut. Omdat reeds advies is ingewonnen bij een arts-deskundige is dat niet de Arbodienst zelf, maar een door de minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen herkeuringsinstituut.

3.9 In een e-mail d.d. begin 2013 bericht de keurend arts aan de huisarts, dat klager hem heeft laten weten zich niet neer te leggen bij het besluit tot afkeuring. Met betrekking tot het risico verwijst de keurend arts naar de Railned P-Norm 003.

3.10 De huisarts reageert daarop in een e-mail. Hij geeft daarin aan dat klager op korte termijn een hernieuwd onderzoek zal ondergaan bij zijn behandelend specialist en ook de correspondentie van de keurend arts door hem zal laten beoordelen. Daarnaast plaatst de huisarts enkele kanttekeningen bij de aannames van de keurend arts en de arts-deskundige.

3.11 De huisarts is na specialistisch onderzoek circa twee weken later op de hoogte gesteld van de uitslag van de hernieuwde beoordeling in het kader van belasting en belastbaarheid. Uit deze beoordeling volgt dat de belastbaarheid is toegenomen. Klager heeft deze informatie doorgezonden aan de keurend arts, die zijn oordeel niet heeft herzien. Klager heeft vervolgens alle relevante informatie opgevraagd bij de keurend arts.

3.12 Twee weken daarna heeft de keurend arts, naar aanleiding van een vraag van klager, in een e-mail klager er op gewezen dat hij de mogelijkheid heeft een ‘second opinion’ aan te vragen bij de herkeurende arbodienst.
Er is spraakverwarring geweest tussen enerzijds klager en anderzijds de keurend arts over de begrippen ‘herkeuring’ en ‘second opinion’. Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, lijkt het er sterk op dat in ieder geval door de keurend arts een ‘herkeuring’ is bedoeld. In het vervolg van dit oordeel wordt gesproken over ‘herkeuring’, ook indien in de stukken waarnaar wordt verwezen het begrip ‘second opinion’ staat vermeld, tenzij het relevant is om (het onderscheid tussen) beide begrippen te benoemen.

3.13 Klager heeft het initiatief genomen tot een herkeuring en deze zelf bekostigd. De herkeuring vond begin 2013 plaats. De herkeurend arts concludeert dat het door de keurend arts verrichte onderzoek leidt tot uitslagen die voldoen aan de eisen gesteld in het Besluit Spoorwegpersoneel 2011. Er is verdere verbetering mogelijk. Voorts wijst de herkeurende arbodienst er op dat de functie van HC geen spoorveiligheidsfunctie in het kader van het Besluit Spoorwegpersoneel is en dat er daarmee geen wettelijke basis is voor de keuringseisen. Die eisen kunnen echter wel gebaseerd zijn op bij de aspirant werkgever geldende regelgeving.
De herkeurend arts schrijft in zijn brief:
“Mijn advies is om de beslissing met betrekking tot de ongeschiktheid voor de functie van [HC] te heroverwegen. Enerzijds op grond van de houdbaarheid van de gestelde eisen, anderzijds op grond van nieuwe en uitgebreidere en gunstiger nieuwe gegevens.
Ik geef [de keuringsarts] dan wel [de aspirant werkgever] ter overweging te besluiten tot een geschiktheid onder voorwaarde van verdere verbetering van de gezondheidsparameters of tegen de overweging van het wettelijk kader waarbinnen de juiste functiegeschiktheidseisen worden gesteld.”

3.14 Klager heeft het advies van de herkeurende arbodienst doorgezonden aan aspirant werkgever, die het kennelijk ter hand heeft gesteld aan de keurend arts. De keurend arts heeft de coördinator bedrijfsartsen gevraagd om, rekening houdende met de stukken betreffende de keuring, het oordeel van de arts-deskundige en het advies van de herkeurende arbodienst, een advies te geven over de veiligheidsgeschiktheid van klager voor de functie van HC. Naar aanleiding daarvan heeft de coördinator bedrijfsartsen een e-mail aan de herkeurend arts gezonden met daarin navolgend verzoek:
“Om tot een goede afweging te komen heb ik van u een éénduidige conclusie nodig of u [de keurling] volgens de vigerende richtlijnen van [aspirant werkgever] wel / niet veiligheidsgeschikt acht voor zijn (toekomstige) functie van Chef Trein. In het veiligheidsmanagement handboek van [aspirant werkgever] staat dat daarvoor de voormalige P003 richtlijnen van het IVW gehanteerd wordt.
In uw rapportage vind ik geen éénduidige eindconclusie of [klager] op dit moment volgens u wel of niet veiligheidsgeschikt is voor de functie Chef Trein. Kunt u dit aan het verslag toevoegen en aan mij mailen?”

De keurend arts stelt dat de herkeurende arbodienst niet heeft gereageerd op het verzoek van de coördinator bedrijfsartsen.

3.15 De Arbodienst heeft de beslissing tot ongeschikt verklaring van klager voor de functie van HC niet herzien. De aspirant werkgever heeft klager vervolgens laten weten hem niet in dienst te nemen. In zijn brief d.d. voorjaar 2013 heeft klager aan de aspirant werkgever laten weten protest aan te tekenen tegen de negatieve uitslag van de keuring door de Arbodienst.

3.16 Klager is vervolgens via internet bij de Commissie terechtgekomen.

3.17 De Polkliniek brengt in het voorjaar van 2013 (ná indiening van de klacht door klager) advies uit naar aanleiding van het concept advies van de Arbodienst d.d. najaar 2012 met betrekking tot de medische eisen bij aanstellingskeuring voor de functie HC. De Polikliniek concludeert in haar rapportage dat er redenen zijn voor het uitvoeren van een aanstellingskeuring voor HC’s. De Polikliniek plaatst tegelijk enkele kritische kanttekeningen bij het advies. Zo zijn de relevantie en de zwaarte van de veiligheidseisen in het concept advies van de Arbodienst niet goed uitgewerkt. Uit het advies van de Polikliniek volgt dan ook dat de door de Arbodienst opgestelde concept norm aanpassing behoeft. De Polikliniek merkt verder op dat “[de Arbodienst] criteria zijn gebaseerd op de eisen voor machinisten en dus niet passend voor de eisen die aan [HC’s] worden gesteld. Deze criteria zullen volledig herzien moeten worden”.
De Polikliniek geeft aan dat “er geen duidelijke relatie is tussen de door [de Arbodienst] genoemde belastbaarheidseisen en passende medische criteria en onderzoeksmethoden”. De door de Arbodienst genoemde criteria op de gebieden neurologie (inclusief OSAS), cardiologie en endocrinologie zijn – volgens de Polikliniek - vooral gebaseerd op het optreden van de aandoeningen die een acute verstoring van de handelingsgeschiktheid kunnen geven en niet op de belastbaarheidseisen: ‘voldoende visuele waarneming’, auditieve waarneming’ en ‘alertheid/bewustzijn’. Bij deze aandoeningen moet de verhouding tussen het veiligheidsrisico en de frequentie van het optreden van de handelingsbekwaamheid beter worden uitgewerkt. Ten aanzien van de (ook voor de keuring van klager relevante) belastingseisen ‘lopen’, ‘klauteren/klimmen’ oordeelt de Polikliniek dat de hiermee samenhangende fysieke vaardigheden in het rapport van de Arbodienst wel evenwichtig zijn beoordeeld.

4. Standpunten klager

4.1 Samengevat komen de standpunten van klager op het navolgende neer:
a) De functie van touringcarchauffeur, waarvoor klager onlangs is gekeurd en geschikt geacht is vergelijkbaar met de functie van HC bij aspirant werkgever.
b) De eigen specialist van klager heeft voorafgaande aan de keuring tegen klager gezegd dat hij hem op dat moment geschikt achtte voor de functie van HC.
c) De functie van HC is geen wettelijke veiligheidsfunctie in de zin van het Besluit spoorwegpersoneel. Het is ook geen functie met veiligheidstaken.
d) De bijzondere functie-eisen / keuringseisen zijn klager niet voldoende duidelijk geworden. Klager is door de keurend arts en zijn assistente niet geïnformeerd over doel en inhoud van de keuring (waaronder begrepen de aan de vervulling van de functie van HC en de daarbij behorende (veiligheids)taken gestelde bijzondere functie-eisen). Klager heeft de keurend arts diverse malen, telefonisch en schriftelijk gevraagd wat de exacte keuringseisen waren voor de functie van HC. De keurend arts heeft daar niet op geantwoord en ook niet verwezen naar de richtlijn Railned P003 van de IVW.
e) De aspirant werkgever en keurend arts hanteren ten onrechte de zwaardere bijzondere functie-eisen voor de wettelijke veiligheidsfunctie van machinist ook voor de functie van HC.
f) De meeste veiligheidstaken, die door aspirant werkgever en de keurend arts zijn benoemd komen slechts incidenteel voor.
g) De keurend arts en de door hem ingeschakelde arts-deskundige hebben onjuiste aannames gedaan bij de beoordeling van de door de behandelend specialist verstrekte informatie d.d. najaar 2012.
h) De arts-deskundige had geen aannames mogen doen en conclusies mogen trekken, zonder klager zelf gezien en gesproken en eventueel onderzocht te hebben.
i) Ondanks dat zijn belastbaarheid was gestegen, is aan klager medegedeeld dat dit geen consequentie had voor het oordeel van de arts-deskundige. Een gesprek was wel mogelijk maar zou niets aan de mening van de arts-deskundige veranderen en zou ook pas weken later kunnen plaatsvinden. Hij had op korte termijn geen tijd, zelfs niet voor een telefoongesprek.
j) De keurend arts en arts-deskundige hadden hun beslissing om klager ongeschikt te achten voor de functie van HC moeten herzien na ontvangst van de uitslagen van het door de behandelend specialist begin 2013 verrichte onderzoek. De belastbaarheid van klager is aanzienlijk toegenomen.
k) Klager is er door de keurend arts op gewezen dat hij een herkeuring kon aanvragen. De keurend arts heeft klager niet inhoudelijk geïnformeerd over hoe een herkeuring in zijn werk gaat en dat de keuringvrager in beginsel een herkeuring bekostigt. De keurend arts heeft ook niet aangeboden om een herkeuring voor klager te regelen. Na de afkeuring heeft klager veelvuldig aan de keurend arts gevraagd welke stappen hij kon zetten tegen de ongeschiktheidsverklaring voor de functie van HC. Klager heeft daar onvoldoende antwoord op gehad en de keurend arts wilde hem uiteindelijk niet meer spreken. Wel heeft de keurend arts klager op diens verzoek uiteindelijk verwezen naar de website van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT; rechtsopvolger IVW). Vervolgens is klager op internet gaan zoeken en is op de mogelijkheid van een ‘second opinion’ gestuit. Klager heeft een dergelijke second opinion (‘herkeuring’) voor eigen rekening aangevraagd bij de herkeurende arbodienst en de uitslag daarvan zelf aan de aspirant werkgever doorgezonden. Er is naar de mening van klager geen officiële herkeuring verricht.
l) Het advies van de herkeurende arbodienst had reden moeten zijn voor de keurend arts en arts-deskundige om de beslissing om klager af te keuren te heroverwegen.
m) Klager heeft bij aspirant werkgever diverse malen gevraagd of de afkeuring zou worden heroverwogen en wat daarvoor de procedure is. Daarop heeft klager pas na lange tijd een antwoord gekregen, luidende dat er geen reden was voor herziening van het besluit tot ongeschiktverklaring van klager voor de functie van HC.
n) Het bevreemdt klager dat aspirant werkgever en de keurend arts verwijzen naar een regeling in ontwikkeling, neergelegd in een advies van de Polikliniek d.d. lente 2013. Dat is een half jaar nadat klager is gekeurd door de keurend arts. Het betreft regelgeving, die nog niet aan de ondernemingsraad (hierna: OR) van aspirant werkgever is voorgelegd, laat staan is goedgekeurd.
o) Om de hierboven genoemde redenen had de aspirant werkgever het negatieve advies van de keurend arts niet moeten volgen. De aspirant werkgever dient klager in dienst te nemen en in staat te stellen om klager uiterlijk op 1 september 2013 in te laten stromen in de opleiding voor HC.

4.2 Klager verzoekt de Commissie een oordeel uit te spreken.

5. Standpunten keurend arts

5.1 Samengevat komen de standpunten van de keurend arts op het navolgende neer:
a) De functie van HC is een functie die bijzondere eisen op het gebied van medische geschiktheid stelt.
b) Na het vervallen van de functie ‘chef van trein’ in de Spoorwegwet, is de aanstellingskeuring voor de HC door aspirant werkgever gehandhaafd.
c) De Arbodienst heeft in haar rapport d.d. najaar 2012 geconcludeerd dat er voldoende reden is voor het handhaven van de aanstellingskeuring voor de functie van HC.
d) De stellingname van klager dat bij de keuring verkeerde keuringseisen zijn gebruikt is onjuist. De Arbodienst heeft de eisen gebruikt, die gelden voor de HC. De keurend arts gebruikt de richtlijn P003 als norm voor de keuringen van HC’s.
e) De keurend arts heeft, zoals te doen gebruikelijk, voorafgaand aan de keuring aan klager gevraagd of hij vragen had over het doel en de inhoud van de keuring.
f) De door de keurend arts bij klager verrichte keuring is beperkt tot het doel waarvoor zij is verricht.
g) Klager is begin 2013 schriftelijk door de keurend arts op de hoogte gesteld van zijn ongeschiktheid voor de functie van HC en de reden daarvoor.
h) Klager is bij die gelegenheid gewezen op de mogelijkheid om een herkeuring aan te vragen bij een herkeurende arbodienst. Circa een maand later is klager door de keurend arts nogmaals gewezen op de mogelijkheid van een herkeuring en is hij geïnformeerd over waar en bij wie hij die kon aanvragen.
i) Klager heeft gebruik gemaakt van zijn recht op herkeuring.
j) De na de (eerste) keuring ontvangen nieuwe medische informatie betreffende klager en het advies van de herkeurende arbodienst is door de keurend arts voorgelegd aan de arts-deskundige.
k) De coördinator bedrijfsartsen heeft begin 2013 aan de herkeurende arbodienst gevraagd om haar rapportage aan te vullen met een eenduidige conclusie over de geschiktheid van klager voor de functie van HC. De herkeurende arbodienst heeft daarop niet gereageerd, ondanks meerdere pogingen van de coördinator bedrijfsartsen om met de herkeurende arbodienst in contact te komen.
l) Daarnaast is de informatie door de keurend arts met een aantal collega bedrijfsartsen besproken. Net als de keurend arts en de arts-deskundige concludeerden zij dat klager definitief ongeschikt moest worden verklaard voor de functie van HC.
m) De na de keuring ontvangen informatie en het advies van de herkeurend arts hebben er dan ook niet toe geleid dat alsnog een verklaring van medische geschiktheid is afgegeven door de keurend arts.
n) De Polikliniek heeft in de lente van 2013 advies uitgebracht naar aanleiding van het concept-advies “Aanstellingskeuring HC en HC S&V, Medische eisen” van de Arbodienst. Hoewel de Polikliniek concludeert dat de concept norm van de Arbodienst aanpassing behoeft, volgt uit het advies dat een aanstellingskeuring voor de functie van HC gerechtvaardigd is. Ten dele behoeven de belastingseisen heroverweging.
o) Het traject om tot een nieuw protocol te komen moet zorgvuldig worden doorlopen en dat kost tijd. Dat het traject nog niet is afgerond betekent niet dat geen aanstellingskeuring mag worden verricht of dat is gekeurd op basis van onjuiste normen.
p) Voor zover klager bestrijdt dat hij niet voldoet aan de keuringseisen voor de functie van HC, wijst de keurend arts er op dat voor de functie van HC een hogere belastbaarheid moet worden gehaald. Uit de van de behandelend specialist ontvangen informatie d.d. najaar 2012 is afgeleid dat klagers belastbaarheid te laag was. Uit latere informatie bleek dat de belastbaarheid van klager was gestegen. Dit leidde echter niet tot het oordeel van de arts-deskundige om een verklaring van medische geschiktheid af te geven. Daarbij speelt een rol dat niet alleen de belastbaarheid van belang is, maar ook het veiligheidsrisico.
q) Uit de door klager aangevraagde herkeuring blijkt dat het risico juist is ingeschat, zij het dat er nieuwere gunstigere gegevens voorhanden zijn.
r) De herkeurend arts adviseert de beslissing tot ongeschiktheid te heroverwegen en concludeert dus niet dat klager geschikt is.
s) De herkeurend arts was kennelijk niet op de hoogte van het feit dat de aspirant werkgever de functie van HC aanmerkt als een functie die bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid stelt, om welke reden een aanstellingskeuring mag worden uitgevoerd.
t) De werkwijze voor de keuring was voorts correct.

5.2 De klacht is ongegrond.

6. Overwegingen van de Commissie

Ontvankelijkheid
6.1 Wat de ontvankelijkheid van de Commissie betreft: de klacht ziet op de toepassing van de Wet op de Medische keuringen (hierna: Wmk). De Commissie verklaart zich ontvankelijk.

Twee afzonderlijke oordelen
6.2 Voorop staat dat, gelet op de tekst en de doelstellingen van de Wmk en overige regelgeving, waaronder het Protocol Aanstellingskeuringen van juni 1995, in werking sinds 1 januari 1996 (1), moet worden uitgegaan van een strikte scheiding van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen de keuringvrager en de keurend artsen. De Commissie brengt daarom twee afzonderlijke oordelen uit; één tegen de keurend arts (de Arbodienst) en één tegen de aspirant werkgever. Onderhavig oordeel ziet op het handelen van de keurend arts.

Geen inhoudelijk oordeel geschiktheid
6.3 De Commissie geeft geen inhoudelijk oordeel over het al dan niet geschikt zijn van klager voor de functie van HC, nu een dergelijk oordeel toekomt aan zijn keurend arts. Het is de taak van de Commissie een oordeel te geven over de vraag of de uitvoering van de aanstellingskeuring voldoet aan de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

Artikel 1 Wmk: aanstellingskeuring
6.4 Artikel 1, lid a van de Wmk bepaalt – voor zover hier van belang – dat onder een keuring wordt verstaan: “vragen over de gezondheidstoestand van de keurling en het verrichten van medisch onderzoek in verband met het aangaan of wijzigen van:
1. Een burgerrechtelijke arbeidsverhouding, die bij of krachtens de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen of de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering als dienstbetrekking wordt aangemerkt;
2. (…).

6.5 De Commissie dient te beoordelen of in deze zaak sprake is van een aanstellingskeuring.
Tijdens de medische keuring worden vragen gesteld over de gezondheidstoestand van de keurling en wordt medisch onderzoek verricht. De keuring is beslissend. In dit geval leidt een geschiktheidsverklaring als uitslag van de keuring tot een aanstelling als HC. Dit betekent dat sprake is van een aanstellingskeuring als bedoeld in artikel 1, lid a van de Wmk. De keurend arts moet dan ook voldoen aan de verplichtingen die de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen aan keurend artsen opleggen.

6.6 De Commissie dient vervolgens na te gaan of de keurend arts in het kader van de uitvoering van de aanstellingskeuring van klager heeft voldaan aan de eisen van de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

Artikel 4 Wmk en artikel 3 Besluit aanstellingskeuringen: bijzondere eisen
6.7 Artikel 4, lid 1 van de Wmk bepaalt in samenhang met artikel 3, lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen dat een aanstellingskeuring alleen mag plaatsvinden, indien aan de vervulling van de betreffende functie en de daarbij behorende taken bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid moeten worden gesteld.

6.8 Onder bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid wordt verstaan:
- de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de keurling en van derden bij de uitvoering van de desbetreffende arbeid; en
- de risico’s voor de gezondheid en de veiligheid, die niet met gangbare maatregelen, overeenkomstig de stand der wetenschap en professionele dienstverlening, kunnen worden gereduceerd.
De risico’s die met de functie samenhangen moeten dus in eerste instantie zoveel mogelijk door de werkgever worden voorkomen door het treffen van preventieve maatregelen.
Een aanstellingskeuring mag derhalve alleen worden verricht in die situaties, waarbij functie-eisen een bijzonder beroep doen op de medische geschiktheid van de kandidaat.

Artikel 8 Wmk en artikel 3 Besluit aanstellingskeuringen:schriftelijke vastlegging en advies
6.9 In artikel 8, lid 1 Wmk is bepaald dat de aspirant werkgever het doel van de keuring, de vragen welke ten aanzien van de keuring worden gesteld, en de medische onderzoeken welke mogen worden verricht, schriftelijk vastlegt. In samenhang daarmee is in artikel 3, lid 2 Besluit aanstellingskeuringen vastgelegd dat de aspirant werkgever, voordat hij de bijzondere eisen op het punt van medische geschiktheid én het hiervoor genoemde doel, de vragen en onderzoeken vastlegt, schriftelijk advies daarover en over de rechtmatigheid van de keuring vraagt aan een bedrijfsarts, tenzij een schriftelijk advies al eerder met betrekking tot eenzelfde functie is verstrekt en de omstandigheden en de gangbare maatregelen ongewijzigd zijn gebleven.

6.10 Veiligheid is een van de kernwaarden van aspirant werkgever.
Het veiligheidsbeleid van aspirant werkgever heeft onder meer het minimaliseren van schade aan personen en materieel tot doel. Indien aanpassen van de organisatie van het werk en de techniek niet (meer) mogelijk is, is de mens een belangrijke factor.
In het Handboek Hoofdconducteur handelt hoofdstuk 3 over veiligheid. In VMS 12.2, Keuringen, 4.0 is in de paragraaf Interne eisen bepaald dat in het geval van veiligheidsfuncties wordt gesproken over wettelijke (machinist en rangeerder) en niet wettelijke veiligheidsfuncties (chef trein (= HC), bevoegd spoorbetreder, procesleider perron, en vertrekassistent). Voor de niet wettelijke veiligheidsfuncties zijn er geen wettelijke inhoudelijke eisen rondom de keuring van medewerkers. Aspirant werkgever heeft voor de niet wettelijke veiligheidsfuncties interne eisen opgesteld en hanteert de term ‘veiligheidstaak’.

6.11 De functie van HC valt sinds 3 december 2004 niet meer onder de wettelijke veiligheidsfuncties. Het Besluit spoorwegpersoneel 2011 is dan ook niet van toepassing.
De functie van HC is wel een functie met veiligheidstaken. Deze veiligheidstaken zijn, aldus aspirant werkgever:
a. de vertrekprocedure;
b. veiligheid van derden;
c. eigen veiligheid.
Naar het oordeel van aspirant werkgever moeten in verband met deze veiligheidstaken bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid worden gesteld, op grond waarvan een aanstellingskeuring rechtmatig en gerechtvaardigd is. In het VMS heeft aspirant werkgever schriftelijk vastgelegd wat de bijzondere functie-eisen zijn en dat de voormalige Railned P003 richtlijnen van de IVW gehanteerd worden bij de keuring. Deze bijzondere functie-eisen en daarbij behorende keuringseisen zijn gelijkluidend aan de eisen, die werden gesteld toen de functie van HC nog als wettelijke veiligheidsfunctie werd gekwalificeerd.

6.12 In het najaar van 2012 brengt de Arbodienst - in opdracht van aspirant werkgever - een advies uit over de medische keuringen van de HC en de HC S&V. De Arbodienst adviseert in haar rapport om de HC als functie met veiligheidstaken, waarvoor een aanstellingskeuring is toegestaan te handhaven, zowel om inhoudelijke, als praktische redenen (handhaving inbedding verplichting in VMS). De Arbodienst heeft voorts een voorstel gedaan voor de medische eisen.

6.13 Op initiatief van de Arbodienst is eerdergenoemd concept-advies ter beoordeling voorgelegd aan de Polikliniek, met het verzoek advies uit te brengen. De Polikliniek heeft in de lente van 2013 diverse kritische kanttekeningen gemaakt bij het concept-advies van de Arbodienst. Conclusie is dat de concept normen van de Arbodienst (deels) dienen te worden gewijzigd. Dat is nog niet gebeurd. De aspirant werkgever heeft het voornemen om een voorgenomen besluit daartoe nog dit jaar voor te leggen aan de OR. In de tussentijd handhaaft de aspirant werkgever zijn geldende beleid, zoals ook toegepast bij de keuring van klager.

6.14 De Commissie merkt op dat het haar verbaast dat aspirant werkgever niet eerder dan in 2012 advies heeft gevraagd met betrekking tot de vraag of een aanstellingskeuring voor de functie van HC nog steeds rechtmatig en gerechtvaardigd was en zo ja, welke bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid e.d. passend waren.
De keurend arts heeft op grond van artikel 3 lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen echter een eigen verantwoordelijkheid. Het was de keurend arts ten tijde van de onderhavige keuring bekend dat de functie HC op grond van het besluit Spoorwegpersoneel 2011 geen wettelijke veiligheidsfunctie meer betrof zodat de afwijkingsgrond van artikel 3, lid 3 van het Besluit aanstellingskeuringen niet van toepassing is. Ook kon het de keurend arts bekend zijn dat met betrekking tot de functie HC nog geen actuele bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid waren vastgesteld.

6.15 Klager is begin 2013 gekeurd op basis van de keuringseisen, opgenomen in het concept-advies van de Arbodienst d.d. najaar 2012. Die keuringseisen komen overeen met de sinds eind 2004 gehanteerde eisen. Het zijn dezelfde eisen die werden gebruikt toen de HC nog als wettelijke veiligheidsfunctie werd gekwalificeerd.
Het concept-advies van de de Arbodienst wordt door de Commissie gezien als ‘beleid in ontwikkeling’ van de aspirant werkgever. Aspirant werkgever heeft erkend dat het beleid nog niet is vastgesteld en nog wijziging behoeft. De Polikliniek heeft - na de keuring van klager – enkele zeer kritische kanttekeningen geplaatst bij het concept-advies van de Arbodienst. Door de Polikliniek is onder meer gezegd dat de relevantie en zwaarte van de veiligheidseisen door de Arbodienst niet goed zijn uitgewerkt en dat de concept norm aanpassing behoeft. De criteria zijn gebaseerd op de eisen voor machinisten, die niet passend zijn voor de functie van HC. Een feit waarop ook de herkeurend arts aspirant werkgever – via klager – begin 2013 had gewezen. Er bestaat volgens de Polikliniek geen relatie tussen de door de Arbodienst genoemde belastbaarheidseisen en passende medische criteria en onderzoeksmethoden. De aspirant werkgever heeft te kennen gegeven dat zij de aanbevelingen van de Polikliniek zeer serieus neemt en haar voorgenomen beleid zal wijzigen.

6.16 De Commissie vindt het echter gelet op het niet mis te verstane advies van de herkeurend arts onbegrijpelijk dat de keurend arts zijn besluit om de eerdere ongeschiktheidsverklaring te handhaven niet uitvoeriger heeft gemotiveerd. De herkeurend arts heeft immers nadrukkelijk op het gebrek in de houdbaarheid van de gestelde eisen gewezen. Nu vaststaat dat er voor de functie HC nog geen nieuw beleid is vastgesteld meent de Commissie dat in strijd met artikel 3 lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen is gehandeld.

Artikel 8 Wmk en artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen: informatieverplichting vooraf
6.17 Ten aanzien van deze klacht is verder artikel 8 Wmk in het geding. De aspirant werkgever heeft op grond van artikel 8, lid 2 van de Wmk de verplichting om een sollicitant vooraf goed te informeren over de medische keuring en over diens rechten bij keuringen. Hieronder verstaat de Commissie informatie verschaffen over het doel van de keuring en over de vragen en de onderzoeken die daarbij aan bod komen, maar ook over het recht op herkeuring. Verder is in artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen geregeld, dat de aspirant werkgever klager tijdig voor aanvang van de medische keuring desgevraagd het advies van de medische keuringsinstantie ter beschikking stelt en dat de aspirant werkgever klager informeert over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Commissie.

6.18 Op basis van de overgelegde stukken en de tijdens de hoorzitting van klager en aspirant werkgever verkregen informatie is vast komen te staan, dat aspirant werkgever klager niet op eigen initiatief en voorafgaande aan de keuring zelf schriftelijk heeft geïnformeerd over de medische keuring.

Eigen verantwoordelijkheid keurend arts m.b.t. informatieverplichting
6.19 De keurend arts heeft een eigen verantwoordelijkheid in relatie tot de keurling. De keurend arts dient zich ervan te vergewissen dat de keurling voorafgaand aan de keuring voldoende is geïnformeerd over het doel en de inhoud van die keuring en klager’s rechten conform het vereiste in artikel 8, lid 2 van de Wmk. Indien dit niet het geval is, dient de keurend arts deze informatie zelf te verstrekken. Dit vloeit voort uit het principe van geïnformeerde toestemming (informed consent principle). De Commissie wijst hier ook op de betreffende artikelen van het Burgerlijk Wetboek (BW) Boek 7, Titel 7, Afdeling 5 (de overeenkomst inzake geneeskundige behandeling), welke afdeling ingevolge artikel 464 BW van overeenkomstige toepassing is op de aanstellingskeuring, alsmede op het Protocol Aanstellingskeuringen.

6.20 Het is niet mogelijk de exacte gang van zaken voorafgaande en tijdens de keuring vast te stellen. Klager en de keurend arts spreken elkaar tegen op het punt welke informatie (mondeling) is verstrekt en welke vragen zijn gesteld. De Commissie acht het gelet op het bovenstaande en de aan haar verstrekte stukken, waaruit niet blijkt dat vooraf enige schriftelijke informatie is verstrekt én de mondelinge toelichtingen niet onaannemelijk dat de keurend arts tekort is geschoten in de verstrekking aan klager van de informatie, als hiervoor bedoeld.
De Commissie is van oordeel dat de keurend arts in strijd met artikel 8, lid 2 van Wmk in samenhang met artikel 5 van het Besluit aanstellingskeuringen heeft gehandeld.

Artikel 12 Wmk: recht op herkeuring
6.21 Op grond van artikel 12 Wmk heeft de keurling recht op een herkeuring, indien aan de keuring een negatieve gevolgtrekking, dan wel een positieve gevolgtrekking onder bepaalde beperkingen wordt verbonden. De keurling dient zijn wens daartoe met redenen omkleed binnen een week nadat de genoemde gevolgtrekking aan hem is medegedeeld kenbaar te maken. De keuringvrager dient een regeling te treffen voor herkeuring door een onafhankelijk geneeskundige.
De kosten van de herkeuring worden gedragen door de keuringvrager. Deze mag echter een redelijke bijdrage van de keurling verlangen.

6.22 Er is spraakverwarring geweest tussen enerzijds klager en anderzijds de keurend arts over de begrippen ‘herkeuring’ en ‘second opinion’. Klager is er door de keurend arts in zijn brief d.d. begin 2013 op gewezen dat hij een herkeuring kon aanvragen. Circa één maand later spreekt de keurend arts in een brief over een ‘second opinion’.
Na de afkeuring heeft klager aan de keurend arts gevraagd welke stappen hij kon zetten tegen de ongeschiktheidsverklaring voor de functie van HC. Klager heeft daar onvoldoende antwoord op gehad. Wel heeft de keurend arts klager op diens verzoek uiteindelijk verwezen naar de website van de ILT. Vervolgens is klager op internet gaan zoeken. Klager heeft voor eigen rekening een second opinion (‘herkeuring’) aangevraagd bij de herkeurende arbodienst en de uitslag daarvan zelf aan de aspirant werkgever doorgezonden.

6.23 Namens de keurend arts is naar voren gebracht dat klager wel op zijn recht op herkeuring is gewezen en dat hij feitelijk ook een herkeuring heeft ondergaan.

6.24 De Commissie stelt vast dat de keurend arts klager onvoldoende heeft geïnformeerd over hoe een herkeuring in zijn werk gaat en klager er niet op heeft gewezen dat de keuringvrager in beginsel een herkeuring bekostigt. De keurend arts heeft na herhaald vragen van klager niet aangeboden om een herkeuring voor klager te regelen. De keurend arts heeft klager slechts verwezen naar een herkeurende arbodienst.
Naar het oordeel van de Commissie heeft de keurend arts, mede gelet op de specifieke omstandigheden in deze zaak, aan klager onvoldoende informatie over de herkeuring verstrekt en daarnaast aan klager onvoldoende ondersteuning geboden. Het had op de weg van de keurend arts gelegen om op dit punt juist een stap extra te zetten bovenop zijn verplichtingen voortvloeiende uit de Wmk en het Besluit aanstellingskeuringen.

7. Oordeel van de Commissie

Op grond van bovenstaande overwegingen komt de Commissie tot het navolgende oordeel:

De klacht is gegrond.

De keurend arts heeft gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van het Besluit aanstellingskeuringen en heeft voorts in strijd gehandeld met artikel 8, lid 2 van de Wmk juncto artikel 5 Besluit aanstellingskeuringen, voor wat betreft het ‘informed consent principle’.

Den Haag, 2013


  1. Het Protocol Aanstellingskeuringen kan blijkens de nota van toelichting bij het Besluit tot regeling van aanstellingskeuringen van 23 november 2001, stb. 2001, 597 en bij het Besluit tot regeling van de klachtenbehandeling aanstellingskeuringen van 23 november 2001, Stb. 2001, 598, worden beschouwd als een nadere invulling van de Wmk en het Besluit Aanstellingskeuringen.