Oordeel 2015-01 (klager / aspirant werkgever)

Samenvatting

Klager heeft bij een internationale organisatie gesolliciteerd voor de functie van inspecteur. Na het afronden van een schriftelijke test en een sollicitatiegesprek, deelt de aspirant werkgever mee dat hij de intentie heeft om de klager een arbeidsovereenkomst aan te bieden, indien hij aan bepaalde voorwaarden voldoet. Een van deze voorwaarden is het afleggen van een medische keuring. Na de keuring verneemt klager van werkgever dat hem geen arbeidsovereenkomst wordt aangeboden. 

Klager voert aan dat de medische keuring niet was toegestaan, aangezien er geen sprake was van bijzondere functie-eisen en niet was aangetoond dat de functie van inspecteur risico’s meebracht voor zijn gezondheid en veiligheid of die van anderen. Klager verzoekt de CKA uitspraak te doen of de aspirant werkgever in strijd handelt met de Wet op de medische keuringen (Wmk). Aspirant werkgever beroept zich op grond van het Zetelverdrag op immuniteit voor zijn officiële activiteiten en gaat daarom niet inhoudelijk in op de klacht. 

De CKA overweegt dat de Hoge Raad het begrip ‘functionele immuniteit’ ruim uitlegt. De werving en selectie van klager valt naar het oordeel van de CKA onder de officiële activiteiten van aspirant werkgever. Vervolgens is de vraag of het inroepen van immuniteit door aspirant werkgever afbreuk doet aan de bescherming die klager kan ontlenen aan het recht op toegang tot een onafhankelijk gerecht (recht op een eerlijk proces), zoals is vastgelegd in artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De CKA stelt vast dat zij, alleen al omdat haar oordelen geen bindend karakter hebben, geen rechterlijke instantie is in de zin van artikel 6 EVRM. Gelet hierop beperkt aspirant werkgever met het inroepen van immuniteit ten aanzien van de beoordeling van de klacht door de CKA, klager niet in zijn door artikel 6 EVRM beschermde recht.

De CKA concludeert op grond van het bovenstaande dat aspirant werkgever een beroep toekomt op immuniteit, als bedoeld in het Zetelverdrag. De Commissie is niet bevoegd om over deze zaak te oordelen. De Commissie komt dan ook niet toe aan de vraag of klager ontvankelijk is, laat staan aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.